Dierenverhalen tweede zondag Advent

Dierenverhalen rond Kerstmis

Deze tekst is maar een voorbeeld; met eigen woorden vertellen is waarschijnlijk beter!

TWEEDE ZONDAG VAN DE ADVENT

Inleiding

Vandaag is het de tweede zondag van de Advent, daarom steken we nu twee kaarsen aan van de adventskrans.
In de kindernevendienst bereiden we ons voor op Kerstmis samen met de dieren van de kerststal.
Vandaag ligt er een kameel te wachten totdat hij eindelijk op weg mag gaan.

In de grote kerk wordt aan de mensen uitgelegd dat we de weg vrij moeten maken voor de komst van de Heer (dat vieren we met Kerstmis). Als je nooit aan God denkt, als je er niet naar verlangt dat het beter wordt op aarde, als je nooit probeert goede dingen te doen, dan maak je niet de weg vrij voor de komst van Jezus op aarde.

Als er eenmaal een weg is, dan is een kameel een sterk dier dat hele grote tochten kan ondernemen en de bagage kan dragen en die je op z’n rug kan nemen als je moe bent.

Op dit moment kan er een verhaaltje verteld worden over een kameel, die ligt te wachten totdat hij op weg kan gaan (zie voorbeeld over een kameel, kort voor de geboorte van Jezus: later zal hij met Driekoningen de geschenken komen brengen) of verteld worden wat een kameel is en doet.
Daarna kunnen de kinderen een kleurkaart met een liggende kameel inkleuren en er zelf nog wat bij verzinnen (eventueel thuis afmaken).

Als er geen kleurkaarten zijn, kunnen ook dubbelgevouwen blanco kaarten worden gebruikt. Let op: zet de kaarten eerst neer, zodat duidelijk is wat de onderkant moet zijn.

 

De kameel

Grauw was niet zo’n mooie kameel: hoewel zijn vacht er wel gezond uitzag, was hij saai en grauw. Hij was ook niet zo slank en soepel als zijn neef. Als de jonge kamelen speelden, waren de meesten veel sneller en leniger dan hij. Maar hij was wel sterk: ze hadden hem nog nooit om kunnen gooien en als er eentje in zijn poten probeerde te bijten dan gaf hij hem zo’n stevige schop dat die voortaan een eerbiedige afstand bewaarde!

Grauw was wel een beetje jaloers toen er rijke, belangrijke mannen kwamen die zijn neef en een paar andere prachtige jonge kamelen uitzochten en flink voor hen betaalden. Hij wist niet wat voor zware trainingen hen te wachten stonden – want ze waren bestemd als rijdieren voor de soldaten en moesten later mee naar de oorlog!

Nee, Grauw mocht nog een tijdje bij zijn moeder en bij de kudde blijven. Regelmatig maakten ze lange tochten. De volwassen kamelen droegen dan allerlei pakken op hun rug die naar een andere stad gebracht moesten worden. Dagenlang liepen ze soms door de woestijn en als ze bij een rustplaats kwamen werd Grauw vast gebonden: z’n moeder kon dan vrij rondlopen om eten te zoeken. (De kamelen die geen jongen hadden kregen een touw aan hun poten zodat ze niet weg konden lopen). Een mens zag geen planten, maar de kamelen konden goed zoeken en voldoende eten om de tocht na de rust te kunnen vervolgen.
Dan kwam de moeder van Grauw terug en liet hem bij haar drinken.

Ongemerkt werd hij groter en sterker en ontdekte hoe hij zelf planten kon vinden om te eten en hij dronk steeds minder melk bij zijn moeder. Toen de kamelendrijvers niet goed opletten, verliet Grauw de kudde en trok de wijde wereld in. Maar hij kwam niet erg ver: hij werd al gauw vermist en een paar kamelendrijvers gingen op hun snelle rijkamelen zitten en ze volgden het spoor van Grauw. En je weet het hè, Grauw was niet zo snel, dus werd hij snel ingehaald. Hij werd vastgebonden en mee teruggenomen. Eigenlijk vond hij het wel fijn om weer terug te komen in zijn vertrouwde omgeving.

Toen hij drie jaar geworden was – dat is al tamelijk groot voor een kameel – kreeg hij voor het eerst een zadel op. Dat vond hij maar een raar gevoel en hij probeerde zich er heftig tegen te verzetten. Maar hij werd heel stevig vastgehouden totdat het goed zat en hij zich stil hield omdat het niet anders kon. Toen kreeg hij een goedkeurende knuffel en iets lekkers te eten: dat vond Grauw wel fijn.
Hij kreeg een jaar de tijd om aan het zadel te wennen, daarna kreeg hij voor het eerst een lichte last te dragen en leerde een echte lastkameel te worden: dat duurde wel twee jaar.
Hij had er niet altijd zin in om te doen wat de kamelendrijvers van hem wilden, maar zij waren sterker dan hij en ze hadden touwen en stokken en rijkamelen waarmee ze hem altijd konden inhalen. Maar ze waren ook rechtvaardig: ze gaven de kudde altijd voldoende te drinken en te eten, lieten ze nooit doorlopen tot ze uitgeput waren, maar zochten op tijd een rustplaats en verzorgden een dier als dat gewond of ziek was. En als er een kameel geslacht moest worden, dan deden ze het zo dat de anderen het niet zagen om zoveel mogelijk onrust te voorkomen.

Toen ze een keer in een grote stad waren, kwam er een groepje vreemde mannen. Ze bekeken de kamelen en hadden een bijzondere belangstelling voor Grauw. Ze kochten hem en namen hem mee naar een andere kudde. Dat vond Grauw heel erg naar want hij miste zijn neven en nichtjes en andere dieren van de kudde en hij moest erg wennen aan al die nieuwe dieren om hem heen. Ze werden rijk beladen en trokken weg in een lange karavaan.
Na een lange tocht kwamen zij in de stad van de koning. De drijvers waren heel tevreden over Grauw: ze vonden dat hij heel sterk was en het heel lang kon volhouden, als de anderen moe begonnen te worden, liep Grauw nog rustig door. Ze vonden ook dat hij goed opgevoed was en daardoor makkelijk te hanteren. Ze zeiden tegen elkaar: “de koning zal wel blij met hem zijn, want op zijn neutrale vacht komt het rijkversierde zadel van de koning extra goed uit!”

Ze brachten Grauw naar de koninklijke stallen: daar kon hij uitrusten van zijn lange tocht en goed eten en drinken en nieuwe krachten opdoen voor de volgende reis. Dat zou nog wel even duren want de koning moest daarvoor veel voorbereidingen treffen. Hij moest afwachten tot de tijd rijp zou zijn, bestuderen welke weg hij gaan moest en bedenken wat hij nodig zou hebben voor onderweg en wat voor geschenken hij mee zou nemen.

En Grauw en de andere kamelen wachtten rustig af totdat de mensen eindelijk klaar zouden zijn om op weg te gaan.