ABG Parochie

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Archieven

Preken, en de Kruisweg uit de Anna-Bonifatius

E-mail Afdrukken PDF

 

Afscheid van Hanneke Idema op 28 juli 2009

Inleidend woord

U allen mag ik welkom heten nu wij vandaag samen zijn om Hanneke Idema te gedenken. Ik heet allereerst de familie welkom, Elske en Albert Jan, broer en zus  van  Hanneke, schoonzus en neven en nichten. Ik wil de vicaris generaal van het bisdom Haarlem - Amsterdam welkom heten. Hij is hier namens de bisschop. Ook alle andere vertegenwoordigers van het bisdom en van het dekenaat. Ik heet de medewerkers van de bibliotheek welkom, waar Hanneke zo lang heeft gewerkt. Ik noem de docenten en de studenten van de theologische opleiding in Amsterdam. De vrienden en vriendinnen van Hanneke. De collega's van de regio, ds. Hanna en de broeders en zusters van de PKN in Diemen, de vertegenwoordigers van de gemeente. De collega's en afgevaardigden van Bernardus.Heel bijzonder heet ik welkom de parochianen van onze regio, de Martelaren, de Anna -Bonifatius en Gerardus Majella en de parochianen van de sint Petrus Banden, die met de familie het meest getroffen zijn door dit verlies.

Hanneke Idema is geboren op 22 juli in Hong Kong. Toen ze nog jong was verhuisde de familie naar Nederland. De belangrijkste reden daarvoor was dat Hanneke door een ernstige val ziek was geworden en men meende dat zij in Nederland beter zou genezen.

Hier ging Hanneke naar school Ze studeerde geschiedenis. Ze had verschillende banen. Tot vorig jaar werkte ze in de openbare bibliotheek in Haarlem. Ondertussen studeerde zij theologie in Amsterdam met de bedoeling als pastoraal werkster aan de slag te gaan. In 2006 werd zij benoemd als catecheet in de Petrus Banden, hier in Diemen. Na de voltooiing van haar studie werd ze aangesteld als pastoraal werkster voor de regio Amsterdam - Oost Diemen.Deze parochie werd een belangrijk aandachtspunt. Begin dit jaar werd zij voor een deel van haar tijd ook geestelijk verzorgster in Bernardus.

Niet lang geleden moest Hanneke worden opgenomen in het ziekenhuis voor een ernstige ingreep. De operatie slaagde en zij leek wonderlijk snel te herstellen. Zij was ook weer aan het werk gegaan. Vorige 1week zondag was zij in deze kerk om te bedanken voor alle belangstelling, die zij had gekregen.  Diezelfde dag verzekerde  zij haar zus nog dat ze zich heel goed voelde.

Na zondag is het niemand meer gelukt contact met haar te krijgen, tot haar vriendin Marjan die vanwege haar verjaardag op bezoek kwam haar in haar huis vond. Hanneke was gestorven.

De vriendschap en de genegenheid die velen voor Hanneke voelen en haar plotselinge dood maken dat we hier met een verdrietig hart bijeen zijn, verbijsterd en geschokt door dit gebeuren. Heel veel keren heeft  Hanneke hier zelf gestaan om een dierbare overledene te gedenken. Nu staan wij hier op deze plaats. Natuurlijk wil ik - en velen met mij- zeggen dat ik dankbaar ben dat ik Hanneke gekend heb. We zijn zeker dankbaar voor alles wat zij heeft betekend, maar vooral voor wie zij is geweest. Maar het verdriet en de verbijstering lijken die dankbaarheid vooralsnog te overstemmen.  Met grote eerbied en diepe genegenheid willen we haar hier gedenken. We willen haar toevertrouwen aan Gods barmhartigheid. Moge zij geborgen zin in Gods liefde en licht zien in Gods Licht. Mag ik Tineke Bijl, collega van Bernardus vragen om de lichtceremonie in te leiden.

Overweging

Vertrouwen, dat is misschien wel het sleutelwoord geworden van het leven van Hanneke. Vertrouwen was niet iets wat haar vanzelfsprekend was ingegoten. Als kind had zij zelfs iets achterdochtigs en durfde ze mensen maar ook zichzelf nauwelijks te vertrouwen.  Wellicht is het ongeluk dat haar als klein kind is overkomen daar wel de diepere oorzaak van. Haar hersens waren door de val beschadigd. In haar jonge jaren leed zij aan epilepsie. Die dingen bevorderen je vertrouwen niet. Dat wantrouwen verdween in de loop van de jaren, maar voor Hanneke was het wel heel belangrijk overzicht te houden en regie te hebben over de dingen en de gebeurtenissen. Het liefst wilde ze stap voor stap en van minuut tot minuut weten wat er te gebeuren stond. Dat kon heel weldadig zijn. Het maakte dat alles zo zorgvuldig  en ordelijk verliep. Soms had het ook iets krampachtigs. Maar ongetwijfeld maakte het deel uit van de diepe worsteling in haar leven om meer vertrouwen: vertrouwen in zich zelf, vertrouwen in de mensen, vertrouwen in God.

Wij waren  er getuigen van, hoe Hanneke begon te groeien en te bloeien. Gaandeweg begon ze te voelen, wat zij in menselijk opzicht waard was. Ze durfde dingen aan anderen over te laten en van anderen afhankelijk te zijn. De parochies, de collega's, de mensen om zich heen begon ze te ervaren als een warme deken van sympathie, aanvaarding en genegenheid. Ze maakte  werk van haar gebed en ze vond heel veel inspiratie in vieringen. Dat verstekte haar vertrouwen in de Allerhoogste.

Geen wonder dat haar zus en haar broer, die haar natuurlijk heel lang en intens hebben gevolgd, het gevoel hadden, dat Hanneke op haar bestemming was gekomen. Ze bloeide op. Ze werd menselijker. Ze begon vrij te leven en voelde zich dankbaar.

Wij, hier in Oost waren heel blij met Hanneke. Dat lieten we haar ook weten. Zij was vrijwilligster geweest in de parochie van de Martelaren. Ze had stage gelopen in de Anna-Bonifatius-Gerardus Majella. En nu was ze de eerst verantwoordelijke voor Diemen. Hier kon zij goed werk doen. Na zovele jaren hadden ze weer een pastor, die aandacht had voor persoonlijke noden, die mensen begeleidde in verdriet en ziekte, die mensen hielp hun geloof te verdiepen en die gewoon aanwezig was als aanspreekpunt en ondersteuning. Omdat Hanneke alle parochies van onze regio goed kende, was zij een stimulans voor de toenemende samenwerking. Je kan ook zeggen dat ze gewoon een prettige collega was, met wie het fijn was om samen te werken. In Bernardus was ze nog maar pas aan de slag. Twee zulke moeilijke banen te combineren viel haar niet mee, maar het was nog maar het begin en ze had tijd nodig.

Hanneke was pastoraal werkster. Ze was vrouw en geen priester. Dat brengt in onze kerk beperkingen en grenzen met zich mee. Hanneke is tegen die grenzen aangelopen. Met een ruim hart aanvaardde ze dat en wist de kansen en de mogelijkheden, die de beperkingen met zich meebrachten te gebruiken. Dat maakte dat we ons hier in de regio nooit concurrenten van elkaar hebben gevoeld.

We moeten afscheid nemen. Haar dood slaat wonden en maakt oude wonden weer open. Wie voelt zich niet verdrietig door deze veel te vroege dood? Dramatisch, schokken, heel erg, verschrikkelijk, boosheid: al die woorden en emoties heb ik deze dagen gehoord en gemerkt. Opvallend veel merkte ik dat mensen zwegen. Zo voel ik dat ook: in stilte en zwijgend staan we rond deze grote klap en dit diepe verdriet: Je jongste zus, je tante,  je vriendin, je collega, je pastor is gestorven. Dat doet heel veel pijn.

Maar het kan niet anders dan dat we woorden zochten in de Schrift, ons Boek des levens, om hier met elkaar te delen. De profeet Jesaja. Hier is hij aan het woord op het moment dat het volk in ballingschap mag terugkeren naar het eigen land. Maar dat land is onbekend geworden. Het ligt in puin en wie weet wat je daar te wachten staat. Soms is slavernij gemakkelijker dan vrijheid. De profeet laat de Heer aan het woord. 'Wees niet bang. Je bent van mij. Vuur en water zal je trotseren. Zo kostbaar ben je, zo waardevol, ik houd van je.  Ik weet niet of Hanneke zich die laatste momenten bewust is geweest. De ziekte van de laatste maanden heeft haar zeker geconfronteerd met de kwetsbaarheid van het leven. Maar wij gunnen haar zozeer wat de profeet de Heer laat zeggen: zo kostbaar ben je, zo waardevol, ik houd van je. We gunnen het haar en we mogen zeggen, dat de liefde, die ons wordt gegund, sterker is dan de wrede dood, waarmee we deze dagen in aanraking zijn gekomen.

Als Evangelie lazen we een Paasverhaal. Maria Magdalena is door de Heer naar haar bestemming gevoerd en heeft waardigheid gekregen. Geen wonder dat Zijn dood heer bijzonder heeft geraakt. Haar verdriet wordt nog groter, wanner het lichaam uit het graf is verdwenen. Ze gaat in wanhoop naar iemand die zijn voor de tuinman houdt. 'Heeft u het lichaam weggenomen?`Dan hoort ze haar naam noemen: 'MARIA`.    Het is alsof ze bij haar diepste naam wordt geroepen. 'Voor wie ik liefheb wil ik heten`. Ze ontvangt nieuwe moed omdat ze beseft de levende en verrezen Heer te hebben ontmoet.

Mag je zo ook niet tegen de dood aankijken? We worden genoemd en geroepen bij onze diepste naam. In dit vertrouwen namen we afscheid van Hanneke. We geven haar uit handen. We vertrouwen haar toe aan de handen van de levende God.Moge zij bij Hem geborgen zijn en levend bij Hem, waken over ons allen.

Pastor Leo Nederstigt

  

  

Preek in de Gerardus op 29 maart 2009 5e zondag in de vasten
Lezingen:  Jer. 31, 31 -34 en Joh.12, 20 -33

 

Zusters en broeders

 ‘Wat moet ik zeggen? Vader red mij uit dit uur`? Dat is een gebed van Jezus Het is niet zomaar een gebed. Hij voelt wat er gaat gebeuren. Lijden en dood staan voor de deur. Maar dat niet alleen. Hij wordt afgewezen. Verraden en verloochend. ‘Wat moet ik zeggen, vader red mij uit dit uur?’ Jezus bidt, zoals veel mensen kunnen of willen bidden.  In een week kan je veel dingen meemaken. Ik was in een woonwagen, bij een zigeunerfamilie om een doop voor te bereiden. Jarenlang stonden ze op een afgelegen terrein dicht bij de grote weg. Het was een plek waar de familie zich steeds weer verzamelde, als ze terugkeerden van omzwervingen door Europa. Nu wordt de plaats verboden gebied. Er mag nog één wagen staan. De rest wordt weggesleept, zodra ze er wat langer staan. Het zal allemaal wel heel ordelijk zijn, maar ik merkte hoe deze familie ontheemd en ontwricht was  Het zijn niet alleen zij, die slachtoffer worden  of zich slachtoffer voelen van regels en ordeningen.  In dezelfde week hoorde ik, hoe iemand het bericht had gehoord van een ernstige ziekte. Weer een ander weet dat zij tengevolge van de crisis binnenkort haar baan zal verliezen. En u weet net zo goed als ik hoe het kan gaan op je werk of op school. Op alle mogelijke manieren lijden mensen aan het leven. Jezus bidt. Hij zal niet bidden dat Hem al het leed bespaard zal worden. Hij bidt niet dat Hij uit dit uur van leed gered zal worden. Hij bidt dat de Vader verheerlijkt wordt. Is dat geen merkwaardig gebed? Iemand zou kunnen zeggen, dat het de teleurstellingen voorkomt, die ons vaak treffen. We bidden voor het een of ander,. We leggen onze verlangens en wensen aan God voor. Maar toch gebeurt het niet altijd. Een zieke wordt niet beter. Je wordt ontslagen. De ruzie blijft maar voortsudderen. Het gaan niet dadelijk beter met de kinderen.  En toch bidden ? Halen we toch God er bij, als het ons slecht gaat?  Jezus is niets bespaard gebleven. Hij is afgewezen. Hij is verraden en verloochend. Hij is gemarteld. Hij is vermoord. Hij heeft heel veel menselijk lijden gedeeld en aan den lijve ondervonden. Hij is er door heen gegaan met groot vertrouwen dat Zijn Vader  hem niet in de steek zou laten. We weten dat dit vertrouwen is uitgelopen op de verrijzenis. Na alles te doorstaan te hebben en de dood te zijn ingegaan, is hij op de derde dag verrezen uit de dood. Zijn boodschap is de wereld overgegaan. Als levende in ons midden heeft Hij mensen aangezet het goede te doen . En zo is het ook gegaan. De geschiedenis van kerk en geloof kent heel veel schaduwkanten, tot op onze dagen. Maar dat mag ons niet doen vergeten, wat voor hoop geloof in harten van mensen heeft gewekt, hoe ver mensen zijn gegaan in hun liefde en hoeveel leed er verzacht is door het vertrouwen, dat opgebracht en gedeeld is. Zo heeft het gebed van Jezus een krachtige uitwerking gehad. Met Hem mogen we nog steeds bidden. .. De ervaring leert ons dat God het lijden niet altijd wegneemt. Dat wil niet zeggen, dat Hij zich het lijden van mensen niet aantrekt. ‘Ik heb de klachten gehoord en de ellende gezien, zegt Hij tot Mozes. Ik ken zijn lijden. Ik sta op om te bevrijden. `God is in het lijden aanwezig als een Bevrijder. Hij zal niet zeggen dat lijden de bedoeling is. Maar Hij is er en zet ons aan te doen  wat we kunnen, om het lijden te verlichten en anderen te steunen. Verandert ons gebed de wereld?  U en ik weten hoeveel goeds er gebeurt. In mensen leeft het verlangen naar goedheid en vrede. In ons wordt het verlangen naar God en Zijn wereld hoog gehouden door het gebed. Mensen blijven gaande en staande ondanks heel veel menselijk leed. Ik denk aan de oma van de zigeunerfamilie  Ze vertelde me hoeveel steun ze bij Jezus ervaarde. ‘Hij begrijpt ons en Hij gaat met ons mee, als we weer op pad zijn`, verklaarden ze. U weet, hoeveel goeds een zieke in mensen kan opwekken. Er is steun en aandacht, zorg en toewijding. U en ik kennen mensen, die zieken hebben nagelopen en verzorgd en soms meer deden dan ze konden. Ik sta er soms versteld van, hoe ouders het met hun kindreen uithouden. En andersom.  Daarbij speelt vertrouwen en liefde geen geringe rol. Velen van ons blijven gaande en staande temidden van heel veel menselijk leed. God heeft  met ons een nieuw verbond gesloten. Hij wil onze God zijn en wij mogen zijn volk zijn. Jezus heeft het menselijk lijden ondergaan in het vertrouwen, dat Zijn leven, met de donkere kanten daaraan, uiteindelijk vrucht zouden dragen. Hij heeft zijn leven niet krampachtig vastgehouden. Zijn eerste zorg ging niet uit naar eigen zekerheid, eigen carrière, eigen huis of eigen familie. Zijn zorg ging uit naar de mens, die op zijn weg kwam en die Zijn heilzame aanwezigheid nodig had. Hij nodigt ons niet uit om ons leven te verwaarlozen, maar om niet krampachtig vast te houden aan de schone schijn of een leeg omhulsel. Dat moet hij  bedoelen, als hij spreekt over het haten van het leven. Het mooiste beeld van het Evangelie  vind ik dat van de graankorrel. Het is wonderlijk  wat een vruchtbaarheid een graankorrel teweeg kan brengen. Zo is het met Jezus gegaan. Hij moest het leven van de mens, inclusief lijden, verlatenheid, eenzaamheid en dood ondergaan om teweeg te brengen wat Hij heeft teweeggebracht. Voor velen heeft hij de toekomst geopend. Hij heeft de goede boodschap van Gods liefde en Zijn betrokkenheid op mensen  over de wereld uitgezaaid. Tot op onze dagen worden er daden van liefde en verzoening verricht in Zijn naam. Zo kan het met mensen gaan. Niemand is uitgesloten van menselijk leed. De een heeft een zwaardere last te dragen dan de ander, maar niemand ontkomt er aan. Moeten we daar verbitterd en teleurgesteld mee omgaan of moeten we er door heen?  Wie dat lukt of enigszins lukt zal Gods kracht ervaren en vertrouwen en  vrijheid genoeg om met vertouwen in het leven te staan. Daar is alle reden toe. Het wordt Pasen, Pasen in dit jaar, Pasen in ons leven en in onze wereld.

pastor Leo Nederstigt

Preek in de Gerardus op 15 maart 2008
Lezingen: Ex. 20, 1 -17 en Joh. 2, 13 -25 

Zusters en broeders, Als mensen spreken over normen en waarden, dan grijpen ze bewust of onbewust terug op de lezing die we zojuist hebben gehoord. Leven zonder waarden en normen wekt bezorgdheid of angst op. Waar blijven we dan? Waar gaan we dan naar toe?  Soms vraag ik wel eens aan mensen of ze de tien geboden kennen. Het lukt lang niet altijd: Niet stelen of niet doden, dat komt er wel uit.

Soms denken mensen ook wel aan ‘niet liegen~of ‘geen afgoden vereren`. Een enkele keer wordt er aan gedacht dat je je vader en moeder moet eren. Maar wat als je een gewelddadige vader hebt gehad of een moeder die jou in je vrijheid behoorlijk heeft beknot? Weldadiger als het rijtje geboden, dat sommige onder ons nog wel kunnen zeggen, is het om de lezing van vandaag nog eens te lezen. Wat mij opvalt is de inleiding. ‘Ik ben de Heer uw God die u uit het slavenhuis van Egypte heb weggeleid.” Voor mij is dat een belangrijke zin. Weggeleid worden uit het slavenhuis betekent dat er aan vrijheid wordt gedacht. En dat is het wat de tien woorden op het oog hebben. Het gaat om vrijheid, echte vrijheid, waarachtige vrijheid. En om die vrijheid te verwerven zijn ons richtingwijzers gegeven. Wij hebben ze ‘geboden`genoemd. De Joden spreken liever over de tien woorden, maar voor hen is een woord ook een daad. Woorden moet je doen. Ze gebruiken daar zelfs een gelijke uitdrukking voor. Het hebreeuwse woord ‘dabar` betekent zowel woord als daad. De tien woorden hebben onze vrijheid op het oog. Bij sommige woorden moet je wel goed nadenken. Je kan je nog wel indenken dat het buitengewoon onvrij maakt, als je iemand hebt vermoord, als je gestolen hebt of maar liegt en bedriegt. Ik ken iemand die zo goed kan liegen dat hij zelf niet meer weet wat nu waar is en wat niet en enorm moet opletten, dat hij aan dezelfde persoon ook hetzelfde verhaal vertelt. Je moet er wellicht langer over doen om vrijheid te voelen, als je het geheim van God laat bestaan en onze God niet in een of ander beeld perst. Zou het inderdaad vrij maken, als je werk maakt van jouw geloof in God? Daar gaat het gebod over om de sabbat in ere te houden. Hoe langer en meer raakt ik er ook van overtuigd dat eerbied en trouw voor de mens, voor wie je ooit hebt gekozen, vrij kan maken. Vrij maakt het ook, als je een ander leven of iets eigen bezit.  De tien geboden of de tien woorden zijn eerder een staf om mee te gaan dan een stok om mee te slaan. Ze helpen ons om terecht te komen in een domein waar echt leven te vinden is: vrijheid, gerechtigheid, eerbied, barmhartigheid en toekomst.Soms helpt het enorm als je een mens ontmoet of mensen, die de tien geboden doen in plaats van dat ze die kunnen opzeggen. Ik hoop van harte dat u zulke mensen kent. Ze helpen ons om inhoud aan ons leven te geven en te vermoeden waar echte vrijheid over gaat. Wij kennen trouwens allemaal één mens bij wie de geboden vlees en bloed zijn geworden of bij wie het woord werkelijk samen is gevallen met de daad. Die mens is Jezus van Nazareth, die we vandaag op een ongewone manier tegenkomen. Ongewoon, omdat we deze vredelievende, menselijke en barmhartige mens meemaken in zijn woede. Hij is zo kwaad dat Hij niet rustig met handelaars en geldwisselaars gaat praten,maar stevige woorden gebruikt en er op los slaat.‘Nou, nou, Jezus, moet dat nou`, zouden we geneigd zijn te zeggen.   Is het nu echt nodig om je zo kwaad te maken? Die mensen moeten toch ook de kost verdienen?  Die vragen mogen blijven bestaan. Maar u begrijpt dat er een diepe symbolische waarde achter het optreden van Jezus zit. Het is als ik het een beetje mooi mag zeggen,  een soort profetische boosheid. Rond de tempel werden offerdieren verhandeld. Maar net als veel profeten vond Jezus, dat het niet zozeer zou moeten gaan om offers van dieren. Wat een mens aan de Allerhoogste moet geven, dat is haar hart of zijn mens - zijn. Dat heeft Jezus zelf gedaan.  Het optreden van Jezus op de tempelmarkt heeft wel laten zien waar Jezus voor staat. Hij wil dat woorden en daden dicht bij elkaar blijven. Je kan geen mooie en vrome praatjes verkopen en aan de andere kant je zakken vullen. Net als de Farizeeën zag Jezus de waarde in van de wet en de geboden. Maar wel in waarachtigheid en eerlijkheid. Wel in liefde en gerechtigheid. Nee, Jezus is niet tegen wet en geboden. Sterker nog: Hij is gestorven doordat Hij de wet en de geboden in hun  diepste betekenis heeft gezien, doorleefd en vervuld. Jezus heeft de tempel gereinigd niet om even lekker zijn emoties lucht te geven. Hij heeft de tempel gereinigd om te laten zien waar de tempel op gericht was. De tempel was net als de kerk dienstbaar aan het geloof en het leven van mensen. In dat leven woont God en is Hij ten diepste aanwezig. Dat leven wordt gericht of geheiligd door belangrijke woorden die niet alleen moeten klinken en gezegd moeten worden, maar die vooral gedaan moeten worden. Dat is onze vreugde. Dat is ook onze opdracht die we van de Allerhoogste hebben ontvangen en die onze Heer Jezus ten einde en volledige  heeft gedaan en vervuld.
Pastor Leo Nederstigt

 

Overweging op Palmpasen 2009 Gerardus Majella 


Zojuist hebben we het lijdensverhaal gehoord. Het is een drama dat heel veel indruk heeft gemaakt in de loop ter eeuwen. Het is op muziek gezet en verfilmd. Dit verhaal maakt ook  veel indruk op mij. Het is niet alleen het lijden van Jezus dat ongetwijfeld heftig was. Het is ook het lichamelijk en het geestelijk lijden van heel veel mensen in ons eigen midden dat bij mij naar boven komt. En niet alleen in ons eigen midden. Het raakt mij enorm dat er over de hele wereld mensen zijn die moeten lijden: kinderen, ouderen, kwetsbare mensen worden slachtoffer van oorlog, geweld, misbruik, honger en onderdrukking. aanslagen plaats . Het lijden kan heel dichtbij komen. Wat  indruk op mij maakt is het feit dat zoveel mensen zich van Jezus hebben afgekeerd. Dat zijn schriftgeleerden en Farizeeën. Maar z8ij staan niet alleen. Ook zijn eigen leerlingen, Petrus voorop, die Hem verloochenen en die in hun teleurstelling en radeloosheid niets meer met Hem te maken willen hebben. Het maakt indruk op mij, omdat we ons af kunnen vragen, wat wij doen op het beslissende moment. Wat doen we als de werkelijkheid zoveel ongerijmds in zich bevat, dat je dat niet of nauwelijks met je geloof kan rijmen. Wat doen we als we van aangezicht tot aangezicht tegenover het leed staan? Het verhaal maakt indruk op mij vanwege de schaduwkanten  van ons bestaan, dat er door wordt opgeroepen Het leven kan heel vreemd en moeilijk lopen. We kunnen soms het gevoel hebben dat alles voor niets was of dat we zelf of anderen niets voorstellen. Stel je voor dat je werk is mislukt. De mens met wie je zoveel jaren het leven hebt gedeeld, voelt zich niet meer bij je thuis t. Stel je voor dat datgene wat voor jou heilig was of waarin je zoveel energie had gestopt, wegvalt, wat dan? Voor mij zijn dat geen verzinsels. Ik maak dat heel vaak mee. Mensen moeten soms zoveel verduren en verdragen.   Het lijdensverhaal lijkt uit te lopen op de grote mislukking van Jezus. En toch… we weten of beter moet ik zeggen dat we geloven in een gelukkige afloop. Of moet je zeggen: we geloven in een gelukkig nieuw begin. Pasen kan ineens zo dichtbij komen, wanneer je ondanks alles toch in het leven kan blijven geloven. Pasen komt dichtbij, als je door alle ongerijmdheid van de dingen heen kan blijven vertrouwen in een nieuwe morgen. Het verhaal raakt me. Het gaat over een mens, die zoveel goedheid en zoveel liefde, zoveel vertrouwen en zoveel mededogen heeft uitgestraald. En deze mens, zo geloof ik, is de gestalte van onze Hoogverheven God. Als God zo in de diepte en in de schaduw of in de modder van ons dagelijks bestaan durft af te dalen, dan moet Hij wel heel vertrouwd zijn met onze angsten en met ons verdriet. In zo´n God mag ik, mogen wij geloven. Deze week is een kostbare week. Wat we deze dagen vierend gedenken is bij wijze van spreken een spiegel van ons leven, een spiegel van onze eigen werkelijkheid. Ondanks alles wat in ons tijdens en bij dat lijdensverhaal opkomt, mogen we blijven vertrouwen. We worden daartoe opgeroepen en uitgenodigd, ook al weten we niet waar het allemaal op uitloopt. Het moedige van Christus is, dat Hij is blijven vertrouwen ondanks dat zwarte gat dat de dood ook voor Hem moet geweest zijn. En wij hebben daar mooie woorden voor gevonden. We zeggen dat  Christus de dood heeft overwonnen en daardoor heeft Hij velen die in de schaduw van de dood leven, nieuwe hoop, nieuwe toekomst,nieuw leven gegeven. Met die hoop mogen we leven in goede en in kwade dagen.
                                                                                        Pastor Leo Nederstigt 

 

Preek op Witte donderdag
Zusters en broeders, 

Wie waren het van wie de voeten werden gewassen? Wie waren het aan wie het brood werd gegeven, dat Jezus gezegend en gebroken had en waarover Hij had gezegd: ´dit is mijn Lichaam´? Met wie had Hij de beker gedeeld: mijn bloed voor alle mensen vergoten tot vergeving van de zonden?

U ziet ze aan tafel zitten. Judas was daar. Hij had zijn plan al getrokken. Hij accepteert dat hem de voeten worden gewassen. Maar zijn oordeel over Jezus is geveld. Degene, die hij zijn Meester had genoemd, is mislukt. Het is beter hem over te leveren. Na al die verloren jaren blijft er tenminste nog wat geld over, zo moet hij gedacht hebben.

Petrus zit aan tafel. Bij hem heeft Jezus een hoge plaats. Hij vindt het geen pas hebben, dat deze Jezus zich verlaagt tot een slaaf. Petrus ging zelfs nog verder. Hij zou bereid zijn met Hem te sterven. Maar enkele uren later ziet hij Jezus in totale ontluistering en vernedering. En hij verloochent Hem, die hij zo hoog geacht had.

Aan tafel zitten Jacobus en Johannes, die voor zichzelf voorname plaatsen hadden bedacht als dat koninkrijk gekomen zou zijn. Johannes blijkt de enige leerling te zijn die straks onder het kruis staat. Jacobus is weggevlucht net als Andreas, Mattheüs aan wie Jezus zoveel barmhartigheid en erkenning had gegeven.

Zij en alle andere apostelen zitten bij Jezus aan tafel. Ze gaan – om het zo te zeggen – te Communie: de eerste en de plechtigste Communie. Maar niet lang daarna, slechts luttele uren, hebben ze Jezus uit handen gegeven, in de handen van moordenaars: mensen die niet wisten om te gaan met zijn levensstijl, zijn liefde en zijn barmhartigheid.

Er was een tijd – en wellicht bestaat die nog – dat je niet te Communie mocht gaan als je niet eerst je zonden had beleden en om vergeving had gevraagd.Nog steeds spreken wij uit dat we het eigenlijk niet waardig zijn Hem te ontvangen.

Dat zijn we ook niet. Maar dat waren die eerste leerlingen ook niet. Misschien heeft Jezus in die laatste dagen van zijn leven wel gevoeld, hoe weinig Hij op mensen kon vertrouwen. Hij heeft tijdens die laatste maaltijd vast geweten, dat Hij door iedereen in de steek zou worden gelaten.

Zijn antwoord op dit pijnlijke besef is geen verbittering, rancune of boosheid. Zijn antwoord is het gebeuren in de zaal van het laatste Avondmaal.Daar doet Hij iets wat voortaan altijd bij elkaar zal horen. Hij neemt de rol van dienaar of slaaf aan. Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Hij vernedert zich als een slaaf. Want de gemeenschap die Hij op het oog  heeft is een gemeenschap van gelijken, niemand is hoger of lager. Het is een gemeenschap van mensen die elkaar van dienst willen zijn. Sterker nog: de eersten zullen de laatsten en de laatsten zullen de eersten zijn.

Jezus was de voeten. Maar dat niet alleen. Hij geeft zichzelf in Brood en Wijn. Brood en wijn waren voorhanden.. Jezus en de twaalf vierden op die avond het Paasmaal. In alle teksten die tijdens zo´n feestelijke en plechtige maaltijd worden gelezen, wordt iets duidelijk. Het beloofde land of de bevrijding bereik je pas door leven en door lijden heen. Brood en wijn hoorden indertijd tot het gewone, dagelijkse voedsel. Dat gewone en alledaagse heeft Jezus benut om zichzelf aan ons te geven en voor altijd bij ons te zijn.

Zijn wij beter dan die leerlingen? Ik weet dat er prachtige mensen onder ons zijn. Maar ik weet ook dat we hele mooie idealen hebben en grote woorden spreken. Maar dat we er nog lang niet zijn. In ieder van ons zitten donkere kanten. En wat doen we als het er echt op aan komt? Kunnen we het uithouden bij uitgestoten, vernederde en geminachte mensen? Durven we het uit te houden met onszelf, als we onze halfheid, ons onvermogen, onze zwakheid en onze ontrouw onder ogen zien?

Jezus heeft zich niet voor niets gegeven in omstandigheden, die zo´n cadeau niet rechtvaardigen. Maar Hij heeft het wellicht juist op dat moment gegeven. Hij wilde blijk geven van zijn onverwoestbaar vertrouwen in de mens. Terwijl menigeen het al lang zou hebben opgegeven, is Hij doorgegaan. Waarschijnlijk zou er niet veel nodig zijn geweest om dat afschuwelijke scenario van lijden en dood stop te zetten. Maar wat dan? Dan zouden we doorgegaan zijn met onze nuchtere en realistische redeneringen zoals: er is geen mens te vertrouwen, hoogklimmers vallen diep, we zijn nergens toe in staat, alles gaat uiteindelijk de ondergang tegemoet.

Jezus heeft tegen de harde werkelijkheid in de hoop en het vertrouwen bewaard. Heel diep was Hij in Zijn Vader verankerd.. En dat heet Hem in staat gesteld de weg van barmhartigheid en liefde ten einde toe te gaan.

We eten het brood. We drinken uit de beker. Ook vandaag geeft Christus zich aan ons, om geen andere reden dan omdat Hij van ons houdt. We zijn kostbaar in Zijn ogen.

En juist daarom is er voor ons altijd een weg, hoe bont we het ook hebben gemaakt, hoe wanhopig we ons ook kunnen voelen. Er bestaat goedheid, geduld, vertrouwen, vriendschap, wijsheid en menslievendheid. In brood en wijn deelt Jezus precies daarvan royaal en overvloedig uit. Moge Hij ons brood zijn voor de weg die we gaan. Moge hij het geneesmiddel zijn voor alle wonden die we op de weg 
hebben opgelopen. Moge Hij de liefde zijn die ons allen vervult. 

PASEN                                                                                 Peter Commandeur Overweging bij Hand. 4, 32-35 en Joh. 20, 19-31 
Een tijdje geleden vroeg een collega waar Pasen voor stond. "Voor de verrijzenis van Christus," zei ik. "Oh", zei hij, wat verbaasd. Het leek hem duidelijk volstrekte onzin, maar voor mij hield hij zich in. Ik zag er maar vanaf om op de werkvloer een poging te doen het uit te leggen. Maar zo'n houding als van die collega komen we veel tegen. Die is zelfs zo ge­woon dat ze in het evangelie van van­daag aan de orde is. Ook Thomas ge­loofde niets van die ver­rij­zenis. Eigenlijk is de goede bood­schap te veel en te mooi om te geloven. Thomas kon zijn hand in de zijde van Jesus leggen. Maar wij kunnen dat niet. "Za­lig zij die niet zien maar toch geloven" schrijft Johannes dan. Na­tuur­lijk, maar toch: hoe weten we dat zoiets moois als de ver­rij­zenis ook waar is als we niet onze hand in de zijde van de verrezen Heer kunnen leggen? Hoe kunnen we dat hopen?Ik heb er de laatste encycliek van de paus op nagelezen, over de hoop. Volgens de paus is het echte leven waarop we hopen, door het geloof al in de kiem aanwe­zig en daardoor een soort bewijs ervoor. Wij dragen dat leven als een beginnende en dy­nami­sche werke­lijk­heid. Daar­door wordt bv. onze afhankelijk­heid van materiële zaken min­der. De eerste le­zing laat zien wat er dan mogelijk wordt. We krijgen een an­dere hoop dan die van onze bezittingen. En we kunnen zien dat die hoop waar is doordat de apostelen zo'n gemeenschappe­lijk leven hadden. De paus noemt Franciscus van Assi­si en moe­der There­sa, die ook laten zien hoe deze wereld haar kracht ver­liest, omdat er iets van het echte le­ven ont­staat.Maar Franciscus of Moeder Theresa of de apostelen hebben wij nooit ont­moet of zelfs maar gezien. Tenminste Moeder Theresa heb ik wel eens op de TV gezien, maar meer niet. De vraag blijft toch of we hier en nu al iets zien wat onze hoop op een nieuw, een echt leven steunt of zelfs waar maakt?Pasen staat voor de verrijzenis en nieuw leven. Dat bete­kent niet alleen dat de dood wordt overwonnen. Dat is maar één kant van de zaak. Veel mensen hebben meer zorgen over de periode vlak voor de dood. We wor­den oud tegen­woor­dig want veel ziek­tes kunnen wor­den gene­zen, maar uitein­delijk zullen we toch dood gaan en voor het zover is, is er meestal een gelei­delijke af­take­ling van het lichaam en soms ook van de geest. Alz­hei­mer, in de 19e eeuw onbe­kend, dreigt in de 21e eeuw volksziek­te nummer 1 te wor­den. Laatst las ik hoe iemand zijn angst voor oud wor­den onder woor­­­den bracht: "Waar ik bang voor ben is niet eens de tijd dat ik kwijlen ga of dat mijn benen al bre­ken bij een on­ver­wachte beweging of dat ik gezichten even moeilijk meer kan onthouden als de dagen. Ik ben bang voor de tijd dat mijn vrienden al­leen nog lachen op oude foto's en de telefoon al­leen gaat om weer een over­lij­den mee te delen. Ik ben bang voor de tijd dat nie­mand meer mijn voornaam weet." Wat er wordt gezegd in deze woorden is al erg genoeg. Maar nog be­klemmen­der worden ze door hun uit­zichts­loosheid. Het leven ein­digt in ziekte of dementie en een­zaam­heid. En daarna is er alleen de dood, een an­der woord voor niets. Dat is beangsti­gend. Maar hoe weten we dat het anders is?Een kennis van me, die nu 67 is, heeft vanaf z'n 50e een nogal on­re­gelmatige verhouding gehad. Maar hoewel hij een paar jaar zelfs een andere vriendin had, ging het met die eerste vrouw nooit helemaal uit, en toen het een jaar of vijf geleden met de tweede vriendin uitraakte, werd de omgang met de eerste toch weer intensiever. Maar vier jaar geleden kreeg ze een ernsti­ge at­ta­que in de herse­nen. Ze moest wor­den opge­nomen omdat ze niet meer kon pra­ten en niet meer reageer­de. Ze her­kende nie­mand meer en wist niet waar ze was. Ze was dement gewor­den. Die ken­nis bezocht haar natuur­lijk. In het begin niet zo vaak. Maar al snel steeds va­ker, omdat ze alleen wilde eten als hij erbij was. Nu bezoekt hij haar al jaren elke dag een aantal uur in de inrich­ting. En dat is best een zware taak. Ik ben een keer meegegaan. "Maar ja, ik hou nou een­­maal van haar," zegt hij dan. Die lief­de is nu veel duide­lijker dan toen ze nog gezond was. Met haar gaat het goed, omdat hij elke dag komt. En voor hem is zij de gelief­de.Hoe weten we dat Jesus verrezen is? Ik zie iemand die zo de­ment is als een deur maar een ander ziet een ge­liefde. Ik denk dat hìj in haar al een kiem ziet van het nieuwe, het echte leven. In de lief­de is die nieuwe werke­lijk­heid al­tijd al aan­we­zig, maar als iemand jong en mooi is, valt dat niet op. Onze wereld is vol van nieuw leven, waar Pasen voor staat. Loop eens door het Ooster­park. Maar als iemand dement is, valt het op. En als het erom gaat hoe we kunnen weten dat dat na ziek­te, verval en dood ook weer het geval zal zijn, dan vind ik de liefde van die kennis erg over­tuigend. Het heeft dat dy­nami­sche, wat los staat van mate­riële omstandigheden als schoon­heid of rijk­dom of macht, zoals de paus zegt. Het is een teken van hoop dat zelfs dementie liefde kan opwekken, die tot daden in staat is en zo het echte leven laat zien.Over dat echte leven, juist als je heel oud bent, heb ik een gedicht van Ida Gerhardt opge­nomen. Zij heeft de psalm­verta­ling ­gemaakt die we na de eerste lezing hebben gezongen, en ook dit gedicht: 'Vallei van de dood': 
                               In de droom de zachte vallei    
                               van de dood aanschouwd,  
                               beloken de bloemenwei,    
                               het gras bedauwd.   
                               Een vroege morgen, zilverfris.   
                               Hoe tijdelijk dit respijt!    
                               Die vallei! En te worden verbeid    
                               als wit het haar -zilver- is.
Ida Gerhardt gebruikt soms ongewone woorden. De bloemenwei noemt ze 'belo­ken' ('gesloten'), omdat de knoppen in de heel vroege morgen nòg gesloten zijn. Vandaag vieren we 'beloken Pasen', om­dat het feest van Pasen op de acht­ste dag, vandaag dus, wordt àfgeslo­ten. Maar wie weet, is het feest alleen maar afgeslo­ten, zoals die bloe­men, die op het punt staan open te gaan om te bloeien. Ida Gerhardt noemt de ouderdom ("als wit het haar is"), maar niet om­dat dan nie­mand je naam meer weet omdat je dement en kwij­lend bent, maar omdat je, juist dan, zo vlak voor de dood wordt verbeid, dwz. ver­wacht. Dat is pre­cies het omge­keer­de. Als je oud, moe en grijs bent, word je ver­wacht op een plaats waar leven is, waar de schitte­ring van de dauw belooft dat de bloe­men zullen bloeien en de zon zal schij­nen. Je wordt ver­wacht, omdat je ge­kend wordt en daarom bent uitgenodigd. Ons leven hier is alleen maar een res­pijt, in af­wachting van dat echte leven. Ons leven eindigt niet in ziek­­te, ver­driet en een­zaam­heid. Dat kan wel gebeuren maar is niet het einde, want we heb­ben uit­zicht op echt leven. En dat plaatst zelfs Alzhei­mer in het juiste per­spec­tief. Het maakt alles anders want we wor­den ver­wacht, ieder van ons, ook dan, voor een nieuw leven. En dat is Pasen.




KRUISWEG BIJ 7 STATIES VAN PIETER VAN DE CUYLEN
Ofschoon Pasen al voorbij is, herinneren we ons dat de verrezen Christus nog steeds de wonden draagt van Goede Vrijdag 

Inleiding
Vandaag is Jezus Christus, Zoon van God, gestorven. Bijna twee­dui­zend jaar geleden is Hij aan zijn lijdensweg, zijn kruisweg begonnen, die eindigde met de dood. En wij gaan nu, vandaag, op Goede Vrijdag, die weg op­nieuw. Want ook vandaag gaat Jezus zijn kruisweg. Steeds weer wordt de weg van zorgen en ver­driet, van verlaten­heid en pijn door mensen ge­gaan. Maar Jezus, de zoon van God, is ons voor­gegaan. Uit liefde voor ons is Hij mens gewor­den, zo volledig dat ook Hij alle ellende heeft meegemaakt die mensen elkaar kunnen aan­doen.Als teken van zijn angst en eenzaam­heid staat deze kaars ach­ter prikkel­draad. Want op Goede Vrijdag lijkt het of de wereld van God verlaten is, alsof het licht, het licht dat van God uit­­gaat, niet meer bij de wereld en haar angst en geweld kan komen. 

Gebed
Heer, onze God, wij weten niet
waarom de wereld zoveel leed kent.
Maar zelfs uw Zoon was bang
voor het lijden dat Hem te wachten stond.
Om uw Zoon, om wat hij heeft meegemaakt,
vergeet ons niet, Heer.
Vergeet ons niet,
in onze eenzaam­heid en angst,
in verlatenheid en pijn.
Laat ons delen in Uw verborgen aanwezigheid,
in Uw rust en Uw vrede,
Dat bidden we door Christus,
Uw zoon, onze Heer,

Amen.
Eerste statie
Jezus strijdt in de Hof van de Olijven 
Mc. 14, 35-38:
Nadat hij een weinig verder gegaan was, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur als het mogelijk was aan Hem mocht voorbijgaan. "Abba," Vader, zo bad Hij, "voor U is alles mogelijk. Laat deze beker aan mij voorbijgaan. Maar toch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt." Toen ging Hij terug en vond Petrus, Jacobus en Johannes in slaap, en Hij sprak tot Petrus: "Simon, slaapt gij, ging het dan uw krachten te boven om één uur te waken? Waak en bid." 

Meditatie
Jezus staat in het midden, met z'n handen in de vorm van een schaal of een beker; rechtsonder twee slapende apostelen. Rechts is weer een beker. Links midden is prikkel­draad. Het gezicht van Jezus lijkt vertwijfeling uit te drukken.Het verhaal van de twijfel en de angst van Jezus in Getse­mané, in de Hof van de Olijven, is herkenbaar. Jezus wist wat er te gebeuren stond, en Hij was er, natuurlijk, bang voor en wilde het niet. En juist op zo'n moment, als je je angst en spanning zou willen delen, zijn je vrienden in slaap gevallen. Maar zo kan het gaan. Mensen geven soms weinig steun.Het gebed van Jezus: "Laat deze beker aan mij voor­bij­gaan," werd door God niet ver­hoord. Het is onbe­grijpe­lijk dat God zijn Zoon de kruisweg liet gaan. Maar God is groter dan wij kunnen begrij­pen, groter zelfs dan Jezus kon begrij­pen. En waar we in angst en ver­driet niet meer begrijpen, kunnen we vertrouwen, want ook Getsemané eindigt in Pasen.

Gebed
Goede God,
soms zijn we bang,
en weten we het niet meer.
Geef ons de kracht
Uw weg te volgen.
Geef ons de moed
te staan in het licht
van Uw waarheid.
Geef ons de liefde
om Uw leven te delen.  

Tweede statie

Petrus verloochent Jezus 
Mc. 14, 70b-72
Even daarna zeiden de omstanders tot Petrus: "Waarachtig jij bent er ook één van; jij bent toch ook een Galileeër." Toen begon hij te vloeken en te zweren: "Ik ken die man niet over wie jullie het hebben." Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had: "Voordat een haan tweemaal kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen." En hij barstte in tranen uit. 

Meditatie
Jezus staat met gebonden handen en wijst naar het hoofd van Petrus. In het midden van de statie is een haan afgebeeld. Linksboven een zandloper. De zandloper en eigenlijk ook het tweemaal kraaien van de haan herinneren aan de tijd die steeds maar doorgaat en die zo vaak doet vergeten wat we aan trouw gezwo­ren hadden of aan liefde beleefd hebben. In de stress of in het verdriet van het leven kunnen onze trouw en ons enthou­siasme tot stof te vergaan, en onze levensvreugde ver­kilt. Petrus vergat zijn liefde voor Christus. Ik denk dat het die lief­de is, de liefde voor God en voor Christus, waardoor we oog kunnen houden op de dingen en mensen die God heeft gescha­pen, om ze lief te hebben. 

Gebed
Liefdevolle God,
U kent het leven,
de druk en de angst
U weet hoevelen leven
in uitzichtloosheid.
Liefdevolle God
,laat toch allen delen
in Uw aandacht en troost
in Uw trouw en Uw liefde.

Derde statie

Pilatus wast zijn handen in onschuld 
Mt. 27, 24T
oen Pilatus zag dat hij niets verder kwam maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij het water brengen en waste ten over­staan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde: "Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man: gij moet het zelf maar verantwoorden." 

Meditatie
Jezus en Pilatus staan naast elkaar. Rechts stort het water in een kom en Pilatus houdt er zijn handen in.Pilatus ziet Jezus zoals Hij is: een recht­schapen man die ver­oordeeld wordt. Maar net als Petrus durft hij niet in te gaan tegen mening van het volk. Pilatus is laf en gemak­zuch­tig. Hij denkt dat hij anderen wel verantwoordelijk voor een misdaad kan maken. Het is soms gemakkelijk om ver­antwoor­delijkheid af te schuiven en niet te doen wat je moet doen. Want het is veel prettiger om aan leuke dingen te den­ken. Pilatus dacht mis­schien ook aan z'n weekend. Het was vrij­­dag tenslotte. 

Gebed
Barmhartige God,
vergeef ons
dat we mensen in armoede
en honger alleen hebben gelaten.
Vergeef het ons,
dat we moeilijkheden
op anderen hebben afgeschoven.
Laat de herinnering aan Uw leven
ons bezielen en waakzaam houden.  

Vierde statie

Jezus van zijn kleren beroofd 
Mt. 27, 28-30
De soldaten van de landvoogd trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. Ook vlochten ze een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet­stok in de rechterhand. Toen vielen ze voor Hem op de knieën en bespotten Hem met de woorden: "Gegroet, koning der Joden." Ze bespuwden Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd.  

Meditatie
Het kleed waarvan Jezus wordt beroofd is gemaakt uit één stuk. In de hand van de soldaat en rechtsonder zijn dob­belstenen, waarmee om het kleed zal worden gedobbeld, omdat ze het niet willen verdelen. Jezus heeft een doornenkroon en zijn handen zijn gebonden. Zijn gezicht lijkt gepijnigd. Rechts staat de beker met azijn."Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn enige Zoon mens heeft laten worden", zegt de priester in het eucha­ris­tisch gebed. Bij die wereld horen ook soldaten, die de Zoon van God gebruiken voor hun spelletjes. Zelfs deze scene geeft aan hoe groot de liefde van God is voor mensen, die dit zijn Zoon aandoen, terwijl toch God mens is geworden. Augustinus heeft gezegd dat Goede Vrijdag de dag is van de liefde. Stille zater­dag, de dag van het graf, is de dag van geloof en Pasen, de ver­rijze­nis, is de dag van de hoop. Maar Goede Vrijdag is de dag van de liefde. Hoe wanhopig de kruis­weg er ook uitziet, we moeten ons niet vergissen, juist daar­door wordt de liefde van God voor de mens zichtbaar, die ster­ker is dan zelfs de marteling van de Kruis­weg. 

Gebed
Barmhartige God,
wij bidden U
voor zieken en kwetsbaren,
voor mensen die geminacht worden,
en voor hen die lijden
onder angst en geweld.
U, die het lijden kent,
wees hun nabij.   

Vijfde statie
Jezus gebukt onder zijn kruis 
Joh. 19, 16-17
Toen leverde Pilatus Jezus uit aan de hogepriesters om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over. Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgotha. 

Meditatie
Jezus is gebogen onder het kruis. Hij draagt een doornenkroon met grote doornen. Achter hem is een hek. Helemaal achter lijkt een grafveld te zijn.Jesus die onder het kruis gebukt gaat, staat ook voor onze gebroken wereld, waarin we al te vaak zonder hulp en alleen de din­gen fout doen of fout zien gaan. Jesus deelde onze kruisweg uit liefde. Te groot was zijn liefde, te ver ging Hij daarin, volgens een lied van Huub Oosterhuis, dat we nog zullen zin­gen. Goede Vrij­dag is de dag van de lief­de, de liefde van God, van Chris­tus, maar ook die van ons. Het kruis is een op­dracht om mensen niet alleen te laten maar te ver­trou­wen en troost te ge­ven, en ook te ont­vangen en zo het kruis van Christus te delen. Bidden we dat we daarvoor open staan. 

Gebed (door allen)
Heer Jezus,
vaak staan we machteloos
bij verdriet of angst.
We hebben geen woorden,
en weten niet wat te doen.
Heer Jezus,
geef dat waar geen woorden zijn,
ons hart blijft spreken. 

Zesde statie
Jezus op het kruis genageld 
Joh. 19: 18, 23-24

Op Golgotha sloegen ze Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant één en Jezus in het midden. Toen de sol­daten Jezus gekruisigd hadden, namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok, die echter zonder naad was, aan één stuk geweven van bovenaf. Daarom zeiden ze tot elkaar: "Laten we die niet scheuren maar erom dobbelen wie hem krijgt." 

Meditatie
Het kruis is afgebeeld in de rechteronderhoek van de statie, een spijker door zijn hand. Zelfs timmert de soldaat een spij­ker boven zijn hoofd. De zon staat aan de hemel; het is 3 uur 's middags. Links is een hand afgebeeld. Misschien opent die een grafzerk. Jezus is bijna dood.Martinus Nij­hoff heeft een gedicht geschreven over 'de soldaat die Jezus kruisig­de'. Die soldaat ontdekt dat dege­ne die hij aan het kruis slaat, juist hem blijkt lief te heb­ben en om zijn liefde vraagt. De soldaat slaat door met zijn hamer want dat was hij aan het doen. Maar door die liefde voelt hij de spij­ker in zijn eigen hand, en alles ver­andert.           

Wij sloegen hem aan't kruis. Zijn vingers grepen            
wild om de spijker toen 'k de hamer hief.   
Maar hij zei zacht mijn naam en "heb mij lief."  
En't groot geheim had ik voorgoed begrepen.  

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,  
en werd een gek die bloed van liefde vroeg:   
ik had hem lief, en sloeg en sloeg en sloeg      
de spijker door zijn hand in het hout dat barstte.   
Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand      
trek ik een vis, zijn naam, zijn monogram[1],    
in iedere muur, in iedere balk of stam,    
in mijn borst of hurkend in het zand.    
en antwoord als mensen mij wat vragen:  
"Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen." 

Gebed
Barmhartige God,
help ons dat we ons niet opsluiten
in het eigen verdriet.
Laat er troost en steun zijn
als we er niet meer uitkomen.
Help ons, dat ook wij pijn
verzachten en troost zullen geven,
omdat Uw liefde
ook ons leven doortrekt.
Zevende statie

Jezus sterft aan het kruis
Mc. 15, 33-37
Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luider stem: "Eloï, Eloï, lama sabaktani!" Dit is ver­taald: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten." Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

Meditatie
Jezus hangt aan het kruis, met grote spijkers door zijn handen en een wond in zijn zij. Links en rechts staan twee krui­sen, links met een lans en rechts met een spons, met azijn, mag je aannemen. Er is prik­keldraad op de achtergrond."Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten?" De Zoon van God is door God verlaten en stelt Hem de vraag waarop geen antwoord komt. Alle lijden heeft iets heel zin­loos: waarom het gebeurt, waarom God het toelaat. Maar hier is het grootste raadsel: waarom God zo'n lijden laat gebeuren aan zijn Zoon. En zelfs die Zoon krijgt het antwoord niet. We we­ten het niet, maar Christus is ons voorgegaan in lijden en angst. En daardoor heeft hij onze een­zaamheid en ons verdriet, hoe onbe­grij­pelijk ook, verbonden met het godde­lijke. Ergens heeft het een plaats bij onze God. Moge ons dat steunen om troost te vinden en troost te geven.

Gebed
Eeuwige God, door zijn dood heen
hebt U Uw Zoon vastgehouden
en Hem het leven teruggegeven.
Eeuwige God,
in onze angsten en zorgen,
ontferm U over ons;
en als wij eens zullen sterven,
omvat dan ook ons in Uw liefde.


    [1] De letters van het Griekse woord voor 'vis' staan voor "Jezus Christus, Zoon van God, redder."

Preek in de Anna-Bonifatius op 26 april 2009
Lezingen: Hand. 3, 13 -19 en Luc. 24, 35 -48 

Wat een schrik voor de leerlingen. Maar dat niet alleen. Ze zijn ook bang en ze raken in de war. In het Evangelie van Lucas lezen we het derde Paas - verhaal. Eerst horen we hoe Hij aan vrouwen verschijnt. Vervolgens komen we Hem tegen bij de twee Emmaüsgangers. Vandaag verschijnt Hij aan de andere leerlingen. Zijn verschijning roept heel wat emoties op: Als de Levende Heer hen dan geruststellend toespreekt en hun zijn handen en voeten laat zien, zijn ze nog steeds verbaasd, maar tegelijk heel blij. Ze kunnen het nauwelijks geloven. Dan eet Jezus met hen en legt hen uit dat alles vervuld moest worden wat in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen staat geschreven. Ze gaan pas iets begrijpen als Jezus zelf hun geest toegankelijk maakt voor het begrijpen van de Schriften. Vervolgens geeft Jezus een korte samenvatting van wat er met Hem duidelijk is geworden: Hij is de Messias, die moest lijden, sterven en op de derde dag zou verrijzen uit de dood. Dat moet verkondigd worden onder alle volken zodat iedereen te weten komt dat  zonden vergeven kunnen worden en  bekering mogelijk wordt. De leerlingen worden opgeroepen om, te beginnen bij Jeruzalem, van dit alles te getuigen. 

Er zijn hierbij een paar dingen, die mij opvallen. Allereerst wil ik kijken naar het geloof van de leerlingen. Van bange mensjes moeten zij worden tot fiere getuigen. Dat is een hele weg. Maar ze worden daarbij geholpen. Hoe? Allereerst maakt Jezus duidelijk dat Hij geen spook is. Hij is werkelijk aanwezig. Ze kunnen Hem aanraken. Ze zien Zijn wonden. Ze worden uitgenodigd met Hem te eten. De aanwezigheid van Jezus zelf neemt de angst, de verwarring en de schrik weg. En nadat ze eerst nog behept waren met een mengsel van verbazing en vreugde geven zij zich vervolgens over aan de nabijheid van hun Meester. Hun hart gaat open om de schriften te verstaan. En ze aanvaarden de opdracht om van de verrezen en levende Heer te getuigen. De nabijheid van de verrezen Heer brengt iets bijzonders in hen teweeg.  

Wat mij opvalt, is dat Jezus de leerlingen niet alleen zijn handen en voeten toont, maar hen ook uitnodigt hen aan te raken. De verrezen Heer is niet enkel geest. Hij is lichamelijk aanwezig. Men kan Hem ontmoeten, betasten, voelen, met Hem communiceren. We hoeven ons niet af te beulen met de vraag, hoe Jezus nu lichamelijk is verrezen. Een van de belangrijkste functies die ons eigen lichaam heeft is, dat het een instrument is, waarmee we kunnen communiceren. Met en door mijn lichaam kan ik liefhebben en liefgehad worden, aanraken en aangeraakt worden, eten, voelen, lachen, ademen. Ik kan er – wat je noemt –persoon door zijn: iemand met iemand, een mens met anderen. Mag ik zo niet nadenken over Jezus, die lichamelijk is verrezen? Hij deelt als levende ons leven. We kunnen ons tot Hem richten. Hij wil ons nabij zijn. En door Zijn handen en voeten te tonen, die doorboord werden, laat Hij ook zien, dat Hij niet alleen ons leven, maar ook ons lijden deelt. 

Die lichamelijke nabijheid wordt nog sterker voor mij, als Hij samen met hen wil eten. Jezus eet heel vaak in het Evangelie. Hij eet met tollenaars en zondaars. Hij eet met vrienden. Hij eet ook met de 12 op de avond vóór Zijn lijden en dood. Hij heeft gevraagd, of we Hem willen gedenken door te eten, door maaltijd met Hem te houden. Dat is een intensieve vorm van aanwezigheid. Steeds meer voel ik dat ik graag eet met mensen op wie ik gesteld ben. Samen voldoe je aan een heel menselijke behoefte. Samen deel je de tafel en dat geeft menselijke verbondenheid. Het is alsof je tegen je tafelgenoot zegt: eet met mij, want ik wil de je er bent. Ik wil dat je leeft en niet sterft van de honger. Zoiets moet dat gebaar van Jezus zijn. Kom, eet met mij. Je mag er zijn.

De intensiteit van de ontmoeting met de verrezen Heer wordt nog sterker door de opdracht die de leerlingen krijgen. Ze moeten van Hem getuigen zodat mensen tot bekering kunnen komen en vergiffenis van zonden verkrijgen.  Zijn dat zulke belangrijke dingen? Welke inhoud geven we aan die twee woorden?  Laatst vroeg iemand mij of ik al tot bekering was gekomen. Hij kende het christendom eigenlijk alleen maar vanuit de predikers op straat, die inderdaad voortdurend tot bekering oproepen. Ik antwoordde- en dat meen ik nog steeds- dat bekering voor mij een levenslange weg is en niet iets van het ene op het andere moment. Maar zou Jezus dat ook bedoelen? Bekering gebruikt hij dikwijls in combinatie met de oproep om in het koninkrijk van God te geloven. Blijkbaar is er een hart nodig om daarin te kunnen geloven. Blijkbaar moet je ogen hebben om te kunnen zien en wellicht moet je iets in jezelf durven loslaten, wat je belemmert om daar in te kunnen geloven. Een andere levensstijl? Een ontvankelijkheid of een openheid om te durven ontvangen?  

Bij vergiffenis van zonden denk ik niet alleen aan de kwijtschelding van die kleine en grote hebbelijkheden, waarmee we ons eigen leven en dat van anderen zuur maken. Ik denk ook aan die hele berg van herinneringen, karaktertrekken en gebeurtenissen die je niet ongedaan kan maken, maar die wel een belemmering kunnen vormen om open te staan voor het nieuwe, dat in Jezus Messias is gekomen. Is dat dan zo nieuw? 

In de eerste lezing houdt Petrus een toespraak naar aanleiding van ene bijzondere gebeurtenis. Met Johannes ziet hij een lamme, die om aandacht vraagt. Jarenlang kan hij geen voet verzetten en is hij niet meer op de been. In de naam van Jezus kan hij springen, dansen, jubelen, gaan. Van iemand die verlamd bij de poort zat om medelijden te vragen, is hij iemand geworden, die springlevend is. Hij is opgestaan. Hij is een verrijzenismens geworden. Zou dat niet het nieuwe zijn? Is dat niet de lichtheid van het bestaan, die ons vergund is, omdat we mogen leven in de nabijheid van de Levende, die ons tegemoet komt, als we de schriften openen en als we eten in Zijn Naam. 

Van dat lichte, dat nieuwe, dat vreugdevolle mogen we getuigen. En mochten we ons daartoe niet  in staat voelen: De heer Jezus heeft de leerlingen in korte tijd geschikt gemaakt om de opdracht te aanvaarden en wie weet is Hij zo ook met ons bezig.

Pastor Leo Nederstigt

 

Eerste Communie 2009 ABG-parochie
Lezing: Het verhaal van Zacheüs 

Beste mensen, lieve kinderen 

In de buurt, waar ik geboren ben, woonde een oudere mevrouw. Ze was klein van stuk. Ze had een heel klein hondje en ze liep heel veel op straat. Tante Corrie heette ze. Veel familie had ze niet. Er kwam nooit iemand bij haar thuis. Ze werd veel gepest door de kinderen van de buurt. En dan begon ze te schelden met een hoge en schelle stem. Van mijn vader en moeder mocht ze één keer in de week een avondje bij ons langs komen. Mijn broertjes en zusjes en ik ook hielden haar dan graag voor de gek. Maar van ons pikte ze dat. Ze wist dat ze welkom was en ze had er zelfs plezier in. 

Zoals tante Corrie zijn er heel wat mensen. Je ziet er nooit iemand binnengaan. Ze zijn haast nergens welkom. Dat is nu zo, maar dat was ook vroeger zo. Dat was ook zo in de tijd van Jezus. 

Zacheüs was zo’n mannetje dat nergens welkom was. Geen wonder. Hij deed iets met de belasting. Hij haalde geld op voor de Romeinen, die het land van Jezus en de Joden in bezet hielden. En hij zorgde er voor dat hij niets te kort kwam. Moest je een euro betalen, dan maakt hij er 1 euro tien van. Die tien cent stak hij in zijn eigen zak en dat loopt aardig op, als je dat bij veel mensen doet. Bovendien zag Zacheüs er niet zo sympathiek uit. De meeste mensen liepen met een grote boog om hem heen.

Maar op een goede dag kwam Jezus in Jericho. We hebben net dat verhaal gehoord. Jezus zag hoe Zacheüs in een boom was geklommen. Hij riep hem en hij wilde bij deze nare en vervelende man eten. 

Jezus ging veel bij mensen eten. Natuurlijk was hij graag bij zijn familie en vrienden. Maar dat niet alleen. Hij ging ook eten bij mensen, die anderen niet zo aardig vonden. Hij ging zelfs eten bij mensen, die Hem in de steek lieten. Dat deed Hij bijvoorbeeld op de laatste dag van Zijn leven. Hij ging eten met zijn leerlingen. Daar was Judas bij. En deze man heeft Hem verraden. Daar was Petrus bij. Toen puntje bij paaltje kwam zei die Petrus, dat Hij Jezus niet kende. Daar waren andere leerlingen bij. Ze lieten Hem in de steek, toen Hij gemarteld en uitgelachen werd. Wat heb je aan zulke mensen? Maar Jezus trok er zich niets van aan. Hij ging toch met hen eten. En dat niet alleen. Op die bijzondere avond nam Hij brood en zei: Dit is mijn Lichaam. Hij nam de beker en zei: Dit is mijn bloed. 

Wat is dat toch voor Iemand, die Jezus? Hij ging eten bij mensen, die anderen niet zo aardig vonden. Hij ging eten  bij mensen, die helemaal niet zo leuk voor Hem waren. Hij deed het toch. 

Vandaag is het een hele bijzondere dag. Wij hebben, om het zo maar eens te zeggen, Jezus gevraagd of Hij bij ons wil komen eten. Daarom ziet het er heel netjes uit in de kerk. Er staan bloemen en kaarsen. En jullie hebben geen ouwe broek aan maar een hele mooie jurk of een heel mooi pak. Er  zijn pappa’s en mamma’s, oma’s en opa’s. Er zijn neven en nichten en ooms en tantes. Want zoals de kinderen weten: In brood en wijn wil Jezus bij ons zijn.
Het lijkt zo eenvoudig: een heel klein stukje brood, en misschien een paar druppeltjes wijn. Maar in brood en wijn wil Jezus bij ons zijn.

We hebben Jezus gevraagd of Hij bij ons wil komen eten. Zijn wij dan van die belangrijke en voorname mensen? Stel dat de koningin op bezoek komt. Wat er deze week is gebeurd, is heel erg. Maar meestal wordt de koningin goed bewaakt. En je moet hele bijzondere kleren aan, als zij op bezoek komt. Is Jezus niet voornamer dan de koningin? Eigenlijk wel, maar toch komt hij vandaag: in onze buurt en in deze kerk, die helemaal niet de grootste is van alle kerken. 

Zijn wij dan van de belangrijke mensen? Kijk, er zitten bij degenen die vandaag Eerste Communie doen, echte pareltjes. Maar eerlijk gezegd, kunnen ze ook best heel vervelend zijn. Dat weten de ouders vast ook wel.  

Maar dat is nu het mooie van de communie. Communie betekent dat Jezus graag bij ons wil horen en wij bij Hem. Communie betekent ook dat we graag bij elkaar willen horen: oude en jonge mensen, mooie en lelijke mensen, arme en rijke mensen, geleerde en niet zulke knappe mensen. Communie betekent dat we bij Jezus mogen horen en bij elkaar.
Dat is toch heel mooi. Dat is zo mooi dat we niet alleen vandaag maar ook op andere zondagen maar eens moeten komen. Want iedere keer als je hier komt, krijg je een groot cadeau. Geen vijf euro van die rijke oom. Maar een nog groter cadeau. Want in brood en wijn wil Jezus bij ons zijn. Dat is het grote cadeau. Als we dit brood ontvangen, ontvangen we Jezus in ons leven. Daar worden we mooie en goede mensen van. Heel hartelijk welkom, goede Jezus. We zijn blij dat u bij ons wilt komen. Heel hartelijk welkom lieve kinderen. Er wordt heel veel van jullie gehouden. Heel hartelijk welkom u allen op dit feest. Want in brood en wijn, wil Jezus bij ons zijn.


Pastor Leo Nederstigt

Preek in de Gerardus op 17 mei  2009
Lezingen:  Hand. 10, v.a. vs. 25 en Joh. 15, 9 -17 

Zusters en broeders, 

Wat maakt ons leven toch zo de moeite waard? Waarom blijven we voortgaat met zorgen, liefhebben, werken, bidden? Wat zou het leven zijn, als er geen liefde bestaat?  U heeft dat vat ook wel van nabij meegemaakt: Een meisje wijst haar geliefde af of een jongen laat zijn vriendin zitten of verruilt haar gemakkelijk voor een ander. Dat gebeurt haast iedere dag, maar wat een wanhoop en wat een verdriet brengt dat met zich mee. En dat lijkt nog te herstellen. Maar als je ouder bent geworden en de mens verliest, die je het meest dierbaar was, dan lijkt het wel alsof je leven dor en droog is geworden. 

Wat ontbreekt of waar je een tekort aan hebt, dat is liefde: je geborgen voelen, thuis zijn, er mogen zijn, wie je bent. Dat verlangen of die hunkering is van alle tijden. Bij jonge mensen is het de stimulans om te zoeken. Ouderen kijken soms met heimwee terug naar wat geweest is of voelen juist heel goed, hoe belangrijk het is dat er mensen zijn die om hen geven of hen nemen zoals ze zijn. Wat is liefde toch belangrijk! 

Waar vindt die liefde haar bron?  Wat drijft ons voort, als er nauwelijks nog liefde wordt ervaren?  Waar komt de liefde vandaan? Op de avond vóór Zijn lijden en dood, op de laatste avond dat Hij nog leefde, spreekt Jezus met Zijn leerlingen over liefde. Hij kent hun zwakheid, maar hij heeft lief en noemt hen Zijn vrienden. Dringen deze teksten nog tot ons door of zijn ze te vreemd, te zweverig en kunnen we er niet meer vooruit.

Misschien mag ik wat naar voren brengen. Soms ben ik bezorgd of somber over de toekomst van de kerk, hier in Nederland. Zal het allemaal wel doorgaan? Voelen ouderen zich nog voldoende thuis? Zullen jongeren een plaats vinden? En als mensen zich thuis voelen, is er dan voldoende uitdaging? Staan we open genoeg voor mensen die hunkeren naar een plaats van barmhartigheid of een plek van inspiratie? Doen we het wel goed? Moet het niet heel anders?  

Dat soort vragen houden mij en anderen bezig. En terwijl ik daarover dacht, schoot me een woord van een oudere collega te binnen:’moet je eens luisteren, het is niet jouw kerk hoor, het is de kerk van Jezus Christus’.  Dat lijkt ontnuchterend, maar het is ook weldadig. Wij zijn het uiteindelijk niet, die de boel bij elkaar houden. Wij zijn het niet die de inspiratie brengen. Wij zijn niet het geheim, waardoor de kerk al zoveel eeuwen bestaat en crisis op crisis heeft overwonnen. Wij zijn niet begonnen. Het is de Heer die begonnen is. 

Waar is Hij dan mee begonnen? Hij is begonnen met lief te hebben .Volgens mij gaat het daarover in de lezingen van vandaag. In moeilijke woorden probeert Jezus ons duidelijk te maken, dat er liefde bestaat, hoe dan ook. Er bestaat liefde tussen hem en de Vader. Er bestaat liefde tussen Hem en de leerlingen. Eerst mogen we ontvangen. Dan valt er ook wat te geven. Daartoe worden we dan ook uitgenodigd: ‘hebt elkaar lief`. 

We horen een gedeelte van de laatste toespraak van Jezus. Ik herinner me dat mijn vader op zijn sterfbed, haast dertig jaar geleden, een paar woorden tot zijn kinderen zei. Het zijn woorden, die je niet gemakkelijk vergeet. Zo moet het met die laatste woorden van Jezus geweest zijn. In die toespraak heeft Hij nog even gezegd, wat Hem echt ter harte is gegaan. Dat wat Hij nog wilde zeggen, dat is dat Hij eindeloos liefheeft. De bron van die liefde is de band, die Hij met Zijn Vader heeft. En het lijkt wel of die bron nooit opdroogt. Dat is een overstromende liefde, waar dat wat wij ‘liefde`noemen, niet tegen op kan. 

Zoals ik al zei, zijn er momenten dat je de breekbaarheid van het bestaan heel sterk voelt. Dat kan zijn als er iemand wegvalt, die je dierbaar is. Dat kan zijn als je twijfelt aan wat je doet of als het resultaat van je inspanning niet zichtbaar is. Ik denk dan niet alleen aan de kerk in onze streken. Hele veel mensen besteden daar heel veel energie en zorg aan. Waar zijn de vruchten? Ik denk zeker ook aan ouders die met opvoeden van kinderen bezig zijn. Hoeveel zorg wordt er niet besteed en vaak vallen er heel wat teleurstellingen te incasseren.Helpt het besef, dat we liefgehad worden?

Laten we de geschiedenis van Jezus nog even volgen. De toespraak is ten einde. Het brood is gebroken en rondgedeeld. Het gezelschap verlaat de zaal van het Avondmaal en Jezus gaat met enkele van zijn leerlingen naar de hof van Olijven om daar te bidden. Daar bidt Jezus in doodsangst. De hoopvolle en bemoedigende woorden van even tevoren zijn weggeëbd. De leerlingen zijn vergeten dat ze uitgekozen zijn en ‘vrienden`genoemd werden. Als iemand reden tot ontmoediging en teleurstelling had, dan is het Jezus wel.  Maar hij is doorgegaan,- alleen- maar wel met liefde in Zijn hart en met heel veel vertrouwen. Er we weten dat Zijn leven vrucht heeft gedragen. De beweging, die Hij op gang heeft gezet, kon ten prooi zijn aan mensen met macht, ambities en dwingelandij. Maar door en via die beweging is er ook heel veel zorg geweest, toewijding, hoop en liefde. Het leven van Jezus heeft vrucht gedragen. 

Zou ons leven ook niet vruchtbaar zijn, ook al voelen we er niet veel van? Gaat ons weer duidelijk worden, waar het in de kerk om gaat?zal er ooit een einde komen aan honger, geweld en aan een wereld waarin de ene mens de ander tot slachtoffer maakt. Komt er een moment waarop we voelen dat onze kinderen hun weg hebben gevonden, zonder al te veel kneuzingen en wonden?  

Dat is de hoop, die ons wordt aangeboden in de lezingen van vandaag. Ja, ook de eerste lezing. Is het niet wonderlijk, dat een Romeinse officier, die onderdeel was van de onderdrukkende macht, zich opent voor de weg van Jezus? Soms worden dingen, die je voor onmogelijk hield, toch mogelijk. 

Deze week is het Hemelvaart. Dan begint een tijd, die gekleurd wordt door een wachten en een hopen op de Geest. Die Geest zal ons bezielen, ons bijeenhouden, ons de kracht geven het uit te houden en het goede te doen, ook al zien we het resultaat van ons werk en onze inspanning niet zo gauw als we zouden willen. Ondertussen moeten we doen, wat Jezus zelf heeft gedaan: ‘elkaar liefhebben`. En uitzien naar het vaderland dat ons nog te wachten staat.

pastor Leo Nederstigt

 

 

Preek op Pinksteren: 31 mei 2009 Anna-Bonifatius
Lezingen: Hand.2, 1 -11 en Joh. 20, 19 -23 

Zusters en broeders, 

Straks worden er enkele voorbeden gebeden in een andere taal dan het Nederlands. Ze worden uitgesproken door bekende mensen. Toch zullen we niet alles verstaan. Als mensen in Nederland wonen, dan leren ze meestal Nederlands. Als ze die moeilijke taal niet spreken of verstaan, zullen ze heel gauw in een isolement terecht komen. Het is al heel wat als mensen die Nederlands leren een beetje geduld en begrip ontvangen.  

Zo is het in onze wereld. We hebben niet één en dezelfde taal. Dat zou wel heel gemakkelijk zijn. Van de andere kant weten we dat een taal ook uitdrukking is van een cultuur of van een eigenheid. Het is toch heerlijk om af en toe onvervalst Amsterdams te horen of van iemand te begrijpen dat hij of zij uit Brabant of Limburg komt. 

Een taal kan barrière zijn om met elkaar om te gaan. Het kan ook een uitdaging zijn. Iemand is zo de moeite waard en -als ik het zo mag noemen – interessant, omdat hij of zij een heel andere cultuur ademt. Maar een verschillende taal is niet het enige, waardoor we elkaar niet begrijpen of verstaan. Ik ken iemand uit Afrika. Hij verstaat behoorlijk Nederlands. Maar hij voelt zich toch vaak onbegrepen. Het is ook niet altijd gemakkelijk hem goed te begrijpen. Als je uit verschillende culturen komt, dan kan er gauw misverstand ontstaan.

Er waren tijden dat christenen eenzelfde taal spraken. Vooral het katholieke volksdeel straalde eenheid uit: een grote gemeenschap waarin hetzelfde werd gedacht, geloofd, gebeden, gezongen en gevoeld. Die eenheid is er niet meer. Je hebt een veelsoortige liturgie. Je hebt ook inde katholieke kerk verschillende denkrichtingen. We blijken het helemaal niet in alles met elkaar eens te zijn.

Vandaag is het Pinksteren, het feest van de Geest. Hoe werkt de Geest? Zij of Hij zorgt er voor dat mensen elkaar werkelijk verstaan. Blijkbaar is er iets in ons mensen dat ons ten diepste samensmeedt. De verschillen blijven bestaan. We zijn anders wat leeftijd betreft, wat opleiding betreft. We zijn niet allemaal in Amsterdam geboren. We hebben niet allemaal dezelfde interesses. Maar er is iets dat ons bindt. Beter kan je zeggen: er is Iemand die ons bindt. De Geest bindt ons met God zelf. God is niet enkel Degene, die hemel een aarde heeft geschapen. Hij is niet enkel de Zoon, die ons leven heeft gedeeld en in ons midden leeft. Hij is degene, die in ons woont. Hij richt ons hart op de diepste kern van ons bestaan. Dat is God zelf. Hij doet ons verlangen naar God. De Geest wekt liefde in ons en vuur. Door die liefde kunnen we van mensen houden, die niet onze eigen familie zijn of onze eigen vrienden. Door die Geest kunnen we troost ervaren, als het leven ons te zwaar wordt of als we angstig en eenzaam zijn. Die Geest stelt ons als het ware in staat om mens te zijn en ons mens te voelen samen met anderen, die in alle broosheid en kwetsbaarheid hun leven proberen te leiden. 

Voor sommige is die Geest heel dichtbij. Ik ken mensen, die Pinksteren het mooiste feest vinden van het jaar. Voor hen komt dit feest dichter bij hun huid. Op Kerstmis en Pasen vieren we grote geheimen van het geloof: de Menswording, de Verrijzenis. Op Pinksteren ervaren ze dat God in en voor hen mens is geworden. Ze beleven de heer als een levende Heer, die hen aanspreekt en troost, bemoedigt en aanzet tot daden van liefde en gerechtigheid.

Er zijn mensen die bij elke moeilijke beslissing bidden om de Geest: om de geest van wijsheid en inzicht. Ze vertrouwen er op, dat een beslissing, gedragen door de Geest een goede beslissing zal zijn.

Ik ken ook mensen die dadelijk voelen of er ergens een goede geest hangt. En ze verbinden dat met de heilige Geest. Misschien mag je ook wel zeggen dat er een goede sfeer hangt als er bij wijze van spreken ruimte is voor de heilige Geest. 

Ik ken mensen voor wie geesten en machten buiten en om ons heen heel belangrijk zijn. Winti’s zijn voor hen heel reëel. Deze week mocht ik een huis zegenen, waarin verschrikkelijke dingen waren gebeurd. Bij die zegening heb ik gebeden om de heilige Geest, die zoals we weten en geloven sterker en machtiger is dan welke geest of macht dan ook. 

Dat wij hier samenkomen om te bidden, te zingen, de Levende Heer te ontmoeten wordt ons ingegeven door de Geest. Dat mensen zich steeds weer voelen uitgenodigd om te geloven en ook werk te maken van hun geloof, moet wel het werk van de Geest zijn. Anders zou dat niet zo lang stand houden. Zou de kerk nog wel hebben bestaan, als de drijvende kracht de heilige Geest zelf niet geweest zou zijn. Er zijn zoveel stormen door de kerk heen gegaan en zoveel menselijke fouten gemaakt, dat vergelijkbare instellingen al lang ter ziele zouden zijn.Mogen we ook niet hopen op de Geest die samenbrengt: dat volkeren en gemeenschappen, die nu nog tegenover elkaar staan en elkaar het licht niet gunnen in de ogen, samen zullen komen en als broeders en zusters gaan leven. De Geest zal niet rusten totdat mensen op hun bestemming zijn en de wereld is geworden tot waartoe ze eigenlijk is bedoeld: een plaats waar mensen in vrede met elkaar kunnen leven, en waarin God de plaats en de eer krijgt die Hem toekomt. 

Het is de moeite waar om tot de heilige Geest te bidden. In een oude Latijns lied dat we straks zingen, wordt gebeden tot de heilige Geest. Het lijkt wel of allerlei menselijke emoties daar aan bod komt. We bidden en zingen om troost, om warmte, om soepelheid, om rust bij boosheid, om vergeving, om genezing, om verfrissing. Dat gebed kunnen we bidden voor onszelf, maar ook voor onze naasten en voor heel de wereld, totdat de Geest werkelijk heel het aardrijk zal vervullen. 

Pastor Leo Nederstigt

 

Feest van de Drie-eenheid op 7 juni 2009 Gerardus Majella

Lezingen: Deut. 4, 32 -40 en Matth. 28, 16 -20 

Zusters en broeders, Misschien hebt u dat ook wel eens. Je ontmoet een echtpaar of goede vrienden of vriendinnen. Je weet dat het twee verschillende mensen zijn. Maar ze zijn heel goed op elkaar afgestemd. De een spreekt de ander niet tegen en zegt ook niet alles na. Elk houdt haar of zijn eigenheid, maar er is onderlinge harmonie. Het is fijn om af en toe zulke mensen te ontmoeten. Het is fijn als je mensen in je omgeving hebt, aan wie je niet veel hoeft uit te leggen of aan wie je niet steeds in de verdediging hoeft te gaan. Ze hoeven het heus niet altijd met je eens te zijn. Maar ze begrijpen waar van uit je handelt en spreekt en er is vertrouwen.  

Vandaag vieren we weer een feest. Op zondag na Pinksteren vieren we het feest van de Drie – eenheid. Wij geloven in één God, in drie personen: Vader, Zoon en heilige Geest. Zo drukken we ons geloof in God uit. Is dat een feest waard? Als we naar verklaringen zoeken of als we alles willen begrijpen van wat eigenlijke een groot geheim is, dan hebben we nauwelijks reden om feest te vieren, vind ik. Maar er is iets anders, waardoor ik eigenlijk enthousiast kan worden voor dit feest.  Dat is de reden waarom ik het had over mensen die op één lijn zitten zonder hetzelfde te zijn. Mensen kunnen op elkaar afgestemd zijn. Als dat zo is, dan ervaar je ruimte. Het doet goed, om zulke mensen te ontmoeten.  

Volgens mij nodigt de Drie – eenheid uit, om ons hart of wellicht eerst onze oren en dan het hart, af te stemmen op God. Als je God ‘Vader, Zoon en heilige Geest”noemt, dan spreek je over een ruimte, een domein, waar je in mag treden. Er is een ruimte waarbinnen je vrijheid voelt om te leven. Er is een mantel van liefde om je heen, waardoor je niet verstikt wordt.  

Er bestaat een icoon van de drie –eenheid. Op die icoon zie je drie figuren. Ze zeggen dat dit de drie engelen waren, die bij Abraham op bezoek kwamen om te zeggen, dat hij op oudere leeftijd een zoon zou krijgen. Maar de traditie heeft dit schilderij de drie – eenheid genoemd. Drie figuren zitten rondom een tafel. Ze zijn op elkaar afgestemd. Je voelt geen wedijver, geen jaloezie, geen machtsspelletjes. Aan die tafel is nog een plaatsje over. Ik meen dat die plaats bestemd is voor u of voor mij. We zijn welkom bij God. We mogen bij Hem aan tafel zitten. We zijn thuis in het domein van God.

Kortom, dit feest dient er niet toe om een of andere ingewikkelde formule uit te vinden. Dit feest nodigt uit, om bij God te horen. En bij God horen houdt een dubbele beweging in. Allereerst mag je weten ‘thuis`te zijn bij Hem. Je bent echt thuis bij Hem. Je kunt vervreemd raken van jezelf, van anderen, van God zelf wellicht. Maar je mag weten: Hoe dan ook, ik heb een thuis. Dat thuis is bij God, bij wie ik meer dan welkom ben.  

God is echter niet in zichzelf opgesloten Van een Boeddha zou je dat nog kunnen zeggen. Nee, God gaat uit. Zijn liefde wil stromen. En als wij thuis zijn bij Hem, dan stroomt die liefde als het ware ook door ons of met ons mee. We zijn niet zomaar mensen op niks af. We zijn mensen die een thuis hebben. Als gedoopten, als gelovigen nemen we deel aan Gods aanwezigheid, aan de ruimte, die Hij schept, aan het werk dat Hij doet. We zijn niet alleen thuis bij Hem. We zijn ook thuis bij de mensen, naar wie zijn liefde uit gaat. We zijn thuis in de wereld, om wie Hij bezorgd is.

Dat dubbele zie ik ook in de lezingen van vandaag. De eerste lezing spreekt verwondering uit over het feit dat het volk van Israël uitgekozen is. Dat is ongehoord. Een volk dat onder de macht van een ander volk leeft, namelijk Egypte, is gezien en gekend. In een brandend vuur heeft die Allerhoogste God tot hen gesproken en ze zijn niet verteerd. ‘Ik ben er voor juli’, heeft Hij daar gezegd. Een slavenvolk, mensen, met wie maar gedaan en dat neergezet wordt, blijkt kracht te ontvangen, er te mogen zijn. Het wordt bevrijd en hoeft niet langer slaaf te zijn. En zijn wij ook niet zo als gedoopte mensen? We zijn gekozen, uit het water van de dood getrokken, geen vreemdelingen meer. We horen bij het volk van God. 

Maar dat cadeau is er niet zo maar. We moeten deelnemen aan God, als ik het zo mag zeggen. We moeten met Hem meedoen. In de eerste lezing wordt gesuggereerd dat dit gebeurt door het onderhouden van geboden. De tweede lezing gaat nog verder. Het volk van God dient uitgebreid te worden. Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden. 

Zo is het gegaan. De kerk heeft geschiedenis gemaakt. In de schoot van de kerk wrden prachtige mensen geboren, die er alles voor over hadden, om mensen te dienen. Natuurlijk waren er ook minder mooie kanten aan de kerk, maar mag ik vandaag iets moois en goeds zeggen van de kerk? Ik hoorde laatst de directeur van Cordaid spreken. Hij gaat over al die acties, die we ook in de kerk voeren rond projecten in de derde wereld. Hij is een man die heel veel reist. Hij bracht naar voren, dat in zijn beleving de katholieke kerk haast de enige echte multinational is. Tot in de verste uithoeken van de wereld is de katholieke kerk aanwezig. Ze is haast in alle landen vertegenwoordigd. En haast in iedere gemeenschap, of het nu een grote of kleine parochie is, is er betrokkenheid op mensen. Bij de een is er aandacht voor zieken. De ander doet veel aan scholing om mensen waardigheid te geven. Er zijn parochies, die heel veel doen om het gesprek tussen verschillende groepen tot stand te brengen. Anderen zetten zich in voor aids- patiënte, voor gehandicapten, voor daklozen.  En toen ik dat hoorde werd ik weer eens trots op mensen in onze parochie. Er zijn ook hier mensen die van alles voor anderen doen, soms heel uitdrukkelijk en zichtbaar. Nog vaker in het verborgene. 

Geloof in de Drie eenheid doe je niet op je knieën. Je doet het ook niet in de studeerkamer. Je doet het met je handen en je hart. Als God handen heeft en een hart, zijn dat de instrumenten, waarmee Hij er voor ons is en met ons Zijn weg gaat.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Anna Bonifatius op 12 juli 2009
Lezingen: Amos 7, 12 -15 en Mc. 6, 7 -13 

Zusters en broeders, 

‘Vrijwilligers worden niet betaald. Ze zijn onbetaalbaar’. Die spreuk zag ik van de week staan. En ik dacht natuurlijk aan het vele vrijwillige werk dat in onze parochie wordt verricht.  Stel je voor dat het vele werk dat in onze parochie wordt gedaan, ook betaald zou worden. We zouden al gauw failliet zijn. Maar dat tweede gedeelte van de uitspraak is ook echt waar. Vrijwilligers zijn onbetaalbaar. Je zou niet weten, hoe je het goede werk dat menigeen onder u doet zou moeten belonen. 

Ik begin hiermee, omdat ik het gevoel heb gekregen, dat de profeet Amos maar ook de 12 apostelen veel meer lijken op de vrijwilligers in onze dagen dan op priesters, bisschoppen of pastoraal werkenden. De apostelen zijn geen priesters. Ze delen niet in de tempeldienst. Ze zijn ook geen levieten. Waarschijnlijk vervult niemand een liturgische rol in de joodse liturgie. De meeste zijn vissers, zo staat er. Er wordt wel gezegd, dat ze huis en haard verlaten om Jezus te volgen, maar waarschijnlijk moeten ze toch gewoon blijven zorgen dat er brood op de plank komt voor vrouw en kinderen.In het Joodse land bestaat in de dagen van Amos een profetengilde. Het is een groep van heilige mannen, die je kan raadplegen, die voor je bidden, die soms de toekomst voorspellen. Ze verdienen daar hun brood mee. Maar Amos is daar geen lid van. Hij is veehoeder en vijgenkweker. Dat hij spreekt is niet omdat hij toch ergens zijn brood mee moet verdienen. Het is uit een innerlijke overtuiging. 

De twaalf apostelen worden uitgezonden door Jezus. Jezus heeft blijkbaar de moed niet opgegeven. Vorige week horen we hoe hij wordt afgewezen in zijn vaderstad. Het lijkt wel of hij onvermoeibaar voort gaat. Hij delegeert. Hij zendt de twaalf die met hem meegetrokken zijn uit om op te roepen tot bekering. Hoe zouden mensen in Jezus kunnen geloven en nieuwe inspiratie kunnen opdoen voor hun leven, als ze niet van binnen veranderen. Ze hebben bekering nodig. Maar het gaat niet enkel om woorden alleen. De twaalf ontvangen ook de macht om boze geesten, duivels uit te drijven. Dat blijken ze ook te doen. En dat niet alleen ze zalven zieken, zodat ze genezen. 

Er is nog iets opvallends bij de uitzending van de twaalf. Ze mogen niets meenemen. Alleen een stok. Als mensen op vakantie gaan, zijn ze vaak dagen bezig om in te pakken. Van te voren wordt alles klaar gelegd, voor het de koffer of de rugtas ingaat. Hier is het niet zo. De leerlingen mogen zelfs geen extra kleding meenemen. En ook geen brood voor onderweg. Er worden ook geen afspraken gemaakt, waar ze zullen logeren. Ze gaan zonder bagage. Ze gaan. Zoals ze zijn: met hun hart, hun liefde, hun innerlijke overtuiging, hun zending. 

Degenen die oproepen tot bekering zijn daardoor uiterst kwetsbaar. Ze zijn afhankelijk van wat ze krijgen. Ze zullen niet met bijzondere achting of eer worden bejegend.  Maar ze bezitten een goede geest, waardoor onreine geesten zich niet bij  hen thuis voelen. Ze hebben de macht ontvangen zieken te genezen. Blijkbaar kunnen ze zo iets laten zien van de menslievendheid van onze Heer voor mensen, die er slecht aan toe zijn. Vrijwilligers zijn die twaalf. Ze worden niet betaald. Ze zijn niet ingedeeld of geordend. Ze staan niet hoger. Ze zijn gewoon. Maar blijkbaar neemt de Heer hen in dienst en bouwt Hij met hen de toekomst op.

En Amos? Er waren duizenden profeten, die netjes hun werk deden. Maar de geschiedenis kent hun namen niet. Maar Amos durfde iets te zeggen. Hij klaagt godsdienstigheid aan, die enkel maar uiterlijkheid laat zien. Geloof moet je altijd verbinden met gerechtigheid en het doen van het goede. Blijkbaar is dat lastig voor de priesters  van die dagen. Maar de voorspellingen van Amos komen uit. Hij profeteert in het noorden van Israël en niet lang na zijn optreden worden de mensen uit het noorden gedeporteerd en in ballingschap gevoerd.

 

Wij hebben het in onze kerk netjes geregeld. Bisschoppen, priester, pastoraal werkenden, en leken hebben allemaal hun eigen taken en plaatsen. Waarschijnlijk moet dat ook zo. Mar het eigenlijke, dat waar het om gaan, loopt lang niet altijd via officiële en gebruikelijke wegen.  

Daarom is ieder van ons belangrijk. Wij zijn allen dragers van de goede en blijde boodschap. En vroeg of laat moeten we daarmee voor de dag komen.  Daarom doet het er toe hoe we in het leven staat. Het komt aan op onze houding: op het werk,in ons omgaan met elkaar, in de inzet voor anderen, in de woorden die we spreken. Ik bedoel dat we anderen kunnen maken en breken. We  kunnen  mensen tot wanhoop of verdriet brengen, maar we kunnen mensen ook oprichten, bemoedigen. 

Vrijwilligers worden niet betaald. Ze zijn onbetaalbaar. Wij zijn die vrijwilligers.  Wij  zijn er voor anderen. Wij kunnen mensen ondersteunen, niet alleen in praktische zaken maar ook in hun geloof en hun vertrouwen. Wij zijn het die onze mond open kunnen doen, als dat nodig is, niet alleen in de kerk, maar ook in de buurt en in de omgeving waar we leven en werken. 

Er lijkt daar in het evangelie wel een voorwaarde aan te worden gesteld. En dat geldt niet alleen voor vrijwilligers, maar ook voor pastores. Ze moeten zich niet laten voorstaan op hun bezit, op hun macht, op hun goede naam. Ze moeten met open handen, kwetsbaar mensen tegemoet treden.  En dat niet omdat ze in de grond toch eigenlijk niets waard zijn. Nee, integendeel. Wij allen zijn buitengewoon kostbare mensen, omdat we in dienst staan van Hem, die het beste met ons voor heeft en die in Jezus zijn grote liefde en bekommernis voor mensen heeft laten zien.

pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 19 juli 2009
Lezingen: Jer. 23, 1 – 6 en Mc. 6, 30 -34

Zusters en broeders, 

Wat is jouw of uw eenzame plek? Heeft u van die plekken om tot rust te komen, weer je zelf te worden, je op te laden? Er waren tijden dat een kerkgebouw die functie haast voor iedereen had. Een moment uit mijn kinderjaren: ’s Morgens om 7 uur stapte mijn moeder enkele dagen in de week op de fiets. Vaak gingen er een of twee kinderen achterop. Ze kwam natuurlijk te laat voor de mis van 7 uur. Maar dat deed er niet zoveel toe. In een grote kerk merk je dat niet zo. Ze ging ergens achterin zitten. De kinderen kregen een boek met plaatjes in de hand. En zij kon even stil worden. Na de Communie stapte ze onmiddellijk op. Meer tijd zat er niet in. 

Ik ben blij dat er kerken open zijn. U weet waarschijnlijk wel dat u hier in de kerk overdag ook altijd kan binnenlopen. Maar er zijn ook andere plekken. Ik zie soms iemand rustig op een bankje zitten in het park, liefst op een plaats waar niet te veel mensen langs komen. Een balkon of een tuintje kunnen je tot rust brengen. 

Wat is jouw eenzame plek? Waar kom je echt tot rust. Ik stel die vraag niet om antwoorden te horen,maar om voor mezelf na te gaan, waar ik die plekken vind. Wat mij betreft zijn ze levensnoodzakelijk. Ik zou niet weten, hoe je anders overeind kan blijven in een woelige tijd met zoveel verschillende mensen, meningen,opvattingen en gebeurtenissen. 

Jezus nodigt zijn leerlingen uit zo’n eenzame plaats op te zoeken. Voor hen zal dat een plaats zijn van rust en stilte maar ook een plaats waar ze even bij elkaar zijn en – niet onbelangrijk – bij de Heer. Het is zo menselijk. Je moet gewoon tot rust komen. 

Maar wat gebeurt hier? De rust wordt hen nauwelijks gegund. Er zijn mensen die hen hebben zien weggaan en velen hebben wel begrepen, waar ze heen gingen. Geen wonder dat er van alle kanten mensen naar die eenzame plek toetrekken. De rust is gedaan. Ze mogen nog blij zijn dat ze een rustige overtocht met de boot hebben gehad.

Waarom wordt die rust doorbroken? Die rust wordt doorbroken omdat Jezus bewogen wordt. Hij wordt door medelijden bewogen. Hij ziet al die mensen. En zo staat er_ ze zijn als schapen zonder herder. Het doet hem zeer, dat mensen zich weinig geborgen voelen, dat ze geen richting in hun leven vinden, dat ze geen vertrouwen vinden, dat ze heen en weer geslingerd worden door de gebeurtenissen van de dag.

En dat gaat Jezus maar weer door. Hij gaat door met zijn verhalen. Hij gaat door met de ontmoeting met zwakke en zieke mensen. Hij raakt ze aan. Hij spreekt ze toe. Hij geneest hen. 

Wat een spanning is dat eigenlijk. Natuurlijk heb je grenzen. Je kan niet  alles. Je hebt broodnodige en soms zeggen mensen welverdiende rust nodig. Maar dan ga je maar weer…Het komt in onze dagen ook voor. Ik ken opa’s en vooral oma’s. Je zou kunnen zeggen dat ze hun werk hebben gedaan en dat ze rust mogen vinden. Maar dan is er een dochter of een zoon, die hunhulp inroept. Er is er een ziek. Er wordt iemand in de steek gelaten door een partner. Er is ontspanning nodig… En dan gaan die oma’s maar weer.

Ik denk ook aan kinderen met oudere ouders. Ze hebben voortdurende aandacht. Maar dan is het vakantietijd of tijd om even tot jezelf te komen. En dan toch alles regelen zodat die moeder of die vader het toch zo goed mogelijk heeft. En iedere dag een telefoontje.Dat is de spanning waarin velen leven. Het is absoluut nodig dat je opgeladen wordt en momenten vindt om jezelf te worden. Je moet niet het gevoel krijgen opgegeten te worden, als je jouw hart laat spreken.

Ik weet dat er aan alle kanten adviezen worden uitgedeeld om dit te voorkomen. Ik zal niet zeggen dat die nergens over gaan, maar toch vind ik dat de lezingen van vandaag op een heel bepaalde en voor mij bijzondere wijze met die spanning omgaan. 

Heel veel spanning komt omdat je richting kwijt bent. Je weet niet meer waarom en waartoe je doet wat je doet. Op een gegeven moment word je overspoeld. Wie helpt je richting te vinden?  In de eerste lezing worden herders naar voren geschoven. Herders zijn mannen en vrouwen, die ons helpen richting te geven. Dat doen ze door leiding te geven, door je naar plekken te leiden waar werkelijk leven te vinden is. Herders beschermen je tegen gevaar van binnen uit en lossen ruzies tussen schapen op. Jeremia laat de Heer klagen dat er zulke herders niet meer te vinden zijn. Daarom treedt Hij zelf als herder op en stelt Hij herders aan naar zijn hart. 

Wie is die herder bij uitstek? Hij komt in het Evangelie naar voren. Dat is Christus, de Heer. Geen wonder dat verwarde, zieke, arme en ontwortelde mensen bij Hem hun toevlucht zoeken. Maar ook de leerlingen verwachten het geheel van Hem en als ze moe zijn, zoeken ze niet enkele rust op een eenzame plaats, maar ook in Zijn nabijheid. 

Dat vind ik  de verrassende openheid die deze lezingen bieden voor een spanning of een probleem, waar wij allen in toenemende mate mee te maken hebben. We hebben het te druk. We zijn te gestresst.  

Wat kan onze eenzame plek zijn, de plek waar we onszelf kunnen worden? Die plek is een persoon. Dat is Christus..Hij biedt zichzelf aan als iemand, bij wie je terecht kan met je zorgen, je verlangens, je vermoeidheid, je stress. Voor mij is dat een uitnodiging die me verrast, maar waarin ik ook heel veel vertrouwen heb. 

Hoe kan je de Heer ontmoeten? We mogen weten, dat we Hem mogen ontmoeten in de sacramenten, in Zijn woord, in gebed. Maar we mogen Hem ook ontmoeten in levende mensen, die hartelijkheid uitstralen, vertrouwen, belangstelling, zorg en rechtvaardigheid.
Christus laat zich ontmoeten in mensen die iets geven, maar ook in mensen die wat vragen.  

Een eenzame plek? Misschien zit die eenzame plek wel diep van binnen, waar we onszelf hebben laten raken door de levende Heer, die ons uitnodigt en oproept lief te hebben en liefgehad te worden en daardoor met vertrouwen en in vrijheid mens te zijn.

Pastor Leo Nederstigt 

 

Woord- en Communieviering 19 juli 2009 Anna-Bonifatius

Overweging bij Mc. 6, 30-34 en psalm 139 

Een aantal jaar geleden ben ik een keer in Caïro geweest, in Egypte. Ik bezocht daar een beroemde moskee; ik kon er ook in. Binnen­ was een grote, hoge ruimte met veel moza­ïe­ken, heel mooi. De vloer was ook erg mooi, maar niet goed zichtbaar want er zaten veel Egypte­naren op, alle­maal man­nen. Sommigen lagen, som­mi­gen sliepen zelfs. Ik vond niet dat ik over die mensen kon heenstap­pen om alles goed te be­kijken. Ik ging dus ook zit­ten, bewon­derde nog een keer de mo­zaïeken om heen, voorzo­ver ik die kon zien, en ging ook maar bidden, net als die man­nen.
Ik had in Egypte eigen­lijk niet het gevoel dat ik zoveel ge­meen had met dat land of de cul­tuur. Het was vooral heel an­ders. Maar in die moskee was dat niet zo. Ik heb me in Egypte nergens meer thuis gevoeld dan in die moskee. Het gekke is dat dat in Amsterdam net omgekeerd is. Allerlei vrienden, colle­ga's, familiele­den, met wie ik me toch verwant voel en veel deel, bidden nooit en kijken met ogen vol onbe­grip naar iemand die dat wel doet. Het ge­bed is een kleine aanval van waanzin, zei Kant, een bekende filo­soof. "Waarom zou je bidden," vroeg een keer een vriend. "Als er al een God is, weet die heus wel wat jij graag wilt en dan hoef je er dus niet voor te bidden." Hoe weten we dat we niet in een onver­schil­lig of leeg univer­sum tegen ons­zelf aan het praten zijn? Hoe vinden we God in een we­reld waar zijn be­staan vreemd is ge­worden en niet voor de hand ligt? 

Laten we naar het evangelie kijken. Vorige week hebben we ge­hoord dat de apostelen er zonder voed­sel, kleding of geld op uit werden gestuurd om dui­vels uit te drij­ven en zieken te ge­ne­zen. In de lezing van vandaag komen ze weer terug. Als je zonder geld en eten weg­gaat, maak je din­gen mee, en het zal ook geen makkelijk werk zijn geweest. Daar wil je over pra­ten met vrien­den die dat ook gedaan hebben, en met Jezus. Maar dat lukte niet: er waren zo veel mensen dat ze zelfs aan 't eten niet toe­kwa­men. Jezus zag dat en Hij is zorg­zaam. Hij stelt voor om naar een eenzame plek te gaan. Maar de men­sen hebben dat door en ze gaan er ook­ heen. Als Jezus ze daar dan ziet, krijgt Hij medelij­den en begint hun on­derricht te geven. Eerder was Hij juist van ze weggeva­ren. Maar nu ze hun nood laten zien door zoveel moeite te doen, luistert Hij naar hun ver­langen.
God weet natuurlijk wat de mensen nodig hebben. God kent de dieren en de din­gen en de mensen. "Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij," hebben we zojuist met psalm 139 gebe­den. Maar als je wilt dat God je kent, door Hem te zoeken, doe je een stap meer. Je laat een sluier vallen. Je bent niet al­leen bekend, maar je vertoont je, je vertelt. Je maakt je­zelf zichtbaar. Je beschouwt je in de relatie met God niet meer als een ding maar als een per­soon. Ik denk dat God ook naar ons op die ma­nier zoekt; Hij zoekt naar personen, naar mensen die door Hem gekend willen wor­den. En dan wordt God, afda­lend, Persoon voor ons, zoals in het evan­ge­lie vandaag Jezus dat wordt voor de zoeken­de mensen.  

Het gaat er niet alleen om hoe we God kunnen vin­den, maar ook hoe we erop kunnen vertrouwen dat we Hem inderdaad ge­von­den hebben. Want hoe weet je dat dat het geval is? Eigenlijk dur­ven we het niet goed aan, mis­schien omdat we het toch een beetje waan­zin vinden om te zeggen dat we met God een bepaald contact hebben. Het klinkt ook aanmatigend.
Maar de lezingen zijn duidelijk: God, en ook Jezus, heeft mede­lij­den en helpt als goede herder de mensen. Wij worden uitgenodigd ons tot Hem te wenden. Augus­tinus schrijft dat we weten dat we op een goede manier gelo­ven, als wij, zo­als Jezus, zorg voor mensen heb­ben en naastenliefde beoefe­nen. Als we daarin dan Gods hand voe­len, als we dat geloven, mogen we er vanuit gaan dat die hand er ook was. Als ande­ren, mede door ons, geluk­kiger wor­den, of gewoon op­groei­en, mag je aan­nemen dat er een God is, die kinde­ren tot mooie jonge­ren of volwas­senen maakt, of door wie je een euro aan een zwerver geeft. (Het hoeft allemaal niet zo groot te zijn.) Het gaat ook niet altijd goed. Zo'n zwerver kan die euro wel in drank omzet­ten. Maar toch schenk je hem met die euro iets van lief­de, van vrijheid. En dat is zoals God het wil.

Naastenliefde is ook het bidden voor zieken en over­ledenen. Na­tuurlijk weet God ook die dingen wel, maar als wij willen dat God weet dat we ons ongeluk­kig voelen over gelief­des of beken­den die ziek of overleden zijn, als wij daarin God zoe­ken, komen wij met dat naakte verlangen voor God te staan. En dat maakt het anders. Om het plat te zeggen (eigenlijk te plat, maar wel duidelijk en ik hoor wel eens dat ik wat te moeilijk ben): God luis­tert beter, net als in het evangelie.  

Zoals u weet doe ik juridisch werk. Een paar dagen geleden had ik een “zitting”. Zo heet dat. Ik treed dan op namens een cliënt in de recht­bank. Dat gaat niet altijd goed. Rechters kunnen zelfingenomen zijn, niet luiste­ren en verwij­tend zijn naar cliënten, die er vaak ook niets aan kunnen doen. Toen ik daarna thuis kwam, was ik niet in zo'n goed humeur. Maar toen dacht ik zomaar aan God, mis­schien van­wege deze viering. Ik bad niet eens, maar de frus­traties wer­den een stuk minder en m'n humeur klaarde op, omdat er zoveel meer is dan zo'n rech­ter, omdat God er is. Ik weet het ook niet zo zeker, maar het zal toch wel het mede­le­ven van God zijn waar­door frustra­ties en zorgen min­der wor­den.
"Jezus voelde me­delij­den met hen," met die zoekende, naar Hem verlangende men­sen. Dat staat er. We weten niet wat het bete­kent als we zeg­gen dat God medelijdend is: "Hoe moei­lijk zijn uw gedach­ten voor mij," zegt de psal­mist. Maar het is niet gek of waanzin of aanmatigend: God kan zorgen best verlich­ten.

Hoe vinden we God? Ach, hoe kan je God ontsnappen? "Beklim ik de hemel, Gij zijt in de hemel, daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook," hebben we zojuist gebeden met psalm 139. God is niet te vermij­den, want Hij is onze schep­per, de grond van ons be­staan. Gaf Hij ons één moment geen aan­dacht, dan waren we verdwenen. Zelfs aan het uiterste strand van de zee, zal Gods hand ons verder hel­pen. Psalm 139 is een erg mooie psalm. Als u toeval­lig eens tijd hebt, moet u hem in z'n geheel gaan lezen. Zelfs in een moskee in Egypte is de Christe­lijke God. Tenminste had ik sterk dat gevoel. We moeten God zoeken en moeite voor Hem doen, maar laten we er ook op vertrouwen dat het he­lemaal niet zo gek is om Hem
ge­woon een keer te vinden: Heer, onze God, wil ons vinden als wij U zoeken. Schenk ons geloof dat U in liefde en bij alles wat we in liefde doen, aanwezig bent. Schenk ons vertrouwen, zo­dat we U durven
her­ken­nen als zorgzame, mede­lijden­de God.     

                                                                                      

 Peter Commandeur

 

Preek op 26 juli 2009 in de Anna-Bonifatius
Lezingen: 2 Kon 4,42 -44 en Joh. 6, 1 -15

Zusters en broeders,

U begrijpt dat het overlijden van pastor Hanneke Idema mij en heel veel anderen zeer bezig houdt. Ik voel, hoe kwetsbaar een leven kan zijn. Vorige week stond zij parochianen in Diemen nog te bedanken voor de belangstelling tijdens haar ziekte. Deze zondag zou ze hier zijn om te verteleen, hoe het met haar was. En dan is haar leven ten einde.

Jaren langheeft ze er naar toe geleefd, dat zij pastorale werkster kon worden. Ze heeft hard gestudeerd, naast haar werk in de bibliotheek. Ze heeft heel veel aan haar zelf gewerkt. En dan lijkt alles in een oogwenk verloren. Een kostbaar mens wordt uit ons leven weggerukt.

Terwijl ik vol ben van dit gebeuren lees ik het verhaal van het brood. 'De wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging`, wordt dit verhaal genoemd. Het woord 'vermenigvuldiging'` wordt echter nergens genoemd. Wel is er sprake van 'delen`. Het brood wordt gedeeld en dan blijkt er genoeg voor allen. Er is overvloed. Er blijft zelfs over.

Sommige mensen willen precies weten wat er nu eigenlijk is gebeurd. Ik begrijp die nieuwsgierigheid wel, mar las ik het dan precies weet, dan heb ik waarschijnlijk van de boodschap van het verhaal  niets opgepakt of zelfs niets begrepen. Natuurlijk willen we wel iets van dit verhaal begrijpen. Het brengt mij wellicht iets dichter bij God. En dat is in deze dagen nodig, nu we met zoiets ongerijmds in aanraking komen van de dood van een mens in de bloei van haar leven.

Allereerst valt mij op dat er een grote menigte mensen naar Jezus is gekomen. Waar komen al die mensen vandaan? Hebben ze wel tijd? Hebben ze geen andere verplichtingen? Ik vermoed dat het om mensen gaat die zich gemakkelijk vrij kunnen maken. Ouderen, die niet meer hoeven of kunnen werken misschien? Of zieke en zwakke mensen, die ook niet aan het werk komen? Kinderen die niet naar school kunnen. Ik denk dat het hier om mensen gaat, die om welke reden dan ook iets missen in hun leven: werk misschien, geborgenheid, waardering een betekenisvol leven..Ze komen bij Jezus omdat ze van Hem verwachten dat Hij hun iets kostbaars geeft. Volgens mij is dat een honger, die niet enkeldoor lichamelijk voedsel is te stillen.

Opvallend voor mij is dat Jezus een berg opgaat. Ooit deed Mozes dat ook. Dat was een berg in de woestijn. Dor en droog was die plaats. Maar hier, zo staat er, is veel gras. Ik denk aan psalm 23, waar staat dat Jezus de mensen naar grazige weiden brengt. De mensen zijn niet voor niets gekomen. Ze krijgen overvloed. Die overvloed is niet enkel het brood, het voedsel. Het is ook het woord van Jezus en wellicht ook Zijn aanwezigheid.

En dan zijn er heel veel mensen, teveel om het weinige dat door een jongetje ter beschikking wordt gesteld te verdelen. En ook al zou er geld genoeg zijn, hoe kan je zoveel mensen te eten geven? Het wonder is, dat dit mogelijk blijkt. Jezus zegent en dankt en Hij nodigt de leerlingen uit te verdelen. En terwijl ze bezig zijn te delen, blijkt er genoeg voor iedereen.

Sommigen zeggen: kijk, dat is het: als je maar deelt wat je hebt, dan is er altijd genoeg. Die gedachte zit ongetwijfeld in het verhaal. Ik den k aan de zondagse soeppan van mijn moeder. Ik kom uit een grote familie en altijd kwamen er wel onverwachte gasten. Die soeppan van mijn moeder leek nooit leeg te raken, ook al verdacht ik haar er van gewoon een beetje water bij te voegen. Maar ook al werd die soep wat wateriger naarmate er meer mensen waren, er ontstond toch een warm en welkom gevoel voor velen. Delen kan gelukkiger maken.

Maar ik denk dat je bij dit verhaal niet om Jezus heen kan. Hij neemt het initiatief. Hij is het die zorg heeft voor mensen. Hij accepteert de schaarse gaven van het jongetje. Hij nodigt de mensen uit te gaan zitten. Hij vraagt de leerlingen te delen. Ik zou zeggen: dat delen van het brood schept diepe verbondenheid, niet alleen van mensen onder elkaar, maar ook van mensen met de Heer. Die verbondenheid is totaal. Hier wordt niet gekeken naar wie het meeste geld heeft. Hier telt niet de sterkste, de verstandigste, de mooiste. Hier telt ieder mensen zelfs als je weinig meebrengt, kan dat nog ten goede komen aan het geluk van velen.

Eerlijk gezegd  begon ik aan deze preek te schrijven met een heel verdrietig en haast wanhopig gevoel.ik zal niet zeggen dat dit gevoel is weggeëbd, maar dit verhaal bemoedigt me wel. Ik vind dat Hanneke veel  te jong is gestorven. Ik snap dit niet en ik begrijp veel dingen niet die ons overkomen. Maar wat ik heel sterk voel is dat het allemaal niet voor niets is. Ook als ons leven nog niet voltooid lijkt, ook al hebben we maar weinig ingebracht, het hoeft niet voor niets te zijn. We mogen hier onszelf en het geringe dat we te bieden hebben toevertrouwen aan de Heer. Hij maakt er overvloed van.  Ik wil er nu nog nauwelijks aan, maar ik gun Hanneke van harte een overvloed aan leven en wie weet zal ook haar te korte leven ten goede komen aan de wereld, die verder gaat en aan onze gemeenschap in Oost, die haar nog heel hard nodig had.  

pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 2 augustus 2009
Lezingen: Ex.16,2 -4.12 -15 en Joh. 6, 24 35

Zusters en broeders,

In het gebed dat we in het Onze Vader bidden, ligt volgens mij een diepe wijsheid: Geef ons heden ons dagelijks brood.’ Het brood moet natuurlijk zuur of minder zuur verdiend worden. Er moet voor gewerkt worden. En toch bidden we in het onze Vader dat ons iedere dag ons dagelijks brood gegeven wordt.

Ik ken heel veel mensen, die eerbiedig met brood omgaan. Ze gooien brood niet weg. Hoogstens geven ze oud brood aan de vogels of de eenden. Meestal koop ik gesneden brood, maar ik ken de gewoonte dat moeders voordat ze een brood aansneden er een kruis over maakten. Brood is zo gewoon, maar het is ook diep verbonden met ons leven. Er zijn weinig mensen die niet iedere dag brood eten.

Ook al weten we dat we het brood in de meeste gevallen zelf hebben verdiend, toch is er een diep besef in mensen, dat het ons ook gegeven wordt. Om dat besef tot ons te laten doordringen moeten we terug naar de woestijn. Daar treffen we het volk aan, dat in een dorre en droge streek moet overleven. Dat blijkt zo moeilik te zijn, dat ze alle slavernij en onderdrukking van Egypte vergeten en dat ze hun nieuw verworven vrijheid het liefst weer zouden willen opgeven. Ze mopperen en verlangen terug naar de vleespotten van Egypte. Dan schenkt de Heer manna in de woestijn. Iedere dag weer, behalve op sabbat kunnen de mensen dat manna oprapen. Ze kunnen niet teveel n nemen. Dan zou er niet genoeg zijn voor een ander. Ze kunnen niet voor twee dagen nemen, alleen op de dag voor sabbat. Manna is brood uit de hemel. Het wordt hen geschonken. Ze krijgen het onverdiend. Zo leven ze in een diep besef dat ze afhankelijk zijn van de Heer. Maar dat niet alleen. Het schept ook verbondenheid tussen mensen. Je mag niet teveel nemen. Er is genoeg voor iedereen, maar ook niet meer dan dat.

Het verhaal van het manna is met het volk van Israël meegegaan. Toen ze eenmaal in het beloofde land waren aangekomen, hield het manna op. Ze moesten weer graan verbouwen. Maar het diepe besef dat het brood je geschonken wordt door de Heer en dat dit je met een ander verbindt, is gebleven.

Wij doen vaak anders. Ik ken verhalen uit de concentratiekampen in de oorlog. Er werd gevochten om een stukje brood. Het werd zorgvuldig bewaard, verstopt soms. Het zorgde voor haat en nijd tussen mensen, die in moeilijke omstandigheden leefden. Maar soms werd het ook gedeeld en daardoor veranderde de sfeer. Dat grijpen en je toe-eigenen, dat kennen we nog steeds. Dikwijls gaan we krampachtig om met wat we zelf verdiend hebben. ‘ Ik heb er voor gewerkt’. Het brood wordt een beeld van alles wat we bezitten. Bezit kan ons onafhankelijk maken. Bezit kan ons het gevoel geven meer te zijn dan een ander. Bezit kan een belemmering zijn om te geloven en onze kwetsbaarheid te erkennen.

Daarom bidden we om het dagelijkse brood, ook al lijkt het een grote vanzelfsprekendheid dat het er is. We verenigen ons in dat gebed met het volk in de woestijn, dat voor brood afhankelijk was van de hemel. We verenigen ons ook met mensen overal in de wereld, voor wie dagelijks brood absoluut niet vanzelfsprekend is.

Er is nog meer. Vorige week hoorden we over de wonderlijke spijziging. Duizenden mensen kregen te eten: gratis en voor niets. Vanzelfsprekend zijn mensen daar van onder te indruk. Dat is nu nog zo. Als er iets gratis is, dan zijn we er als de kippen bij. Als ze hem niet op de oude plaats vinden, gaan ze naar Hem op zoek. Nee, ze krijgen niet opnieuw brood. Of toch? Jezus, gaat uitleggen, waar het hem in dat bijzondere teken om te doen was. Zonder de nood aan brood te veronachtzamen, nodigt hij de mensen uit te werken voor voedsel dat niet vergaat. Natuurlijk met er gewerkt worden voor brood op tafel. Maar er is veel meer. Met een verwijzing naar het brood van de woestijn, het brood uit de hemel of het manna is, wijst Jezus op zijn eigen persoon. Hij is het echte brood dat de Vader uit de hemel heeft gegeven.

Ik denk aan een liefdesgedicht van Hans Andreas: ‘ Ik heb je liever dan brood’, zegt hij tot zijn geliefde. Hij geeft daarmee aan, dat zijn geliefde iemand is voor iedere dag. Ze vult zijn leven. Ze houdt hem in leven en geeft het leven zin en samenhang.

’ Ik heb je liever dan brood’. Jezus nodigt ons als het ware uit Hem liever dan brood te willen. Dat is een behoorlijk radicale uitnodiging. Voor velen van ons is geloof wel belangrijk, maar het staat toch een beetje aan de rand van ons bestaan. We genieten van ons huis, van ons bezit, van onze baan, van onze familie. En dan is er ook nog ons geloof en de kerk. Het Evangelie geeft aan, dat geloof in Jezus veel dieper reikt. Het maakt niet alleen onderdeel uit van ons leven. Het draagt ons leven. Het vervult ons leven. Het geeft het zin en samenhang.‘Werk niet alleen voor voedsel dat vergaat, maar ook voor voedsel dat blijft ten eeuwigen leven’. Wat is dat werk? Dat is geloof in Degene, die de Vader heeft gezonden. Dat lijkt een gemakkelijk werk. Maar het is niet zo eenvoudig. Geloof kan je niet afdwingen. Het wordt je cadeau gedaan. Wat wij kunnen doen, dat is ‘open staan’, er werk van maken. Maar nog moeilijker kan het zijn, wanneer je echt gelooft. Als iemand zich in liefde aan een man of vrouw bindt, dan is dat vol risico’s. Je deelt het leven met iemand. Je geeft vanzelfsprekend iets van je eigen geslotenheid op. Je zoekt hoe je een ander een plezier kan doen. Je neemt iets van de levensstijl over.

Zo zal het zijn, als we in geloof en vertrouwen aan Christus binden. We nemen iets van zijn levensstijl over. Dan den k ik aan zijn barmhartigheid, zijn vergevingsgezindheid, zijn zorg voor armen en zieken, zijn toewijding aan de Vader, zijn gebed en zijn aandacht. Die dingen komen als het ware voort uit het geloof in Hem die mij gezonden heeft.

Wellicht is dat de boodschap van vandaag: We ontvangen het geloof in de Heer, net zo als de Joden het manna ontvingen. Dat cadeau zet ons aan Jezus na te volgen in Zijn menslievendheid. En dat geeft ons leven, voldoening, innerlijke vrede, verbondenheid. Dat is brood van leven, van eeuwig leven.

pastor Leo Nederstigt

 

Preek op 9 augustus 2009 in de Anna – Bonifatius
Lezingen: 1.Kon.19, 4 -8 en Joh. 6, 41 -51 

Zusters en broeders, 

‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald”. Dat heeft Jezus gezegd. En dat schiet bij veel toehoorders in het verkeerde keelgat. ‘Brood uit de hemel ‘ roept bij hen de herinnering op uit het manna van de woestijn. Het hoort bij de verhalen, die belangrijk zijn voor hun eigenheid. Het is eigen aan het volk dat er manna is gegeven in de tijd van afhankelijkheid, dorheid en droogte. Door dat manna heeft het volk ten diepste beleefd dat het afhankelijk was van de Heer en ten diepste verbonden met elkaar.  

Dat manna was gegeven door middel van Mozes hun leider. Misschien was het voor sommigen niet zo moeilijk om in Jezus een nieuwe Mozes te herkennen. Maar deze Mozes , Jezus, bemiddelt niet tussen God en mensen. Hij vraagt God niet namens het volk om brood. Nee, Jezus zegt van zichzelf “ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald”. Hij wijst naar zichzelf. En dat is het wat de Joden niet goed kunnen hebben. Gaat het hier niet gewoon om een joodse jongen van wie ze de familie wel kennen? Hoe kan Hij zeggen dat hij brood is dat uit de hemel is neergedaald?  

Brood is voor ons al bijzonder. Het heeft een bijzondere lading. We zeggen dat we ons brood verdienen of dat er brood op tafel moet komen. We spreken over het zuur verdiende brood. Brood staat voor leven. Als er over brood uit de hemel wordt gesproken, dan wordt er ook gedacht aan het Woord van de Heer. Net als het brood werden ook de woorden van God in de woestijn gegeven. In het bijzonder de tien Woorden of geboden, richtingwijzers om te leven werd het volk aangeboden. Dat was geen geschenk om het leven te beperken of krampachtig te maken. Het waren richtingwijzers om te leven. Als je deze woorden ernstig neemt, dan vind je leven. Dan ga je het goed maken. 

Dat kan heel belangrijk zijn. In de eerste lezing hoorden we een verhaal dat we wel herkennen. Elias heeft heel wat achter de rug. Door zijn oprechtheid heeft hij de vrouw van koning Achab, Izebel tegen zich in het harnas gejaagd. Deze vrouw is buitengewoon gecharmeerd van de Baal -godsdienst. Ze probeert elementen van deze cultuur ingeburgerd te krijgen. Maar Elias gaat als profeet van de Heer daar fel tegen in. Niet lang vóór dit verhaal heeft hij het opgenomen tegen profeten van Baäl. Het offer dat wordt opgericht voor de levende God is een waarachtig offer.

Dat wordt geaccepteerd door de levende God. De profeten van Baäl krijgen dat niet voor elkaar. Hun offer vat geen vlam. Maar dat doet het offer van Elia, dat wordt opgedragen voor de Levende God, wel. De profeten van Baäl verliezen niet alleen hun gezicht. Ze verliezen door toedoen van Elias ook hun leven. En dat zet kwaad bloed bij Isabel. Zij zweert hem te zullen doden. In deze situatie is Elias op de vlucht en doodmoet strijkt h8ij neer onder een struik. Hij wil sterven. Tot twee maal toeWordt hij wakker gemaakt door een engel van de Heer. Hij moet eten en drinken en in de kracht daarvan kan hij verder. Ongetwijfeld heeft Elias meer gehad dan enkele lichamelijk voedsel. Hij heeft inspiratie gekregen. Er zijn ongetwijfelde hoopgevende richtingwijzer geweest, die hem de moet gaven om weer verder te gaan. Hij heeft brood ten leven gegeten.Dat moet Jezus bedoelen als Hij spreekt over ‘brood des levens”. Hij is dat niet alleen komen brengen, zoals Mozes het manna bracht. Hij is zelf het Brood des levens. Hij wijst op zijn eigen persoon. 

Ik denk aan een liefdesgedicht van Hans Andreas: ‘ Ik heb je liever dan brood’, zegt hij tot zijn geliefde. Hij geeft daarmee aan, dat zijn geliefde iemand is voor iedere dag. Ze vult zijn leven. Ze houdt hem in leven en geeft het leven zin en samenhang.’ Ik heb je liever dan brood’. Jezus nodigt ons als het ware uit Hem liever dan brood te willen.

Jezus is Manna, brood dat we ons niet kunnen toe-eigenen, waar we niet de baas over zijn. Hij is brood, dat ons  in leven houdt of leven geeft. Hij is brood, waardoor we met ons schuldige verleden kunnen leven. Hij is Brood waardoor we zin en samenhang vinden in ons leven. Hij is brood, dat wij eten om steeds meer op Hem te gaan lijken en daardoor meer licht, warmte en liefde op deze aarde kunnen brengen.

 ‘Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld’. Daar eindigt het Evangelie van vandaag mee. Brood en vlees waren producten uit de woestijn. De Joden ontvingen niet alleen het Manna. Regelmatig vlogen er ook kwartels rond. Ze namen die en aten er van. Brood en vlees werd gegeten in de woestijn. In die dorre tijd heeft Israël ontdekt wie ze was.: Een pelgrimsvolk, dat onder de hoede van de Allerhoogste op weg was naar het beloofde land. 

We zijn niet minder of meer dan het Joodse volk. We mogen pelgrims zijn op weg naar God, bij wie onze bestemming ligt. Dat is een lange weg en zeker geen gemakkelijke weg. Op die weg ontvangen we voedsel. Dat is de levende Heer zelf. Dat is Christus. We kunnen Hem ontmoeten in de woorden van de Schrift. We kunnen Hem ontmoeten in de mens die vandaag of morgen, gewild of ongewild op onze weg komt. We kunnen Hem ontmoeten in de sacramenten, vooral in de Eucharistie, die we hier dikwijls mogen vieren.

 ‘Ik ben het levende brood’. We worden uitgenodigd ons te binden aan Jezus de levende. Hij geeft ons leven niet alleen zin en samenhang. Hij biedt ons ook de ruimte aan, waarin we voor elkaar en voor anderen mens kunnen worden, Gods koninkrijk kunnen  zoeken en beleven en het mooiste in ons laten groeien en bloeien.

Pastor Leo Nederstigt

Preek in de Gerardus op 6 september 2009
Lezingen: Jes. 35, 4 -7 en Marcus 7, 31 -37
 

Zusters en broeders, 

Is het geluk als je de 100.000 wint of het miljoen? Ik ken iemand die dat jarenlang is overkomen. Ze hield op met werken. Ze kocht alles waar ze zin in had. Maar na een tijdje was het geld op en kwam de harde werkelijkheid weer op haar af. Mogen we dan niet uitzien naar zulke dingen die al dan niet kortstondig geluk beloven?  De Bijbel staat vol met dromen en visioenen voor de toekomst. ‘De woestijn zal bloeien”, dat is een dergelijk visioen. We zingen er vandaag over als slotlied. Het lied is gemaakt naar aanleiding van het hoofdstuk van de profeet Jesaja, dat we vandaag hebben gelezen. De profeet wil mensen een hart onder de riem steken. De werkelijkheid is grauw en uitzichtloos. Maar er komt redding. Die redding betekent dat de ogen van blinden weer opengaan en dat de doven weer zullen horen. Lammen zullen springen als een hert en de tong van degene die niet kon spreken zal jubelen. En dan die fonteinen, die rivieren en beken, die weer gaan stromen in dor en droog land? Dat is ook een droom? Maar er is een verschil met de droom van het winnen van het miljoen in de loterij. Als je die wint, verander je zelf nauwelijks. Hoogstens word je wat hebzuchtiger. De droom, waar het hier over gaat heeft te doen met Gods werk, met Zijn aanwezigheid. Dat verandert je. Daardoor kom je in beweging. En zulke dromen houden blijkbaar langer stand. Ze zijn bestand tegen de lange duur, de ongerijmde dingen van het leven, het verdriet en het gemis. 

De dromen van God komen uit, ook al laten ze soms lang op zich wachten. Van dat vertrouwen is de Bijbel vol. In dat vertrouwen kunnen wij leven, bestaan en voortgaan.Dromen worden waar. Daarom lezen we het Evangelie. In dit verhaal blijkt dat doven horen en mensen, die niet kunnen spreken, correct gaan praten. Dat is een bemoediging voor mensen die de moed verloren. Kijk, het gebeurt toch. Kijk naar Jezus. In deze gebeurtenis maar ook uit zoveel andere dingen blijkt dat de toekomst die God beloofd heeft aan het gebeuren is. 

Het is de moeite waard om nog eens naar dat Evangelieverhaal te kijken. Ik wil dat graag met u doen. 

Allereerst valt me op dat het wonder plaats vindt aan de rand van Israël, niet in Jeruzalem, niet in Galilea. We vinden Jezus vaak aan de rand. Het lijkt wel alsof Hij ons wil uitnodigen niet enkel naar het middelpunt te trekken. Aan de rand vinden belangrijke gebeurtenissen plaats. Daar gaat Hij aan het werk. Die rand wordt nog sterker als er staat, dat Jezus de gehandicapte man terzijde neemt. Hij wil geen pottenkijkers bij dat tamelijk intieme gebeuren dat plaats vindt. Intiem is het zeker. Vingers worden in de oren gestopt. De tong wordt met speeksel aangeraakt. De serene manier waarop dit wordt beschreven maakt dit gebeuren niet tot iets vies, eerder tot iets respectvols . De zieke wordt door Jezus aangeraakt. Maar wel met eerbied en met zorg. 

Dan horen we dat vreemde woord. Het is geen Grieks of Hebreeuws. Het is een woord uit de volkstaal. Het is Aramees, een taal die niet officieel was, maar wel gesproken werd door mensen uit het land. ‘Effetah’, zegt Jezus. Zegt Hij het? Je zou eerder kunnen zeggen dat dit woord voortkomt uit een diepe zucht. Jezus zucht heel diep: Effetah, ga open…In het officiële doopritueel is dit woord terecht gekomen. De pastor moet de mond en de oren van de dopeling aanraken en zegt dan: Effetah, ga open. Over het algemeen kan een dopeling wel spreken en horen. Toch worden die belangrijke zintuigen aangeraakt. Blijkbaar moeten ze toch opengaan. 

De traditie heeft dit wonder altijd ruim gezien. Het is geen kunstje. Jezus is geen tovenaar. Je kan dit eerder een teken noemen.  Jezus verricht een teken. Dat teken is dat Hij in staat is ons zo aan te raken, dat we echt opengaan. Ik bedoel dat het niet enkel de zieke man, die door anderen bij Jezus is gebracht, genezen moet worden. Ook wij zijn het die voor Jezus staan met het verlangen open te gaan. Ook wij hebben genezing nodig. I

n het begin sprak ik over onze hoop de loterij te winnen. Ik zou het ook eerlijk gezegd heel fijn vinden als er in onze buurt wat meer loterijen zouden worden gewonnen, zodat er meer mensen uit de schulden komen. Maar zelfs dat vervult niet onze diepste verlangen. Ons diepste verlangen is gericht op Gods aanwezigheid, die de werkelijkheid een ander kleur geeft: grond om op te staan, toekomst die ons wacht, licht op onze weg. We kunnen zo opengaan, dat we de werkelijkheid met nieuwe ogen kunnen zien, dat we horen wat gehoord moet worden en dat ook gaan doen. We kunnen zo spreken dat anderen daardoor worden bemoedigd en niet worden afgebroken of vernederd. Ik meen echt dat er iets verandert als onze oren en onze mond worden aangeraakt door Jezus, die de dove doet horen en de sprakeloze doet spreken. 

We veranderen. We kunnen opengaan voor de Bijbelse dromen en visioenen. Een dergelijk droom wordt ons in de eerste lezing voorgehouden. Moeten we het allemaal zo concreet zien.? 

Als slot van de viering gaan we het lied van de steppe zingen. We zingen dat graag. Maar we blijven nuchtere mensen. Morgen is de droom nog geen werkelijkheid. Of toch? Bij het zingen van dit lied krijg ik een warm gevoel. Het is alsof er toch iets gaat veranderen. De dingen hoeven niet te blijven zoals we zijn. We kunnen opengaan naar elkaar, zodat we elkaar wat meer begrijpen en waarderen. We kunnen opengaan naar mensen in nood, zodat ze zich werkelijk door ons gesteund weten. We kunnen opengaan naar de toekomst, zodat we die met moed en vertrouwen tegemoet gaan leven. We kunnen opengaan naar de mens naast ons met wie we al zoveel jaren in conflict leven.  

En we kunnen opnieuw gaan horen. We kunnen te midden van de herrie van deze wereld Gods stem gaan horen, die ons uitnodigt lief te hebben en te doen wat Hij van ons vraagt. We kunnen de klacht van de arme horen en de stem van degene, die nooit heeft durven spreken.  We kunnen opengaan om mens te worden en met elkaar te bouwen aan een wereld zoals die door God is bedoeld.

 

Pastor Leo Nederstigt 

 

 

 

Preek in de Anna Bonifatius op 20 september 2009
Lezingen: Wijsheid2,12.17 20 en Marcus 9, 30 -37 

Zusters en broeders, Het is een diep verlangen van de meeste van ons dat er vrede is.  Laat ik maar dichtbij beginnen. Je leeft niet rustig of prettig, als je met iemand een conflict hebt. En conflicten zijn er gemakkelijk gemaakt. Ze zijn er waar mensen hun leven met elkaar delen: ouders en kinderen, partners, familieleden.  Het is niet moeilijk om elkaar te kwetsen, te beledigen, pijn te doen. Ruzies kunnen voortkomen uit van alles en nog wat. Het kan zijn dat beloftes niet worden nagekomen. Jaloezie kan een rol spelen. Er kan wantrouwen zijn of oud zeer. Er is haast geen mens, die ontkomt aan ruzie, strijd, onenigheid of conflicten. Dat maakt het leven grijs en onaangenaam. 

Conflicten zijn niet altijd leuk. Ze kunnen wel noodzakelijk zijn. Soms zijn conflicten niet meer dan misverstanden die uitgepraat moeten worden. Soms zijn conflicten uitingen van een diepe onvrede of een bittere herinnering uit het verleden. Het kan weldadig zijn. Als dat gezien of erkend wordt. Zo kan er iets genezen of hersteld worden.Oorlogen of conflicten tussen landen hebben vaak diepe wortels. De machtswellust van Hitler heeft ook veel aanhang gekregen omdat er in het Duitsland van die dagen veel armoede was en er bergenhoge herstelbetalingen moesten worden afgedragen tengevolge van een vroegere oorlog. In Afrika en in andere gekoloniseerde landen is veel leed berokkend aan mensen. De gevolgen duren vaak nog jaren lang voort. De ruzie tussen katholieken en protestanten in Noord Ierland heeft meer te maken met het onderdrukkende Engeland dan met verschillen in geloofsovertuiging. Zowel Palestijnen als Joden hebben heel veel onrecht moeten verduren.  

Zo heerst er in onze wereld een klimaat van onvrede. Het verstoort levens van mensen. Het kost mensenlevens. Wat mensenhanden hebben opgebouwd wordt vernietigd. Een dergelijk klimaat voedt achterdocht, wantrouwen,geweld en criminaliteit.
Het is een diep verlangen van de meeste van ons dat er vrede is. Zijn wij totaal machteloos op dat gebied? Zijn wij alleen maar slachtoffers, die niets in te brengen hebben? Kunnen wij niets doen? 

Het thema van de vredesweek is en boeiend thema. ‘ Naar een nieuw klimaat van vrede’. Tegenover al het doemdenken wordt iets anders gepresenteerd. In plaats van het koesteren van onze gevoelens van onmacht wordt een voorstel gedaan. ‘Ga op zoek naar een nieuw klimaat van vrede`.  

Het thema spreekt me aan. Een klimaat van vrede? Het lijkt er op dat we onderhevig zijn aan een klimaat van onvrede, van geweld, van wantrouwen en onmenselijkheid. Zou het kunnen dat we echt kunnen werken aan een klimaat van vrede? Is het mogelijk dat er te midden van alle gewelddadigheid een weg is van verzoening, van recht, van vertrouwen?
Een aantal jaren geleden gingen er duizenden mensen de straat op om te protesteren tegen kernwapens. Het waren indrukwekkende demonstraties. Het heeft zeker goed gedaan. Maar na die demonstraties zijn de oorlogen niet opgehouden. Ik spreek dan nog niet eens van de kleine en grote ruzies in de kringen, waarin wij leven en werken. Je voelt dat er nog iets anders moet gebeuren. 

Op verschillende plaatsen in de wereld, ook in ons land, zijn scholen van vrede opgericht. Ik ken zo’n school in Egmond, in Lioba,het klooster van Benedictinessen. Jonge mensen worden uitgenodigd een week samen te komen om na te denken hoe je kan werken aan een klimaat van vrede. Ik heb zelf nooit aan zo’n week meegedaan, maar ik kan me wel voorstellen wat daar aan de orde moet komen. Je schept een klimaat van vrede als je leert je gevoelens van pijn en onrecht onder woorden te brengen. Je kan iets aan anderen duidelijk maken zonder harde woorden of geweld. Er zijn manieren waarop je vertrouwen kan versterken. Moet je dat in zo’n school leren? Het is goed, maar ik denk dat het leven ook een soort school kan zijn. En dat niet alleen. Het Evangelie is voor mij een boek van vrede. Als ik het Evangelie lees, dan kom ik telkens onder de indruk van de oplossingen die Jezus aan de hand doet en de suggesties die hij geeft. 

Wat biedt het Evangelie ons vandaag aan? Er is ruzie tussen de leerlingen. Wie is er eignelik de grootste, als Jezus in Zijn rijk gekomen is. De woordenwisseling, die angstvalling geheim wordt gehouden voor Jezus. Jezus gaat niet in  discussie, maar hij neemt een kind en zet het in het midden. Met kinderen wordt in de tijd van Jezus niet zachtzinnig omgesprongen. Ze hebben werkelijk niets te vertellen. Ze zijn uiterst kwetsbaar en genieten geen bescherming. Een kind is als het ware symbool voor wat zwak,nietig, eenvoudig en broos is.  Jezus vraagt de leerlingen zo’n kind serieus te nemen, maar niet alleen een kind, ook alle anderen die kwetsbaar zijn: zieken, gehandicapten, zwak begaafden, verdrietige mensen, zij die niet voor zichzelf kunnen opkomen. Als de zwakke in het midden wordt gezet als de mens om wie het eigenlijk gaat, dan verstomt de vraag naar wie de grootste is. ‘wie hen opneemt, neemt mij op’. Jezus heeft zich door zijn lijden en dood geschard bij de slachtoffers van die en van onze dagen. 

De eenvoudige, de kleinen, de kwetsbaren en de  slachtoffers ernstig nemen schept een klimaat van vrede. Ik weet wel dat wij bij onze ruzies onszelf vaak de gekwetste partij voelen. Vermoedelijk zal dat in het groot niet anders zijn. Maar zou het niet helpen om de rollen om te draaien en te zien, wie er nog meer slachtoffer zijn of kind van de rekening.Er valt veel te doen. Maar er valt nog meer te hopen. Die hoop wordt sterker, als we voor en met elkaar een klimaat scheppen, waar we er werkelijk mogen zijn, wat we ook achter de rug hebben, waar we ook vandaan komen en hoe arm of rijk we ook zijn. 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 4 oktober 2009
Lezingen: Gen. 2, 18 -24 en Mc. 10, 2 -16 

Zusters en broeders, 

Bij ons wordt Gerardus hartelijk gevierd en onthaald. Het is haast onvoorstelbaar dat deze man in zijn leven meer malen is afgewezen. Gerardus hield van de kerk. Hij bad graag. Hij had heel graag te maken met ‘mijn lieve God`, zoals hij de Heer noemde. Maar hij werd afgewezen door de kapucijnen. Die vonden Gerardus te zwak. En toen de redemptoristen in  Muro, de geboorteplaats van Gerardus kwamen om de mensen tot bekering op te roepen, was Gerardus niet uit het huis weg te slaan, waar ze verbleven. Ze vonden hem een aardige jongen, maar niet geschikt om zich bij hun congregatie aan te sluiten. Zijn moeder wilde dat ook niet. Ze sloot Gerardus op in zijn kamer op het moment dat de paters het stadje verlieten. Maar Gerardus ontsnapte en ging de paters achterna. Uiteindelijk mocht hij het proberen. ‘Ik zend je een nietsnut’, zo werd deze jongen aangeprezen. 

Nog eens werd hij sterk afgewezen. Het scheelde maar een haartje of hij was de congregatie uitgestuurd. Hij werd er van verdacht  er intieme praktijken met een dame op na te houden. Hij moest boete doen en werd overgeplaatst. Uiteindelijk bleek het niets minder dan later te zijn, waar hij het slachtoffer van werd. 

Een man, die nog geen 30 werd en ooit werd afgewezen, omdat hij te ziek, te zwak en te onbeduidend was, is patroon van onze parochie geworden. Zou dat wellicht komen, omdat in onze buurt vele mensen woonden of hebben gewoond, die zich door anderen afgewezen hebben gevoeld of dat ook in werkelijkheid werden?  De Indische buurt  had samen met nog een paar andere buurten in Amsterdam geen goede naam. Voor veel Amsterdammers is het nog steeds een buurt, waar je niets te zoeken hebt. Maar wij weten wel beter. 

Trouwens, het lijkt wel alsof onze Heer een zekere voorkeur heeft voor mensen die zich afgewezen voelen. Hij neemt hen aan. Hij aanvaardt ze. Hij zet ze haast op een troon.Ik wil daarom de lezingen, die we op dit feest lazen en die overal in de wereld worden gelezen in dat licht naar voren brengen. ‘De Heer neemt mensen aan die door anderen worden afgewezen of opzij worden geduwd..` 

Een eerste voorbeeld is tamelijk duidelijk. Daar begin ik dan ook maar mee. Als Jezus een aantal mensen op zich heen heeft verzameld om het blijde nieuws te vertellen, komen er een paar moeders aan met kinderen. Ze willen hen laten zegenen. De leerlingen doen wat in die dagen gewoon was te doen. Kinderen hoorden  – zoals momenteel nogal eens het geval is – niet in het centrum van de belangstelling te staan. Kinderen werden naar de zijkant geschoven. Ze telden niet mee.  In de ogen van de leerlingen heeft Jezus wel wat belangrijkers te doen dan zich te bemoeien met kinderen. Ze wijzen de kinderen en hun moeders af. Gelukkig krijgt Jezus dat in de gaten. Hij wijst de leerlingen terecht en roept de kinderen. Hij zegent ze en Hij verbindt er een les aan. ‘Het koninkrijk van God behoort aan hen’. En: Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er niet binnengaan’.’Kinderen die werden afgewezen worden door de Heer juist in het centrum geplaatst. 

Mag ik op die manier naar het eerste gedeelte van de lezing gaan. Ouderen onder ons weten dat het precies deze lezing is, die op een huwelijksdag werd voorgelezen. Ze was ook diep in het hart van velen geprent. Als je in de  kerk trouwt, is scheiden uit den boze. Jezus heeft dat zelf gezegd. 

Het is goed te weten, dat het hier niet om een soort juridische wet gaat. Dat ligt niet in de aard van Jezus. Hij antwoordt op een vraag van buiten. Die vraag luidt: ‘Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten? Eigenlijk is dat een verschrikkelijke vraag. Die vraag klinkt ongeveer als”Mag een man doen wat hij wil?` En u en ik weten, welke verschrikkelijke dingen er kunnen gebeuren, als een man binnen of buiten het huwelijk maar doet wat hij wil.Hoe reageert Jezus? Gaat hij de puntjes op de i zetten? Gaat Hij uitleggen waar de grenzen en mogelijkheden van de wet in gelegen zijn. Nee, dat doet Hij niet. Hij gaat terug naar de oorsprong, naar het boek Genesis. Daarin wordt uitgelegd, hoe het zit met man en vrouw. Ze zijn elkaar tot hulp gegeven. Zij zijn elkaars antwoord. God heeft de mens geschapen: mens en mensin, man en vrouw. Met een mens mag niet zomaar aangerommeld worden. En vrouw en een man moeten elkaar met grote eerbied bejegenen. Van wegsturen kan geen sprake zijn. Dan zou het zijn alsof het de ene mens geoorloofd is de ander weg te doen, af te wijzen, kapot te maken als een ding. Dat mogen mannen niet doen met vrouwen. En als Jezus zoiets zegt, dan is dat in de cultuur van die dagen behoorlijk radicaal. 

Ook hier heeft Jezus een antwoord op mensen die afgewezen worden of weggedaan.Veel uitleggers van dit hoofdstuk zeggen dat het hier niet gaat om een huwelijk tussen man en vrouw, maar om het huwelijk van God en de mens. Jezus is op weg naar Jeruzalem. In de loop van de tijden heeft Jeruzalem ontrouw laten zien. Jezus is de bruidegom, die op weg gaat naar Jeruzalem. Door zijn aanwezigheid, door zijn lijden, dood en verrijzenis laat hij zien, dat God Jeruzalem weer in genade en liefde aanvaardt. God blijft trouw aan Zijn verbond. Wat hij verbonden heeft, dat kan geen mens kapot maken. God zal nooit scheiden van de mens. Hij zal de mens nooit afwijzen. Dat is het eerste en juist daarom zijn wij in staat en worden we uitgenodigd trouw te zijn aan elkaar en elkaar te aanvaarden ook met onze donkere kanten. Terug naar Gerardus. Hij is heilig verklaard. Jarenlang hadden mensen die verklaring niet nodig. Hij was in hun ogen al lang heilig.  Hij is heilig omdat in deze eenvoudige mens, die maar kort heeft geleefd iets belangrijks zichtbaar is geworden. Dat belangrijke is, dat God niemand afwijst. Hij wijst de zieke niet af, de weduwe niet, de kinderen niet, de gescheiden mensen niet, de homoseksuele mens niet, de werkeloze niet, de oudere niet, Hij heeft met de mens een verbond gesloten. Wij hoeven maar antwoord te geven op Zijn woord van liefde en trouw. 

Gerardus heeft dat gedaan. Hij had ook een heel andere kant op kunnen gaan. Hij had zich terug kunnen trekken in klaagzangen, bitterheid en teleurstellingen. Daar was alle reden voor geweest. Hij deed het niet. Zijn antwoord was, dat Hij zich heel bijzonder en heel sterk wilde binden aan Hem die zich aan de mens heeft gebonden: Aan Jezus Christus, die oog had voor de uitgestoten mens en zover is gegaan dat Hij zelf werd afgewezen en uitgestoten. En die hechting van Gerardus heeft hem tot een waardevol, liefdevol mens gemaakt, die terecht en met ere patroon is van onze kerk. Als we in zijn voetspoor gaan, dan volgen we de weg van Onze Lieve Heer, die ieder van ons aanvaardt in Zijn liefde en in Zijn trouw.

Pastor Leo Nederstigt

Preek in de Gerardus op 4 oktober 2009
Lezingen: Gen. 2, 18 -24 en Mc. 10, 2 -16 

Zusters en broeders, 

Bij ons wordt Gerardus hartelijk gevierd en onthaald. Het is haast onvoorstelbaar dat deze man in zijn leven meer malen is afgewezen. Gerardus hield van de kerk. Hij bad graag. Hij had heel graag te maken met ‘mijn lieve God`, zoals hij de Heer noemde. Maar hij werd afgewezen door de kapucijnen. Die vonden Gerardus te zwak. En toen de redemptoristen in  Muro, de geboorteplaats van Gerardus kwamen om de mensen tot bekering op te roepen, was Gerardus niet uit het huis weg te slaan, waar ze verbleven. Ze vonden hem een aardige jongen, maar niet geschikt om zich bij hun congregatie aan te sluiten. Zijn moeder wilde dat ook niet. Ze sloot Gerardus op in zijn kamer op het moment dat de paters het stadje verlieten. Maar Gerardus ontsnapte en ging de paters achterna. Uiteindelijk mocht hij het proberen. ‘Ik zend je een nietsnut’, zo werd deze jongen aangeprezen. 

Nog eens werd hij sterk afgewezen. Het scheelde maar een haartje of hij was de congregatie uitgestuurd. Hij werd er van verdacht  er intieme praktijken met een dame op na te houden. Hij moest boete doen en werd overgeplaatst. Uiteindelijk bleek het niets minder dan later te zijn, waar hij het slachtoffer van werd. 

Een man, die nog geen 30 werd en ooit werd afgewezen, omdat hij te ziek, te zwak en te onbeduidend was, is patroon van onze parochie geworden. Zou dat wellicht komen, omdat in onze buurt vele mensen woonden of hebben gewoond, die zich door anderen afgewezen hebben gevoeld of dat ook in werkelijkheid werden?  De Indische buurt  had samen met nog een paar andere buurten in Amsterdam geen goede naam. Voor veel Amsterdammers is het nog steeds een buurt, waar je niets te zoeken hebt. Maar wij weten wel beter. 

Trouwens, het lijkt wel alsof onze Heer een zekere voorkeur heeft voor mensen die zich afgewezen voelen. Hij neemt hen aan. Hij aanvaardt ze. Hij zet ze haast op een troon.Ik wil daarom de lezingen, die we op dit feest lazen en die overal in de wereld worden gelezen in dat licht naar voren brengen. ‘De Heer neemt mensen aan die door anderen worden afgewezen of opzij worden geduwd.

` Een eerste voorbeeld is tamelijk duidelijk. Daar begin ik dan ook maar mee. Als Jezus een aantal mensen op zich heen heeft verzameld om het blijde nieuws te vertellen, komen er een paar moeders aan met kinderen. Ze willen hen laten zegenen. De leerlingen doen wat in die dagen gewoon was te doen. Kinderen hoorden  – zoals momenteel nogal eens het geval is – niet in het centrum van de belangstelling te staan. Kinderen werden naar de zijkant geschoven. Ze telden niet mee.  In de ogen van de leerlingen heeft Jezus wel wat belangrijkers te doen dan zich te bemoeien met kinderen. Ze wijzen de kinderen en hun moeders af. Gelukkig krijgt Jezus dat in de gaten. Hij wijst de leerlingen terecht en roept de kinderen. Hij zegent ze en Hij verbindt er een les aan. ‘Het koninkrijk van God behoort aan hen’. En: Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er niet binnengaan’.’Kinderen die werden afgewezen worden door de Heer juist in het centrum geplaatst. 

Mag ik op die manier naar het eerste gedeelte van de lezing gaan. Ouderen onder ons weten dat het precies deze lezing is, die op een huwelijksdag werd voorgelezen. Ze was ook diep in het hart van velen geprent. Als je in de  kerk trouwt, is scheiden uit den boze. Jezus heeft dat zelf gezegd. 

Het is goed te weten, dat het hier niet om een soort juridische wet gaat. Dat ligt niet in de aard van Jezus. Hij antwoordt op een vraag van buiten. Die vraag luidt: ‘Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten? Eigenlijk is dat een verschrikkelijke vraag. Die vraag klinkt ongeveer als”Mag een man doen wat hij wil?` En u en ik weten, welke verschrikkelijke dingen er kunnen gebeuren, als een man binnen of buiten het huwelijk maar doet wat hij wil.Hoe reageert Jezus? Gaat hij de puntjes op de zetten? Gaat Hij uitleggen waar de grenzen en mogelijkheden van de wet in gelegen zijn. Nee, dat doet Hij niet. Hij gaat terug naar de oorsprong, naar het boek Genesis. Daarin wordt uitgelegd, hoe het zit met man en vrouw. Ze zijn elkaar tot hulp gegeven. Zij zijn elkaars antwoord. God heeft de mens geschapen: mens en mensin, man en vrouw. Met een mens mag niet zomaar aangerommeld worden. En vrouw en een man moeten elkaar met grote eerbied bejegenen. Van wegsturen kan geen sprake zijn. Dan zou het zijn alsof het de ene mens geoorloofd is de ander weg te doen, af te wijzen, kapot te maken als een ding. Dat mogen mannen niet doen met vrouwen. En als Jezus zoiets zegt, dan is dat in de cultuur van die dagen behoorlijk radicaal. 

Ook hier heeft Jezus een antwoord op mensen die afgewezen worden of weggedaan.Veel uitleggers van dit hoofdstuk zeggen dat het hier niet gaat om een huwelijk tussen man en vrouw, maar om het huwelijk van God en de mens. Jezus is op weg naar Jeruzalem. In de loop van de tijden heeft Jeruzalem ontrouw laten zien. Jezus is de bruidegom, die op weg gaat naar Jeruzalem. Door zijn aanwezigheid, door zijn lijden, dood en verrijzenis laat hij zien, dat God Jeruzalem weer in genade en liefde aanvaardt. God blijft trouw aan Zijn verbond. Wat hij verbonden heeft, dat kan geen mens kapot maken. God zal nooit scheiden van de mens. Hij zal de mens nooit afwijzen. Dat is het eerste en juist daarom zijn wij in staat en worden we uitgenodigd trouw te zijn aan elkaar en elkaar te aanvaarden ook met onze donkere kanten. 

Terug naar Gerardus. Hij is heilig verklaard. Jarenlang hadden mensen die verklaring niet nodig. Hij was in hun ogen al lang heilig.  Hij is heilig omdat in deze eenvoudige mens, die maar kort heeft geleefd iets belangrijks zichtbaar is geworden. Dat belangrijke is, dat God niemand afwijst. Hij wijst de zieke niet af, de weduwe niet, de kinderen niet, de gescheiden mensen niet, de homoseksuele mens niet, de werkeloze niet, de oudere niet, Hij heeft met de  mens een verbond gesloten. Wij hoeven maar antwoord te geven op Zijn woord van liefde en trouw.  

Gerardus heeft dat gedaan. Hij had ook een heel andere kant op kunnen gaan. Hij had zich terug kunnen trekken in klaagzangen, bitterheid en teleurstellingen. Daar was alle reden voor geweest. Hij deed het niet. Zijn antwoord was, dat Hij zich heel bijzonder en heel sterk wilde binden aan Hem die zich aan de mens heeft gebonden: Aan Jezus Christus, die oog had voor de uitgestoten mens en zover is gegaan dat Hij zelf werd afgewezen en uitgestoten.

En die hechting van Gerardus heeft hem tot een waardevol, liefdevol mens gemaakt, die terecht en met ere patroon is van onze kerk. Als we in zijn voetspoor gaan, dan volgen we de weg van Onze Lieve Heer, die ieder van ons aanvaardt in Zijn liefde en in Zijn trouw.

Pastor Leo Nederstigt

 

 

 

Laatste aanpassing op donderdag 15 oktober 2009 14:11