ABG Parochie

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Archieven

Van de zondagen

E-mail Afdrukken PDF

Preek in de Gerardus op 4 oktober 2009
Lezingen: Gen. 2, 18 -24 en Mc. 10, 2 -16 

Zusters en broeders, 

Bij ons wordt Gerardus hartelijk gevierd en onthaald. Het is haast onvoorstelbaar dat deze man in zijn leven meer malen is afgewezen. Gerardus hield van de kerk. Hij bad graag. Hij had heel graag te maken met ‘mijn lieve God`, zoals hij de Heer noemde. Maar hij werd afgewezen door de kapucijnen. Die vonden Gerardus te zwak. En toen de redemptoristen in  Muro, de geboorteplaats van Gerardus kwamen om de mensen tot bekering op te roepen, was Gerardus niet uit het huis weg te slaan, waar ze verbleven. Ze vonden hem een aardige jongen, maar niet geschikt om zich bij hun congregatie aan te sluiten. Zijn moeder wilde dat ook niet. Ze sloot Gerardus op in zijn kamer op het moment dat de paters het stadje verlieten. Maar Gerardus ontsnapte en ging de paters achterna. Uiteindelijk mocht hij het proberen. ‘Ik zend je een nietsnut’, zo werd deze jongen aangeprezen. 

Nog eens werd hij sterk afgewezen. Het scheelde maar een haartje of hij was de congregatie uitgestuurd. Hij werd er van verdacht  er intieme praktijken met een dame op na te houden. Hij moest boete doen en werd overgeplaatst. Uiteindelijk bleek het niets minder dan later te zijn, waar hij het slachtoffer van werd. 

Een man, die nog geen 30 werd en ooit werd afgewezen, omdat hij te ziek, te zwak en te onbeduidend was, is patroon van onze parochie geworden. Zou dat wellicht komen, omdat in onze buurt vele mensen woonden of hebben gewoond, die zich door anderen afgewezen hebben gevoeld of dat ook in werkelijkheid werden?  De Indische buurt  had samen met nog een paar andere buurten in Amsterdam geen goede naam. Voor veel Amsterdammers is het nog steeds een buurt, waar je niets te zoeken hebt. Maar wij weten wel beter. 

Trouwens, het lijkt wel alsof onze Heer een zekere voorkeur heeft voor mensen die zich afgewezen voelen. Hij neemt hen aan. Hij aanvaardt ze. Hij zet ze haast op een troon.Ik wil daarom de lezingen, die we op dit feest lazen en die overal in de wereld worden gelezen in dat licht naar voren brengen. ‘De Heer neemt mensen aan die door anderen worden afgewezen of opzij worden geduwd.

` Een eerste voorbeeld is tamelijk duidelijk. Daar begin ik dan ook maar mee. Als Jezus een aantal mensen op zich heen heeft verzameld om het blijde nieuws te vertellen, komen er een paar moeders aan met kinderen. Ze willen hen laten zegenen. De leerlingen doen wat in die dagen gewoon was te doen. Kinderen hoorden  – zoals momenteel nogal eens het geval is – niet in het centrum van de belangstelling te staan. Kinderen werden naar de zijkant geschoven. Ze telden niet mee.  In de ogen van de leerlingen heeft Jezus wel wat belangrijkers te doen dan zich te bemoeien met kinderen. Ze wijzen de kinderen en hun moeders af. Gelukkig krijgt Jezus dat in de gaten. Hij wijst de leerlingen terecht en roept de kinderen. Hij zegent ze en Hij verbindt er een les aan. ‘Het koninkrijk van God behoort aan hen’. En: Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God zal er niet binnengaan’.’Kinderen die werden afgewezen worden door de Heer juist in het centrum geplaatst. 

Mag ik op die manier naar het eerste gedeelte van de lezing gaan. Ouderen onder ons weten dat het precies deze lezing is, die op een huwelijksdag werd voorgelezen. Ze was ook diep in het hart van velen geprent. Als je in de  kerk trouwt, is scheiden uit den boze. Jezus heeft dat zelf gezegd. 

Het is goed te weten, dat het hier niet om een soort juridische wet gaat. Dat ligt niet in de aard van Jezus. Hij antwoordt op een vraag van buiten. Die vraag luidt: ‘Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten? Eigenlijk is dat een verschrikkelijke vraag. Die vraag klinkt ongeveer als”Mag een man doen wat hij wil?` En u en ik weten, welke verschrikkelijke dingen er kunnen gebeuren, als een man binnen of buiten het huwelijk maar doet wat hij wil.Hoe reageert Jezus? Gaat hij de puntjes op de zetten? Gaat Hij uitleggen waar de grenzen en mogelijkheden van de wet in gelegen zijn. Nee, dat doet Hij niet. Hij gaat terug naar de oorsprong, naar het boek Genesis. Daarin wordt uitgelegd, hoe het zit met man en vrouw. Ze zijn elkaar tot hulp gegeven. Zij zijn elkaars antwoord. God heeft de mens geschapen: mens en mensin, man en vrouw. Met een mens mag niet zomaar aangerommeld worden. En vrouw en een man moeten elkaar met grote eerbied bejegenen. Van wegsturen kan geen sprake zijn. Dan zou het zijn alsof het de ene mens geoorloofd is de ander weg te doen, af te wijzen, kapot te maken als een ding. Dat mogen mannen niet doen met vrouwen. En als Jezus zoiets zegt, dan is dat in de cultuur van die dagen behoorlijk radicaal. 

Ook hier heeft Jezus een antwoord op mensen die afgewezen worden of weggedaan.Veel uitleggers van dit hoofdstuk zeggen dat het hier niet gaat om een huwelijk tussen man en vrouw, maar om het huwelijk van God en de mens. Jezus is op weg naar Jeruzalem. In de loop van de tijden heeft Jeruzalem ontrouw laten zien. Jezus is de bruidegom, die op weg gaat naar Jeruzalem. Door zijn aanwezigheid, door zijn lijden, dood en verrijzenis laat hij zien, dat God Jeruzalem weer in genade en liefde aanvaardt. God blijft trouw aan Zijn verbond. Wat hij verbonden heeft, dat kan geen mens kapot maken. God zal nooit scheiden van de mens. Hij zal de mens nooit afwijzen. Dat is het eerste en juist daarom zijn wij in staat en worden we uitgenodigd trouw te zijn aan elkaar en elkaar te aanvaarden ook met onze donkere kanten. 

Terug naar Gerardus. Hij is heilig verklaard. Jarenlang hadden mensen die verklaring niet nodig. Hij was in hun ogen al lang heilig.  Hij is heilig omdat in deze eenvoudige mens, die maar kort heeft geleefd iets belangrijks zichtbaar is geworden. Dat belangrijke is, dat God niemand afwijst. Hij wijst de zieke niet af, de weduwe niet, de kinderen niet, de gescheiden mensen niet, de homoseksuele mens niet, de werkeloze niet, de oudere niet, Hij heeft met de  mens een verbond gesloten. Wij hoeven maar antwoord te geven op Zijn woord van liefde en trouw.  

Gerardus heeft dat gedaan. Hij had ook een heel andere kant op kunnen gaan. Hij had zich terug kunnen trekken in klaagzangen, bitterheid en teleurstellingen. Daar was alle reden voor geweest. Hij deed het niet. Zijn antwoord was, dat Hij zich heel bijzonder en heel sterk wilde binden aan Hem die zich aan de mens heeft gebonden: Aan Jezus Christus, die oog had voor de uitgestoten mens en zover is gegaan dat Hij zelf werd afgewezen en uitgestoten.

En die hechting van Gerardus heeft hem tot een waardevol, liefdevol mens gemaakt, die terecht en met ere patroon is van onze kerk. Als we in zijn voetspoor gaan, dan volgen we de weg van Onze Lieve Heer, die ieder van ons aanvaardt in Zijn liefde en in Zijn trouw.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Anna Bonifatius op 11 oktober 2009
Lezingen:  Wijsheid 7, 1 -11 en Mc. 10, 17 -30 

Zusters en broeders, 

In het boek ‘de nachtrein naar Lissabon´zijn de hoofdpersonen indringend bezig met de vraag of zijn wel goed gekozen hebben in hun leven. Door schijnbaar onbelangrijke dingen krijgt het leven een bepaalde loop. Wat zou er gebeurd zijn  als je die of die mens niet ontmoet had? Hoe zou je leven er uit zijn als je een heel ander beroep gekozen zou hebben? Gelukkig zijn we daar niet de hele dag mee bezig. Je zou misschien in de war raken, maar af en toe is het wel goed om pas op de plaats te maken en te kijken naar wat je achter de rug hebt en naar hoe je de weg zal vervolgen. 

De onbekende uit het Evangelie stelt zich zulke belangrijke vragen. ‘Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven”. Het is goed te bedenken dat met ‘eeuwig leven’ niet enkel het leven na de dood werd bedoeld. ‘Eeuwig leven `is vooral een met God verbonden leven, een leven van innerlijke vrede. Je doet wat jou weg is en wat jou te doen staat.  

Jezus geeft een antwoord, dat iedere vrome Jood zou geven.  Hij wijst naar de geboden, de tien geboden. Dat zijn immers richtingwijzer en aanwijspalen om een goed, een met God verbonden leven te leiden en in vrede te leven.  De onbekende man is een rechtvaardige. Al de dingen die geboden worden, doet hij. Hij volgt de weg die God in de bijbel wijst. Maar de onvrede en het innerlijke onbehagen zijn niet voorbij. 

Dan komt de reactie van Jezus. Hij doet iets en hij zegt iets. Wat Hij doet is ‘hem liefdevol aankijken`. Dat is niet niets. Als de ene mens de ander liefdevol aankijkt, dan is dat vaak een uiting van aanvaarding, van vertrouwen, van begrip. Voordat Jezus iets gaat zeggen, kijkt hij de onbekende mens liefdevol aan. Het is alsof Hij bij voorbaat begrijpt, welk effect Zijn woorden op de onbekende heeft. Als Jezus dan ook met de laatste indringende reactie komt, gaat de onbekende bedroefd heen. Hij heeft immers veel te verliezen. Jezus vraagt: ‘verkop alles wat u bezit en geef het aan de armen, kom dan terug om mij te volgen. 

Is Jezus te veeleisend? Hij vraagt veel, maar Hij blijkt heel veel begrip te hebben, als we dat vele niet kunnen volbrengen. Van de ene kant houdt Hij rekening met de menselijke maat en de grenzen, die er zijn. Van de andere kant opent Hij met Zijn woorden wel een wereld, waarin een mens echt, waarachtig en volop mag leven. Het lijkt of er heel wat te verliezen is, maar in werkelijkheid is er heel veel te winnen. 

Wat er te winnen valt, wordt duidelijk in de vraag van Petrus. Wat gebeurt er als je alles verlaat om Jezus te volgen? Ik weet dat er in het verleden mensen waren, die alles hebben verlaten. Ik wil pater Damiaan naar voren halen, die vandaag heilig wordt verklaard.  Deze man had ooit zijn veilige land verlaten om missionairs te worden op de Hawaï – eilanden. Dat was hem nog niet genoeg. Hij meldde zich aan om onder de melaatsen op het eiland Molokai te gaan werken. Dat deed hij jarenlang totdat hij, zelf melaats geworden, stierf te midden van de zieken, aan wie hij zijn leven had gegeven. Ja, van hem kan je zeggen dat hij alles had prijsgegeven. Wat kreeg hij er voor terug? Een ziekte? Onbegrip? Eenzaamheid? Al die dingen vielen hem ten deel, maar het vertrouwen en de vriendschap, die op zijn pad kwamen, waren kostbaar en onbetaalbaar. En rond zijn overlijden en daarna werd de zorg voor de melaatsen erkend, totdat de ziekte in onze dagen nog maar spaarzaam voorkomt.

Wat valt er te winnen? Je hoeft zover niet te gaan. Ik zie in ons eigen midden mensen, die hun leven geven, bijvoorbeeld voor een kind. Niet lang geleden sprak ik een vrouw, die jaren geleden en als jong meisje een kind had gekregen. De vader van het kind bleef buiten beeld. Maar zij nam het leven op zich. ‘Ik gá voor mijn zoontje”, bedacht ze. De keuzes, die ze vervolgens maakte en de levensstijl, die ze er op na hield, werden ingegeven door haar verlangen, dat haar zoon goed terecht zou komen. In dit geval heeft zij veel gewonnen: de sterke band met haar zoon, maar ook een goed en zinvol leven. 

We hoeven niet zo ver te gaan. Ik hoop dat niemand van ons het ‘verlaten van ouders en kinderen’ zo opvat, dat je geen aandacht meer aan hen kan besteden of dat precies dat het volgen van Jezus in de weg zou staan. Zo is het niet. Maar u en ik weten, dat het een kunst is, om zo om te gaan met je dierbaren, dat je ze niet claimt, ze niet tot jouw bezit maakt, maar hen juist ruimte geeft en vrij laat. Jij bent er voor je dierbaren. In zo’n ruimte kan je ruimte vinden voor je eigen weg en ook voor het volgen van de weg van Jezus. 

Ons leven hangt – zou je kunnen zeggen – van toevalligheden aan elkaar. Soms zijn keuzes nauwelijks keuzes te noemen of loopt het leven op een bepaalde manier door de dingen, die je meemaakt. Hebben wij gekozen voor Jezus en zijn weg? In mij leeft het sterke vermoeden, dat Hij het eerder is geweest, die ons gekozen heeft. Door zijn liefdevolle blik, die ooit onze ziel of onze levensgewoonten heeft geraakt, zijn we op Zijn weg terecht gekomen. 

We mogen die weg gaan. Onder ons zijn er veel rechtvaardigen. Ze doen wat er gedaan moet worden. Haast vanzelfsprekend onderhouden ze de richtingwijzers, de tien geboden.  Als Jezus meer van ons vraagt en het lukt u gewoon niet, dan hoeven we ons zelf niet slecht of onvolwaardig te voelen. De liefdevolle blik van de Heer blijft ons vasthouden. Maar als het ons zou lukken een stapje verder te gaan en veel los te laten, dan mogen we ons verheugen op het honderdvoudige van dat wat we losgelaten hebben. En u en ik weten, dat ware rijkdom verder gaat dan de hoofdprijs in de staatsloterij.

Pastor Leo Nederstigt

Preek in de Gerardus op 18 oktober 2009
Lezingen: Jes. 53, 11 -12 en Mc. 10, 35 -45 

Beste vrienden, broeders, 

Dat is met toch ook wat. Er zijn twee van de leerlingen van Jezus, die heel veel ambitie hebben. Hun moeder staat er ook achter. Ze willen de beste plaatsen innemen, als Jezus in Zijn heerlijkheid is gekomen. De rechter en de linkerplaats van hun Meester is voor hen.Ze zijn wel een beetje dom bezig. Weten zij veel, wat die heerlijkheid van Jezus is. Natuurlijk denken ze dat Jezus een of andere koning zal worden of minstens een minister president. Of een bankdirecteur. Hij zal de Romeinen die het land bezetten, verjaagd hebben. En zij willen dan een goede positie. Rechts en links van Jezus lijkt hun wel wat. 

Ze krijgen lik op stuk. Over de plaatsen gaan zij niet, zelfs Jezus gaat daar niet over. Zijn Vader bepaalt dat. En dat is maar goed ook. Niet lang na dit gesprek wordt Jezus gekruisigd. Dat is de heerlijkheid die Hem te wachten staat. Wie hangen er naast hem?Wie hangen er rechts en links van de grote Koning? Dat zijn twee moordenaars. 

Is het dan zo gek wat die twee willen? Ik vermoed dat de meeste van ons bezig zijn met de vraag: wat levert het op? Wat krijg ik er voor? Word ik er beter van? Dat is normaal.  Dat hoort bij ons. Als je al niet voor het grote geld gaat, dan wil je in ieder geval wat voorstellen. Ik ben de sterkste. Ik ben de beste kokkin. Ik ben de beste sporter. Ik ken geen betere vader dan ik. Ik ben pas een echte oma. Ik weet met kinderen om te gaan. Er zit in ons allemaal iets van die Johannes en Jacobus die de beste plaatsen willen hebben. En is dat nou zo gek? 

Nee, dat is niet gek. Dat is goed te begrijpen. Dat is normaal. Maar eerlijk gezegd is dat voor Jezus niet normaal. Hij draait de boel om. Wil je wat voorstellen, doe dan iets anders. Wie groot wil zijn, moet dienaar zijn van allen. Wie de eerste wil zijn, moet slaaf zijn van allen.Dienaren en slaven zijn niet de grootste. Ze zijn niet rijk. Ze bezitten geen macht. Ze zijn. Zou ik zeggen, kwetsbaar. Er zijn mensen, die ze sukkels of losers noemen.  

Zijn het ook doetjes? Dat lijkt er op. Maar ze zijn het niet. Ze hebben een keuze gemaakt. Het kan zijn, dat ze zich gewoon niet thuis voelen bij de grote mensen van onze wereld. Ze doen er niet aan mee. Dat willen ze niet. Ze voelen zich niet echt lekker bij mensen die menen dat ze geslaagd zijn in het leven en daarom reden hebben op anderen neer te kijken. 

In plaats daarvan zoeken ze mensen op, die ze kunnen ondersteunen. Soms is dat hun kleinkind, hun broertje, hun vader of hun moeder of een oude tante.  Soms is dat iemand in de buurt, die het niet zo getroffen heeft of een goede vriend, die een ongeluk heeft gehad.  

Een goede vriend van mij werkte op een bank. Hij deed het goed. Zijn baas wilde dat hij hoger op ging. Hij had de capaciteiten. Maar mijn vriend had er geen zin in. Hij heeft gekozen voor een menslievend beroep, waaraan niet zo veel geld vast zit: Geen mooie pakken, geen dikke portemonnee, niet het aanzien van de bankdirecteur. Hoe kwam die vriend daarop? Hij had een broertje, dat geestelijk gehandicapt was. Zijn leven lang stond hij achter dat broertje. Hij sleepte hem overal mee naar toe. Hij schaamde zich er niet voor dat hij raar sprak of wat langzamer was. En bij die manier van doen, voelde hij zich thuis. Hij voelde zich er zo lekker bij, dat hij gewoon geen zin meer had in dikdoenerij. En dat begon hij ook in verband te brengen met zijn geloof. Hij kreeg steeds meer het gevoel, dat de Heer hem die kant op duwde. En die vriend van mij is niet de enige. Ik weet zeker dat er zulke mensen ook in ons midden zijn.

Wat zegt Jezus: Kijk, om die mensen is het mij te doen. Van een dergelijk mentaliteit houd ik. En hij heeft het niet alleen gezegd. Hij heeft het ook gedaan. Hij is de weg gegaan van een dienaar, van een slaaf, niet van een belangrijk of groot mens. Hij werd geen heerser, geen krachtpatser. Hij werd zo kwetsbaar, dat Hij zichzelf uit handen gaf. Hij werd overgeleverd en stierf aan een kruis. 

Zusters en broeders, we worden uitgenodigd hem achterna te gaan. Gemakkelijk is het niet, maar we kunnen het. Het moet ons gaan lukken. Maar natuurlijk zijn we er nog lang niet. Dat geeft ook niet. Als die twee leerlingen met hun rare verzoek komen, dan zijn ze onderweg, niet alleen letterlijk, ook figuurlijk. Ze gaan een weg. Dat is in ons boekje niet zo duidelijk weergegeven, maar het staat echt in de Bijbel. Als dit twistgesprek tussen de leerlingen plaats vindt, dan zijn ze onderweg. Die leerlingen, met hun vreemde ambitie, die niet zo bij Jezus past, zijn nog niet waar ze wezen moeten. Ze hebben nog een weg te gaan. 

Ook wij zijn er niet. Nog niet. Maar er wordt ons tijd en gelegenheid gegund, om iets goeds en iets heel waardevols van ons leven te maken. Jezus zou zeggen: Word gewoon wie je al bent: mens, broeder, zuster kostbaar en waardevol, waard om te leven, waard om lief gehad te worden. Dat word je niet door groot te willen zijn, hoezeer we daartoe ook worden aangezet. We worden het door mens voor een mens te zijn.  


Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Anna Bonifatius op 25 oktober 2009
Lezingen: Jer. 31, 7- 9 en Mc. 10, 46 -52 

Zusters en broeders, 

De blinde bedelaar uit het Evangelie zit langs de weg, niet op de weg. Dat betekent dat hij niet meedoet. Hij doet niet mee met de leerlingen, die samen met Jezus op weg zijn gegaan naar Jeruzalem. Hij doet niet mee met de inwoners van Jericho, die hem waarschijnlijk een lastpost vinden, zeker als hij nog begint te schreeuwen. In andere opzichten is deze man ook nog een buitenstaander. Daar wijst zijn naam op. ‘Bar Timeüs’. Bar is de Aramese, niet de Hebreeuwse naam voor ‘zoon’ en Timeüs is een Griekse, geen Joodse naam. 

Bar Timeüs is niet de enige die langs de kant van de weg zit. Er zijn er velen. Jongeren kunnen zich een buitenstaander voelen. Als ze niet serieus genomen worden of als ze door iemand van wie ze hebben gehouden aan de kant zijn gezet. Ze zitten langs de weg, als ze niet begrepen voelen door ouders of andere geliefde mensen. Ouderen kunnen langs de weg zitten, als ze het gevoel krijgen niet meer mee te tellen. Sommige ouderen worden vooral geduld en meewarig bekeken. Ze zijn geworden tot mensen, aan wie je niet te veel tijd moet besteden. Mensen zonder werk of mensen met een handicap zijn mensen, die langs de kant van de weg zitten. En vergeet niet parochianen of andere gelovigen. Er zijn  er die zich door de parochie in het klein of door de kerk in het groot aan de kant voelen gezet. De taal die wordt gesproken is niet meer hun taal. Er wordt een beleid gevoerd, die niet herkend wordt. En wat de parochie betreft: Vertrouwde mensen, door wie ze gekend waren, zijn er niet meer. Mensen langs de kant van de weg zijn er genoeg. 

Maar van Bar Timeüs wordt nog meer gezegd. Hij is blind. Hij kan niet kijken. En hij is afhankelijk, afhankelijk van anderen. Ook dat is herkenbaar. Ook daar is hij niet de enige in. Van de week zat ik in de trein. Achter me zat een klein jongetje met zijn moeder. Hij stond een uur lang met zijn neus tegen de ruit gedrukt. Hij zag van alles en voorzag het een en ander ook van commentaar. Ik hoorde hem praten en af en toe zag hij dingen die ik nooit gezien had: Koeien en schapen, die volgens hem helemaal geen last hadden van de regen. Een man op de fiets, die volgens hem ging vissen. Boten op het kanaal, die af en toe zouden aanliggen, zodat de mensen op de boot een eind met de auto konden rijden. Toen hij moest uitstappen maakte hij aan alle inzittenden bekend dat hij naar Artis zou gaan, waar jagers de wolven zouden opjagen. 

Nu hoeft niet iedereen zo te kijken als dit jongetje, maar hij maakte mij wel duidelijk, dat we misschien wel zien, maar nog niet altijd kijken.  Heel veel dat je zogenaamd ziet, gaat langs je heen of raakt je niet. Als je kijkt, dan gebeurt er wat. Dan krijg je als het ware een verbinding met dat wat je waarneemt. Wat gebeurt er, als wij zeggen dat we het niet meer zien zitten? Is ons gezichtsvermogen dan aangetast? Nee, we kunnen iets niet meer van een andere kant bekijken. De fut is er uit. We missen de energie of de moed om echt te kijken. 

Als het zo met ons gesteld is, dat lijken we op Bar Timeüs. We zitten langs de weg. We missen het vermogen om naar de toekomst te zien. We zijn als blinden. We kunnen niet kijken.Maar de blinde komt wel in beweging. Wat doet hij? Hij roept en schreeuwt. Hij roept om Jezus. Hij spreekt Hem aan als zoon van David. Hij vraagt of Hij medelijden met Hem zal hebben. Hij roept om ontferming. Aanvankelijk mopperen de omstanders op hem en manen hem te zwijgen. Maar als Jezus gevraagd heeft, hem bij zich te roepen, draaien ze om. ‘Houd moed. Hij roept je. Wordt wakker. Sta op.` 

Hoe vindt de genezing plaats? Hier geen bijzondere aanrakingen. Allereerst gebeurt er iets bij de blinde. Hij gooit zijn mantel af. Dat is een haast symbolische handeling. Een arme heeft geen ander bezit dan zijn eigen mantel. Daarom is het in de Joodse wet verboden een mantel langer dan één dag in onderpand te houden. Jezus, vraagt wat Hij voor hem kan doen. De blinde uit zijn wens: ‘dat ik zien mag’. Jezus geeft als reactie:’ Ga uw geloof heeft u gered.Wat gebeurt er vervolgens met de blinde? Hij kan zien. En Hij volgt Jezus en de leerlingen op de weg. Eerst zat hij langs de weg. Nu gaat hij op de weg. 

Bar Timeüs, die in vele opzichten een buitenstaander, een paria was, hoort er nu bij. Bij wie?Hij hoort bij Jezus. Maar het is goed te weten, dat hij zich bij Jezus aansluit op een lastig moment. Jezus is namelijk op weg naar Jeruzalem. U en ik weten wat daar te gebeuren staat. Hij zal overgeleverd worden, lijden en sterven. Deze man moet dan toch wel heel goed weten dat hij doet. Hij moet als het ware goed zien, heel goed zien. Hij moet zien dat na lijden en dood verrijzenis zal plaats vinden, toekomst. Blijkbaar deert dat de man niet. Hij gaat moedig mee als volgeling van de Heer. 

Wat betekent dit verhaal voor ons. Wat betekent het, als we het gevoel hebben aan de kant van de weg te zitten of gewoon geen oog meer hebben om te kijken? Het is niet zo moeilijk om dergelijke gevoelens te koesteren. Er kan in ons heel veel bitterheid schuilen. We voelen ons gekwetst, verwaarloosd, te kort gedaan, niet gekend. Maar  hoe gaat ons leven dan verder? We worden langzaam aan zo krampachtig en onvrij. Er kan hele veel in ons leven gebeurd zijn of nog steeds gebeuren. Maar is dat een reden om het bijltje er bij neer te gooien? Blijven we ronddolen als blinden die niet kunnen of willen zien? Blijven we langs de kant van de weg zitten? 

Vandaag horen we de uitnodiging van Jezus om te vertrouwen, om te gaan en om te zien. Die uitnodiging is bij die ene man voldoende om Hem te volgen op de weg. Waarom zou dat bij ons niet kunnen? Die weg is geen gemakkelijke weg, maar wel een begaanbare weg die uiteindelijk toekomst biedt. 

En als we het gevoel hebben al op die weg te zitten en met moed en vertrouwen te leven, dan is voor ons wellicht de rol van de omstander weggelegd. De omstander spreekt de blinde moed in en herkent de roep van de Heer na de aanvankelijke aarzeling. 

De voortdurende uitnodiging van de Heer is aanwezig, maar ook het besef dat we het niet alleen kunnen. Dat hoeft ook niet. We kunnen roepen om ontferming. Het is geen schande om hulp te vragen. We zijn gelukkig als omstanders die roep horen en niet onmiddellijk tot zwijgen brengen. Het is gelukkig als we vertrouwen in de Heer kunnen opbrengen. Het is gelukkig als we daarbij de ondersteuning van anderen ontvangen.Heer ontferm u. Heer, wees goed voor ons, zodat we kunnen zien en u kunnen volgen, waarheen de weg ons ook leidt. 

Pastor Leo Nederstigt 

 

Overweging   

Wereldmissiedag 18 oktober Anna-Bonifatius en 25 oktober Gerardus Majella

Beste parochianen, 

Sommigen van jullie kennen mij wel, voor de anderen zal ik me even voorstellen. Ik ben lector en ook voorganger in de woord- en communiediensten in de Anna-Bonifatiuskerk. Ik heb sociale geografie gestudeerd, heb als sociaal-wetenschappelijk onderzoeker gewerkt en ben vijf jaar geleden theologie en pastoraal werk gaan studeren.

De driemaandelijkse reis, afgelopen winter, die mijn man en ik maakten in Zuid –Amerika startte direct na de presentatie van mijn afstudeerscriptie voor de studie. Bij het schrijven van de scriptie ontdekte ik hoe belangrijk het voor mij was om op zoek te gaan naar uitingen van verzoening. Verzoening, een term die ik meenam naar het door de Spaanse veroveraars in de 16e eeuw met geweld op de Inca’s en andere indianenstammen veroverde Zuid-Amerika. Verzoening staat voor herstel van verhoudingen, voor het vinden van een nieuw evenwicht in het omgaan van de mensen met elkaar. Bij verzoening kun je denken aan de verzoening tussen twee mensen of de verzoening tussen twee landen die eeuwenlang met elkaar op voet van oorlog verkeerden. Verzoening bewerkt een nieuw geheel met behoud van eigenheid. Ik zocht naar plekken waar verzoening  zichtbaar werd.

De geschiedenisboeken vertellen van geweld en intimidatie. De eigen cultuur en religie van de Indianen werd om zeep geholpen om een nieuwe vreemde religie te introduceren.Maar na het gewelddadige begin is er wel sprake van een situatie waarin zelfs nu nog zo’n 85% van de bevolking in de Zuid-Amerikaanse Andeslanden zich Katholiek noemt. Dat was niet te verwachten gezien de bruutheid waarmee de Spanjaarden te werk gingen. Tijdens onze reis vond ik het schrijnend te zien hoe de armoede van de hooglandindianen een schril contrast vormde met de uitbundige weelde van de grote katholieke kerken. De altaars werden toentertijd getooid met zilver uit de mijnen van Potosi in Bolivia. Daar werden de indianen naar toe gestuurd om onder erbarmelijke omstandigheden het zilver te delven waarmee de rijkdom en macht van de Spaanse katholieke koningen in Zuid-Amerika getoond moest worden. Maar de bouw van de grote kerken uit die tijd laat ook zien hoe de indiaanse kunstenaars in de 16e en 17e eeuw erin slaagden de symboliek van de eigen goden aan te brengen.

De indiaanse kunstenaar deed zijn best om de eigen religie levend te houden in de vormgeving van de ornamenten aan de binnen- en de buitenkant van de katholieke kerken, en daarnaast in de toepassing van indiaanse materialen en technieken. De grote franciscaanse kerk in La Paz, de hoofdstad van Bolivia is aan de buitenkant versierd met gebeeldhouwde abstracte weergaven van inheemse goden. Prachtig toch, deze poging om de oude religie te verzoenen met de nieuwe?Er ontstond een volksreligie en gebruiken die laat zien hoe het katholicisme alleen maar voet aan de grond kon krijgen door een mengeling toe te staan van katholieke en oorspronkelijke tradities. Waar en hoe zagen mijn man en ik tijdens onze reis deze mengeling?Dankzegging is in de volksreligie heel belangrijk.

Zoals we bij onze trektocht in de hoge Andes naar een Inca-heiligdom merkten. Onze vrouwelijke indiaanse gids goot steevast, voor ze een slokje Cola nam een scheutje op de grond van het flesje of blikje. Ook liet ze  een hap van het eten dat we ‘s avonds voorgezet kregen op de grond vallen. Een indiaan zal nooit vergeten moeder aarde (pacha mama) op deze manier te bedanken voor het eten dat ze geeft. Moeder Aarde, wat moet ik me daarbij voorstellen? De Pacha Mama staat voor bescherming; ze beschermt de mens, maakt het leven mogelijk en begunstigt de vruchtbaarheid. Onze gids noemde zich wel degelijk Rooms-Katholiek en vertelde dat ze in Cusco vaak de kerk bezocht.

Zo heb ik tijdens onze reis meerdere glimpen opgevangen van het spirituele dat op een geheel eigen wijze in de volksreligie vorm kreeg.Het meest raakte me de ontmoeting van een kleine indiaanse vrouw met Maria in een kerk in de stad Puno aan het op 4000 meter hoogte gelegen Titicacameer. De vrouw was gekleed in wijde lagen over elkaar heen gedragen rokken en een prachtig geborduurde bloes. Op het hoofd droeg ze de zo typerende bolhoed van de Aymaraindianen. Ze liep naar het links van het altaar in de kerk geplaatste beeld van Maria om haar aan te raken. Ik kwam als toerist de kerk binnen, een koele ruimte in de door de zon geblakerde stad.

Mijn ogen moesten nog wennen aan het schemerduister van de door de Spanjaarden met pracht en praal ingerichte kerk. En toen zag ik haar, eerbiedig bij Maria staand, geconcentreerd en bijna streng.Maria is overal in de steden en op het platteland te vinden, in en buiten de kerk. Ze is gekleed in een gewaad dat steevast haar postuur tot een driehoek maakt. De sluier loopt over in de blauwe overmantel die wijd om haar benen geplooid is. Het is de driehoekige vorm van de berg. De bergen die overal in deze landen te vinden zijn en vereerd worden als goden. Ook de Pacha Mama, de moeder aarde wordt in deze driehoekige vorm verbeeld en aanbeden. Ik zag Maria, of is het Pacha Mama, de moeder aarde? overal in haar schitterende gewaad staan in de autobusstations, in de kapelletjes en in de grote basilieken en kathedralen die de Spaanse overheerser in de steden bouwde.

Maria werd door de kleine indiaanse vrouw aangeraakt voor ze haar eigen lichaam aanraakte. Maria’s hoofd, haar eigen hoofd, Maria’s borst, haar eigen borst, Maria’s buik, haar eigen buik tot aan Maria’s voeten en haar eigen voeten toe. Wie ze nu precies om bijstand en bescherming vroeg wist ik niet, maar dat ze om bijstand en bescherming vroeg was duidelijk. Was het moeder aarde of was het de moeder van Jezus die ze om bijstand vroeg? Of was het een voor de indianen aanvaardbaar beeld van verzoening van de eigen indiaanse symboliek met christelijke beelden en symbolen?Ook viel me  op dat in veel kerken in Ecuador en Peru de opgehangen schilderijen van heiligen, zoals van de Heilige Franciscus prachtig gevat zijn in lijsten met spiegels erin verwerkt. Spiegels? Waarom spiegels? Spiegels wijzen volgens de oude indiaanse Inca-tradities op het licht en op het oude geloof dat degene die zichzelf in de spiegel als mooi ervaart.

Weet dat hij of zij een goed leven heeft geleid, wie een slecht leven leidt ziet zichzelf als lelijk. Weer zo’n blijk van de mogelijkheid die men toentertijd zag om een brug te slaan tussen een al aanwezige cultuur en traditie en de nieuwe godsdienst. Een  voorbeeld van het verzoenen van de eigenheid van de indiaanse religie met het katholicisme.In de loop van de eeuwen ontstond zo een volksreligie die opgebouwd is uit elementen van de oude tradities en de nieuwe traditie.Tijdens ons verblijf in een dorp in Ecuador stonden her en der in het dorp nog de triomfbogen van een feest. De bogen waren opgericht ter ere van een katholieke heilige. Achter de katholieke heiligen gaan stiekem de oude inheemse goden schuil, die op de naamdagen van de heiligen met vuurwerk onthaald en in processies feestelijk geëerd worden. Een aantal weken later in Peru, maakten we een dergelijke processie mee.

De processie wrong zich tussen de aaneengesloten rij eettentjes en de file van auto’s en bussen op de weg door. Met muziek en dans gaven de gemaskerde en in uitbundige gewaden gestoken mannen en vrouwen een prachtig beeld van hun cultuur. Hun cultuur bediende zich vanzelfsprekend van een mix van de katholieke en de traditionele indiaanse symbolen. We zagen hoeveel mensen op de stoeprand zaten te eten en te praten en in  de avondzon hun kinderen in de gaten hielden die in de drukte tussen de stoet en het verkeer speelden. Het was voor hen een alledaags beeld, een spirituele uiting die  vaak en uitbundig in de openbare ruimte plaatsvindt. Ter ere van een God, die zich in tijd en cultuur in wisselende vormen laat zien, bekleed met de voor de Andes-Indianen begrijpelijke en aansprekende  symboliek. Op wereldmissiedag worden we beschouwd als gevers en ontvangers.

Ik hoop dat onze reiservaringen tonen hoe dit geven en ontvangen mogelijk is. De volksreligie in de Andes heeft op eigen wijze de bodem gelegd onder het geloof dat ons  bindt. Ik hoop dat  ik aan de hand van de beelden van onze reis heb laten zien hoe in de volksreligie de beelden van God zich aanpassen aan de lokale situatie, zonder de essentie los te laten: geloof met elkaar delen en samen werken aan een betere wereld. We leren wereldwijd van elkaar om te geven en nemen, uitgaande van de verzoenende kracht van respectvol omgaan met de diversiteit aan beelden van onze God. Alleen onder zulke omstandigheden kan missie voet aan de grond krijgen en kunnen we ook dit jaar ruimharig voor Missio geven in de overtuiging dat noodlijdende parochies het goed zullen besteden.

Uschi Janssen

Preek in de Gerardus Majella op 15 november 2009
Lezingen: Daniël 12, 1 -3 en Mc.13, 24 -32 

Zusters en broeders, 

Samen met een goede kennis bezocht ik een tijdje geleden een inloophuis voor mensen, die nogal eens met hun ziel onder de armen lopen. Onder hen waren verslaafden, daklozen, mensen die hun vriend of vriendin kwijt waren. Anderen hadden geen contact meer met hun kinderen of familie. De meeste hadden ook geen werk en leefden van een uitkering of waren illegaal gemaakt. 

Na afloop van het bezoek praatten we nog even na. We deelden dezelfde gedachte en vragen. Hoe komt het toch dat het met ons niet zo gelopen is, als met deze mensen? Zijn we zo anders of zo beter? We hadden beide de achtergrond en de verhalen van verschillende bezoekers gehoord en zo begrepen we beter hoe verschillende van hen aan lager wal waren geraakt. Maar wij niet of nog niet. Dat had gekund als we het met verschillende dingen niet zo getroffen hadden of als we niet op de juiste tijd wat ondersteuning hadden ondervonden.  

Bij ons kwam het beeld van een koorddanser naar boven. Een koorddanser balanceert op een moeilijk evenwicht. Het is een wonder dat hij niet naar beneden valt. Mensen zijn als een koorddanser. Ze bewaren hun evenwicht, maar het kan ook mis gaan. We zijn kwetsbaar.Van de kwetsbaarheid van de mens hebben velen onder ons weet. Er zijn momenten in je leven dat je bij wijze van spreken nergens meer bent. Verlies van iemand met wie je het leven hebt gedeeld, kan een dergelijk moment zijn. Schulden die de pan uit rijzen kunnen je leven ontwrichten, zeker als ze door oorzaken van buiten af zijn ontstaan. Moeilijkheden op je werk of in je gezin kunnen je uit het lood slaan. Maar er zijn ook andere dingen, die ver weg lijken maar die soms ook heel dicht bij komen: rampen, terreurdaden, oorlogsdreiging, hongersnood.  

Toen het Evangelie werd opgetekend waren er ingrijpende dingen aan de hand. De eerste christenen werden heftig vervolgd onder keizer Nero. Ze mochten bij wijze van spreken niet bestaan. Marteling en dood dreigden. Toen de lezing uit Daniël werd opgetekend, werd de tempel van Jeruzalem helemaal ontwricht. Er werd een groot standbeeld van Zeus opgericht. Wat de gelovigen van die dagen hadden gevoeld als het belangrijkste in het leven, werd hen uit handen genomen. Ze werden gedwongen vreemde goden aan te hangen, een andere cultuur aan te nemen en de zorg voor de kleinen en de zwakken werd daardoor haast automatisch verwaarloosd en veronachtzaamd. 

Geen wonder dat mensen het gevoel hadden dat het einde van de wereld nabij was. En laten we maar eerlijk zijn: wat in die dagen gebeurde, is nog dikwijls herhaald. Augustinus, die in de vierde eeuw leefde, had ook het gevoel dat het einde nabij was. Overal vonden invallen van de barbaren plaats en de cultuur werd bedreigd. Vele mensen hadden het gevoel dat het einde rond het jaar 1000 zou plaats vinden. Heel veel mensen vluchtten klooster in. Heel Europa werd bezaaid met kloosters. Als mensen niet konden intreden, dan gaf men een deel van zijn kapitaal weg, om de stichting van klooster s mogelijk te maken. Zo probeerde men zeker te zijn van zijn heil. Als het einde was gekomen. Maarten Luther, die op het einde van de middeleeuwen werd geboren, had ook het gevoel dat het einde spoedig zou komen. We kennen allemaal de mensen, die langs de deuren gaan, om het einde aan te kondigen. 

Wat is onze reactie op deze verhalen en op dat wat we meemaken? Een veel voorkomende reactie is angst. We worden angstig als we onze eigen kwetsbaarheid onder ogen zien. We worden bang voor wat om ons heen gebeurt. We vertellen elkaar verhalen, hoe erg het is en hoe het nog erger zal worden. De schrik voor de toekomst slaat om ons hart. Maar is dat de bedoeling van de lezingen, die we hebben gehoord? 

Het boek Daniël, dat volgens sommige zo vol schrikwekkende dingen zit, wordt wel eens een troostboek genoemd. Uiteindelijk gaat het er om dat mensen bemoedigd en getroost worden, zodat ze de tijd waarin ze leven aankunnen. Dat geldt ook voor het laatste boek van de Bijbel, de Apocalyps en voor al de verhalen uit het Evangelie, die op deze boeken lijken. Het gaat er om dat we bemoedigd worden en ons vertrouwen in de toekomst en in de werkelijkheid van onze dagen niet verliezen. 

Die troost en die bemoediging worden niet op een zoetsappige manier gegeven.  De werkelijkheid wordt niet verdoezeld of versluierd. Zo is het ook. Het leven kan echt heel lastig zijn. Ik zie om me heen, hoe mensen met dat lastige omgaan. Ik kan begrijpen dat mensen vluchten. Het leven doet te veel pijn. Dan lijken drank of drugs, medicijnen of andere middelen een oplossing. Ze verzachten de pijn en halen je uit de harde werkelijkheid weg. Anderen raken verbitterd. Ze klagen tegen wie het maar wil horen. De werkelijkheid wordt zo zwart afgeschilderd, dat ze zich er bij wijze van spreken uit hebben teruggetrokken: verzuurd, verbitterd, afstandelijk. Een andere mogelijkheid is om alleen maar aan de leuke dingen te denken. Het ene feest volgt het andere op. Vakantie na vakantie. Er is niet veel op tegen, tenzij het ook de betrokkenheid op de werkelijkheid en op mensen in de weg staat. 

De lezingen roepen op tot vertrouwen. In de eerste lezing wordt Michaël naar voren geschoven, een bode van de Heer, die beschermt en voor ons opkomt. Ook in het Evangelie worden engelen genoemd, om te verzamelen en bijeen te brengen. Dan is er die bemoedigende zin: alles zal voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. De Heer presenteert zich als Degene, die er altijd voor ons zal zijn: door zijn woord, door zijn aanwezigheid, in Zijn kracht en in Zijn liefde. 

Tenslotte de vijgenboom. De twijgen worden zacht. De bladeren botten uit. Zo kan het gaan met mensen. We kunnen zachter worden zoals de vijgenboom. Leed kan ons verharden. Leed kan ons ook zachtmoediger, eenvoudiger, begripvoller en menselijker maken. En zoals die bladeren, die beginnen uit te botten, zo kunnen wij dragers zijn van een diepe vreugde en een stevige hoop, dat ons in God een goede toekomst gegeven wordt. 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek zondag 22 november 2009, Gerardus Majella
lezingen Daniel 7, 13-14 en Johannes 18, 33b-37 

Lieve mensen,Het is vandaag Christus Koning. We ronden het kerkelijk jaar af met het feest dat Jezus Koning van het Heelal is. Eigenlijk een prachtige eretitel als je er goed over nadenkt. Koning van de mensheid, dat is al heel wat, maar Jezus is koning van het heelal. Dus alles omvattend. Dat is nogal wat. 

Zeker wanneer je bedenkt dat Jezus geen koning in wereldse zin was en wilde zijn. Hij vluchtte weg toen de menigte hem koning wilde uitroepen. Hij waste toen zijn einde naderde, de voeten van zijn leerlingen. En vandaag, wanneer Jezus in diepe nood verkeert, zegt hij tegen Pontius Pilatus, ja, ik ben koning. Maar geen gewone koning. Mijn rijk is niet van deze wereld. J

ezus was zoals u weet een telg uit het huis van David. Koning David, we kennen hem nog uit de verhalen van onze jeugd, David die als herdersjongen de vijandige reus Goliath versloeg met een katapult, David die een innige vriendschap had met Jonathan, David die harp speelde voor koning Saul om hem aan het hof rustig te krijgen en die later zelf koning werd van Israel. In die tijd werd een koning gezalfd, en had daarmee de status van door God gezonden te zijn. Vanuit die traditie wordt Jezus ook Gezalfde genoemd. Jezus is de Christus, Jezus messias, beide betekent dit de Gezalfde, de door God gezondene. 

Maar Jezus weet als geen ander hoezeer het koningschap besmet is geraakt in de eeuwen dat Israel koningen had. Hij wist vanuit zijn kennis van de Tora precies hoe de koningen zich gedroegen, ondanks hun zalving. De meesten waren hun zalving eigenlijk niet waardig.Wat dacht u van koning Saul, de eerste koning van Israel, die ziekelijk jaloers was en die zijn schoonzoon David voortdurend naar het leven stond. Toen David als herdersjongen de reus Goliath met een steentje had geveld, was hij ineens immens populair. Hij moest voortdurend op de vlucht voor Saul die hem duidelijk een bedreiging vond. Later, toen hij zelf koning werd, kon hij er ook wat van. Misschien weet u het nog, David die verliefd werd op de mooie getrouwde Batsheba en zorgde dat haar man omkwam, zodat hij met haar kon trouwen. Hij bleef wel koning van Israel, maar veel zegen rustte er daarna niet meer op zijn leven. 

En zo zijn er nog hele soapachtige verhalen over koningen van Israel te vertellen. Geen wonder dat Jezus niet zo trots was op dit stuk geschiedenis en niet zo’n behoefte had om met een koning te worden vergeleken. Zo waardig was het koningschap in Israel nou ook weer niet. 

Hoe anders is het koningschap dat Jezus wel voor ogen heeft. Ja, dat heeft heel weinig te maken met materiele rijkdom, macht, aanzien, schoonheid, status. Met dure diners. Met overspel en machtsmisbruik heeft het al helemaal niets van doen, integendeel.Maar het wonderbaarlijke is, dat Jezus het koningschap en de titel koning toch niet helemaal afwijst. Maar zijn koningschap is van een andere orde. Het koningschap dat Jezus belichaamt, komt van een andere wereld. Het is dienend, het is eenvoudig en bekleed met liefde, ja gedragen door liefde. Als daar al welvaart en status uit voortkomt, dan wordt ons erbij gegeven. Jezus wijst ook de koninklijke genoegens niet af. Hij was bijvoorbeeld niet afkerig van feest vieren. Wat dacht u van de bruiloft van Kana, waarbij de mooiste wijn het laatst komt. En het laatste avondmaal had een diep-trieste kant, maar toch voorspelde Jezus dat hij die kostelijke wijn nieuw zou gaan drinken in het koninkrijk van God.

En hij  liet door Maria, de zuster van Lazarus, zijn voeten zalven. Judas was het er niet mee eens, die wou het geld liever aan de armen geven. Maar Jezus vond dat de armen er altijd waren geweest en liet die koninklijke behandeling niet afnemen. Misschien is u opgevallen dat hier ook zalf aan te pas komt. De bijbel staat bol van de symboliek. Maar ergens moet  hij huiverig zijn geweest voor de titel koning. De titel was besmet, daar wilde hij toch liever niet aan gekoppeld worden. Zijn koningschap is er een van andere orde, van liefde,waarheid en waarachtigheid.  Als we een sprong maken naar onze tijd en onze parochie,dan zien we mensen die hierdoor geïnspireerd zijn. Mensen die het zelf niet gemakkelijk hebben en die zich toch inzetten in onze buurt en regelmatig voor anderen klaar staan. Mensen die weinig geld hebben en binnen hun creatieve mogelijkheden royaal zijn.

Mensen die vreselijke dingen hebben meegemaakt en niet verbitterd zijn, integendeel een warm een mededogend hart hebben bewaard en dat ook uitdragen….. Koningschap en naastenliefde in onze eigen buurt. Mensen die zich zo koninklijk gedragen, zijn een voorbode van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin andere wetten gelden dan die van het recht van de sterkste geldt. Maar waarin luxe en mooie dingen geen hoofdzaak meer zijn. Waar je van mag genieten, maar die een hele andere betekenis krijgen. 

Moge Jezus ons in deze dagen bijzonder nabij zijn.
Het feest van vandaag belichaamt de voltooiing van de schepping. De advent die gaat komen belichaamt de verwachting. Moge wij die samen op weg zijn en nog veel te leren hebben, van bijzondere inspiratie vervuld worden. Amen.

Tonnie Dunselman

 

Preek 15 november 2009, Anna-Bonifatius
lezingen Daniel 12, 1-3 en Marcus 13, 24-32 

Lieve mensen, Nog niet zo lang geleden bezocht ik een staflid uit een vorige werkkring, inmiddels een ouwe baas van 85. Hij reisde in zijn goeie jaren de hele wereld af, sprak vier talen vloeiend, en had bij zijn pensioen een koninklijke onderscheiding gekregen. Nu is het een ander verhaal. Zijn verstand is al enige jaren aan het wijken. Hij heeft geen gezin en heel weinig familie. Hij was al nooit een gemakkelijke man en de laatste jaren is hij erg vereenzaamd. Een paar keer per jaar zoek ik hem op. De afgelopen keer was ik al een beetje gewaarschuwd door de portier van mijn vorige baan, een vriend van mij, dat de man erg achteruit is gegaan. Ik was benieuwd wat ik zou treffen. En een beetje huiverig om eerlijk te zijn! 

Nou, dat was inderdaad even wennen. Hij stond bij aankomst bij de halte van bus 37 op mij te wachten. Hij had drie kwartier in de kou staan klappertanden om zijn gast het gevoel te geven meer dan welkom te zijn. Hij had een flinke stoppelbaard gekweekt. Was hij vroeger een corpulente heer, nu had hij een aardig jasje uit gedaan.. We liepen naar de bovenste verdieping van de torenflat in Noord waar hij woont.Bij binnenkomst werd ik begroet door haag van fruitvliegjes. En er stonden minstens vijf vazen met bloemen die al drie maanden geleden uitgebloeid waren en die elke dag water van hem kregen.. En ik kreeg een kopje thee dat al een uur had staan trekken. En na een uur kreeg ik een wijntje, dat  in de loop der jaren in een een goeie wijnazijn was veranderd. De man was heel blij met mijn bezoek en we hadden op zich een goed gesprek. Hij heeft wel thuiszorg, maar ja, hoe het met onze thuiszorg gesteld is in Nederland, dat hoef ik u niet uit te leggen. 

Zoals u begreep, was deze man in zijn goeie jaren succesvol en menigeen was jaloers op zjjn loopbaan. En nu op zijn oude dag is hij broos en dementerend. Confronterend hoor. Zo confronterend dat hij nog maar heel weinig bezoek krijgt. De meeste mensen vinden het heftig om iemand zo te zien aftakelen. Ja, onze eerste reactie is ook wel een beetje schrik. We willen allemaal liever niet zo worden. Maar we kunnen het ook eens proberen met andere ogen te kijken, meer door de ogen van Jezus.. Jezus heeft nou eenmaal een bijzondere gave om door de dingen heen te kijken. Hij kijkt anders naar de mens, meer met de liefdevolle ogen van God.  

Jezus geeft ons vandaag de indringende boodschap mee: hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen niet voorbij gaan.Ja, voorbijgaan, dat is het lot van ons allemaal, althans naar het lichaam en daar worden we af en toe flink mee geconfronteerd. Jezus wil ons moed inspreken, maar ons ook bewust maken dat onze tijd kostbaar is. Hij ziet graag dat we de keuze van liefhebben niet uitstellen naar morgen, maar vandaag beginnen.Zijn woorden, zijn boodschap van liefde, zijn ingegeven door de Geest van zijn Vader, en die geest gaat nooit voorbij. En die woorden kunnen wij op vele manieren vertalen. Door goed te zijn voor onze ouders als we die nog hebben, door zieken niet te vergeten,  door elkaar hoog te houden en mild te zijn wanneer er steken vallen. Of erger, wanneer we ons terecht flink aan elkaar ergeren.  Er zijn zovele vormen waarin wij voor het goede kunnen kiezen. De wereld zal een keer tot een voleinding komen, en wanneer dat gebeurt, weet zelfs de Zoon niet. Het is een geheim, een geheim van God zelf.

In een ander licht bezien, is het bezoeken van mensen als deze heer zonder meer verrijkend.  Hij is dankbaar voor elk bezoek en aandacht en cadeautjes worden gekoesterd als parels. Het is nog wonderbaarlijk om te zien dat hij in zijn kwetsbare situatie zelf ook warmte geeft en daar moeite voor doet. Hij heeft aan die bushalte staan klappertanden. En voor thee en hapjes gezorgd en is daar wiebelig en al met een tas op uit gegaan. Dat is ontroerend als je erover nadenkt. Zelden heb ik iemand blijer gezien door de aandacht die hij kreeg en die ineens zo kostbaar geworden. Als je hem een kaart stuurt, wordt die gekoesterd als een goudstuk. Een cadeautje wordt gekoesterd. We komen zo dichter bij onze essentie. In ons allemaal zit die goddelijke vonk, die kern die eeuwig is en die aan God toebehoort. Die kern die op weg is naar de voleinding. Dat is toch het geheim van de schepping, en daar wil Jezus ons steeds opnieuw aan wil herinneren.  

Jezus wijst ons ook op de glorende zomer, die aanbreekt na een duistere periode.En hij voorspelt een soort gericht, een dag des oordeels, waarin uitverkorenen verzameld worden uit alle windstreken. Een hoopvolle en een liefdevolle toekomst is ons aangezegd, waar wij deel aan hebben en ook uitgenodigd zijn om aan mee te werken. We zijn allemaal welkom om mee te trekken en de uitdaging aan te nemen. Moge hij ons daarin bijzonder inspireren.  Amen.

Tonnie Dunselman

Preek in de Gerardus Majella op 6 december 2009
Lezingen: Baruch  5, 1 -9 en Luc. 3, 1 -6 

Zusters en broeders, Toen ik jaren geleden, net als pastor Stam voor enige tijd in Brazilië was, hoorde ik heel vaak het woord ‘lembrar`, ‘denk aan mij, vergeet me niet`. Natuurlijk waren er ook mensen die om geld vroegen voor één van de vele noden. Maar meer nog dan om geld vroegen de mensen daar om aan hen te denken. Dat maakte veel  indruk op me. Soms zegt  je zelf ook, dat je aan iemand zal denken. Of je stuurt een SMS-je. Maar die Brazilianen legden in de vraag een bijzondere lading. Ik moest daar aan denken, toen i k getroffen werd door één zin uit de eerste lezing van Baruch. Er staat, zo lees ik: ‘Ze zijn blij, nu God weer aan hen denkt’’. God denkt weer aan hen, nu de joden weer terug kunnen keren naar Jeruzalem na een jarenlange ballingschap. Ze mogen de mantel van Gods gerechtigheid aantrekken en zich bekleden met Gods schoonheid. Ze mogen op hun hoofd de schitterende kroon van de Eeuwige opzetten. 

Misschien lijkt dit wat gezwollen taal. Maar voor mij is deze taal een uiting, hoe kostbaar de mens voor God is. Als je de kroon van de Eeuwige opzet, dan geeft dat aan, hoe innig de band van de mens met de eeuwige is. Als je de mantel van de gerechtigheid aantrekt, dan moet het wel zijn, dat je met God strijdt voor gerechtigheid en recht. En waarom kun je zulke dingen doen? Wat geeft je daarvoor de kracht? Volgens mij is dat, omdat God weer aan ons denkt. Natuurlijk kan je het besef dat God aan ons denkt ook zien als een gevolg van die opwaardering van de menselijke kracht. Maar dat er aan ons wordt gedacht, is het belangrijkste: lembrar 

De ballingschap was voor de joden een belangrijke tijd. De psalm die we zongen zingt daarover. Ooit was er diepe ellende. Maar uit die ellende kwam bevrijding.’Groot heeft de Heer gehandeld aan ons, blijdschap is ons geworden”. Als er een moeilijke tijd was, dan dachten de Joden terug aan de ballingschap, maar vooral aan het einde daarvan. Wat ooit had plaats gevonden, kon weer gebeuren. Ooit had God aan hen gedacht. Waarom zou dat niet nog een keer gebeuren? Ik vermoed dat een aantal Joden met dit besef de tweede wereldoorlog hebben doorstaan. Ik vermoed dat veel gelovigen in moeilijke tijden overeind bleven vanwege deze psalm. 

De evangelielezing begint met de opsomming van een rij heersers: Keizer Tiberius, Pontius Pilatus, Herodes, Filippus en Lysanias. Sommige van die heersers klinken ons bekend in de oren. We kennen hen van het lijdensverhaal van Jezus. Die bekendheid is vooral beruchtheid. Want wat er met Jezus is gebeurd, gebeurde ook met vele andere onschuldige mensen. Er was onderdrukking en willekeur. Tegelijk of misschien in tegenstelling tot dit soort heersers horen we van een andere macht. ‘Het woord van God.`. Dat woord van God komt over Johannes en neemt bezit van hem. En deze profeet begint te spreken. Hij durft op een bemoedigende wijze te spreken over een tijd en een werkelijkheid die somber en droevig lijkt te zijn. ‘Heel de mensheid zal Gods redding zien`. Ooit zagen landen en volkeren hoe Israël de ballingschap overwon. Nu is de tijd aangebroken dat heel de mensheid redding zal zien.

 

Kunnen we die redding invullen? Wat voor redding is dat eigenlijk?  De lezing wordt niet voor niets in de Advent gelezen. De redding heeft te maken met Jezus Christus en met Zijn rijk. Toen ik met enkele mensen van de week over deze tekst sprak, begon er iemand in de tegenwoordige tijd te praten. ‘We leven in een tijd van spanning en verwachting. Er gaat iets gebeuren. Er wordt ons een nieuwe kans gegeven. Er komt van boven af een nieuwe toekomst, die ons heel goed gaat doen’. Zij sprak zo over Kerstmis en over de verwachting dat je het gevoel kreeg, dat het nu en hier gaat gebeuren. 

Jezus en het koninkrijk van God, dat Hij verkondigt en verwerkelijkt. Juist daarom is Kerstmis zo belangrijk. We krijgen een nieuwe kans. Ons diep ingewortelde verlangen zal niet leeg of ijdel zijn. Onze verwachtingen worden niet beschaamd. 

Wat moeten we daarvoor doen? Ik dacht eerst dat we er heel veel voor moeten doen. Maar ik geloof dat het niet zozeer een kwestie is van dingen doen. Het is eerder iets van kijken, van je houding veranderen. We moeten ons bekeren en we moeten de weg van de Heer bereiden. Ik dacht over die dingen na. Bekeren is in het Hebreeuws eigenlijk  ‘omkeren`. Dat betekent dat we het leven en de werkelijkheid eens een keer van een heel andere kant moeten gaan bekijken. Is dat moeilijk? Het is moeilijk om onze oude stellingen te verlaten. Het is moeilijk om niet altijd hetzelfde te denken over jongeren, over Marokkanen, over mensen zonder werk. Het is moeilijk om onszelf niet voortdurend te beschouwen als onbeduidend of waardeloos. Is dat moeilijk. Wellicht is het voldoende om anders te willen denken. Of de moed op te pakken, de dingen eens van de andere kant te bekijken, bijvoorbeeld vanuit de kant van de mensen die we bekritiseren. Stel je voor dat ik in een soortgelijke omstandigheid zou verkeren. Hoe zou het mij vergaan? 

En de weg bereiden? Misschien is het zo dat de Heer zelf al een weg bereidt. Onze taak is het dat te durven zien en ernaar te verlangen dat onze weg gaandeweg gelijk loopt met de weg van de Heer. Advent is een bijzondere tijd. Het is een tijd van wachten en verwachten. Het is een tijd van verlangen, dat niet allen ons eigen leven, maar ook dat van de wereld gaandeweg samenvalt met het leven van Hem, die komen zal. 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 6 december 2009
Lezingen: Baruch  5, 1 -9 en Luc. 3, 1 -6 Zusters en broeders, Toen ik jaren geleden, net als pastor Stam voor enige tijd in Brazilië was, hoorde ik heel vaak het woord ‘lembrar`, ‘denk aan mij, vergeet me niet`. Natuurlijk waren er ook mensen die om geld vroegen voor één van de vele noden. Maar meer nog dan om geld vroegen de mensen daar om aan hen te denken. Dat maakte veel  indruk op me. Soms zegt  je zelf ook, dat je aan iemand zal denken. Of je stuurt een SMS-je. Maar die Brazilianen legden in de vraag een bijzondere lading. Ik moest daar aan denken, toen i k getroffen werd door één zin uit de eerste lezing van Baruch. Er staat, zo lees ik: ‘Ze zijn blij, nu God weer aan hen denkt’’. God denkt weer aan hen, nu de joden weer terug kunnen keren naar Jeruzalem na een jarenlange ballingschap. Ze mogen de mantel van Gods gerechtigheid aantrekken en zich bekleden met Gods schoonheid. Ze mogen op hun hoofd de schitterende kroon van de Eeuwige opzetten. Misschien lijkt dit wat gezwollen taal. Maar voor mij is deze taal een uiting, hoe kostbaar de mens voor God is. Als je de kroon van de Eeuwige opzet, dan geeft dat aan, hoe innig de band van de mens met de eeuwige is. Als je de mantel van de gerechtigheid aantrekt, dan moet het wel zijn, dat je met God strijdt voor gerechtigheid en recht. En waarom kun je zulke dingen doen? Wat geeft je daarvoor de kracht? Volgens mij is dat, omdat God weer aan ons denkt. Natuurlijk kan je het besef dat God aan ons denkt ook zien als een gevolg van die opwaardering van de menselijke kracht. Maar dat er aan ons wordt gedacht, is het belangrijkste: lembrar De ballingschap was voor de joden een belangrijke tijd. De psalm die we zongen zingt daarover. Ooit was er diepe ellende. Maar uit die ellende kwam bevrijding.’Groot heeft de Heer gehandeld aan ons, blijdschap is ons geworden”. Als er een moeilijke tijd was, dan dachten de Joden terug aan de ballingschap, maar vooral aan het einde daarvan. Wat ooit had plaats gevonden, kon weer gebeuren. Ooit had God aan hen gedacht. Waarom zou dat niet nog een keer gebeuren? Ik vermoed dat een aantal Joden met dit besef de tweede wereldoorlog hebben doorstaan. Ik vermoed dat veel gelovigen in moeilijke tijden overeind bleven vanwege deze psalm.

De evangelielezing begint met de opsomming van een rij heersers: Keizer Tiberius, Pontius Pilatus, Herodes, Filippus en Lysanias. Sommige van die heersers klinken ons bekend in de oren. We kennen hen van het lijdensverhaal van Jezus. Die bekendheid is vooral beruchtheid. Want wat er met Jezus is gebeurd, gebeurde ook met vele andere onschuldige mensen. Er was onderdrukking en willekeur. Tegelijk of misschien in tegenstelling tot dit soort heersers horen we van een andere macht. ‘Het woord van God.`. Dat woord van God komt over Johannes en neemt bezit van hem. En deze profeet begint te spreken. Hij durft op een bemoedigende wijze te spreken over een tijd en een werkelijkheid die somber en droevig lijkt te zijn. ‘Heel de mensheid zal Gods redding zien`. Ooit zagen landen en volkeren hoe Israël de ballingschap overwon. Nu is de tijd aangebroken dat heel de mensheid redding zal zien.

 

Kunnen we die redding invullen? Wat voor redding is dat eigenlijk?  De lezing wordt niet voor niets in de Advent gelezen. De redding heeft te maken met Jezus Christus en met Zijn rijk. Toen ik met enkele mensen van de week over deze tekst sprak, begon er iemand in de tegenwoordige tijd te praten. ‘We leven in een tijd van spanning en verwachting. Er gaat iets gebeuren. Er wordt ons een nieuwe kans gegeven. Er komt van boven af een nieuwe toekomst, die ons heel goed gaat doen’. Zij sprak zo over Kerstmis en over de verwachting dat je het gevoel kreeg, dat het nu en hier gaat gebeuren.

 

Jezus en het koninkrijk van God, dat Hij verkondigt en verwerkelijkt. Juist daarom is Kerstmis zo belangrijk. We krijgen een nieuwe kans. Ons diep ingewortelde verlangen zal niet leeg of ijdel zijn. Onze verwachtingen worden niet beschaamd.

 

Wat moeten we daarvoor doen? Ik dacht eerst dat we er heel veel voor moeten doen. Maar ik geloof dat het niet zozeer een kwestie is van dingen doen. Het is eerder iets van kijken, van je houding veranderen. We moeten ons bekeren en we moeten de weg van de Heer bereiden. Ik dacht over die dingen na. Bekeren is in het Hebreeuws eigenlijk  ‘omkeren`. Dat betekent dat we het leven en de werkelijkheid eens een keer van een heel andere kant moeten gaan bekijken. Is dat moeilijk? Het is moeilijk om onze oude stellingen te verlaten. Het is moeilijk om niet altijd hetzelfde te denken over jongeren, over Marokkanen, over mensen zonder werk. Het is moeilijk om onszelf niet voortdurend te beschouwen als onbeduidend of waardeloos. Is dat moeilijk. Wellicht is het voldoende om anders te willen denken. Of de moed op te pakken, de dingen eens van de andere kant te bekijken, bijvoorbeeld vanuit de kant van de mensen die we bekritiseren. Stel je voor dat ik in een soortgelijke omstandigheid zou verkeren. Hoe zou het mij vergaan? 

En de weg bereiden? Misschien is het zo dat de Heer zelf al een weg bereidt. Onze taak is het dat te durven zien en ernaar te verlangen dat onze weg gaandeweg gelijk loopt met de weg van de Heer.

Advent is een bijzondere tijd. Het is een tijd van wachten en verwachten. Het is een tijd van verlangen, dat niet allen ons eigen leven, maar ook dat van de wereld gaandeweg samenvalt met het leven van Hem, die komen zal.

Pastor Leo Nederstigt 

Preek op 13 december 2009 in de Anna Bonifatius
Lezingen: Sef. 3, 14 -18a en Luc. 3, 10 -18 

Zusters en broeders, 

Heeft u dat ook wel eens. U ziet iemand, die u al een tijdje niet gezien heeft. Hem of haar te zien maakt u ontzettend blij. En van de weeromstuit wordt degene, die u ontmoet ook heel blij. Een oma kan blij zijn, als een kleinkind haar komt bezoeken. De wat teruggetrokken of eenzame student is blij met onverwacht bezoek. Zo blijkt God blij te kunnen zijn om ons. Vorige week hoorden we nog, dat God aan ons denkt. Nu klinkt het nog sterker: ‘Uitermate verheugt God zich om U, door zijn liefde maakt Hij u nieuw. Hij jubelt om u van vreugde’. Gelukkig zijn we hier. Anders zouden we misschien denken dat niemand blij is dat we er zijn. Welnu, God is het die zich om ons verheugt. 

Zijn we dan zo de moeite waard? Waarin maken we God dan blij? Het lijkt er op dat we niet iets bijzonders hoeven te doen. God is gewoon blij met ons. Maar het is onze opdracht, die vreugde met vreugde te benantwoorden. Wij kunnen blij zijn om wie we zijn. We zijn mens. Een mens is door God geliefd. Als we tekort schieten, maakt hij ons geliefd. 

Vreugde en blijheid, dat is wat er van ons af zou moeten stralen. Deze zondag heet al eeuwen: zondag verheugt u’. Nu is vreugde al een ander woord dan plezier of vrolijkheid. Het lijkt wel alsof vreugde dieper zit. Het is een blijheid, die door het leven is heengegaan. 

Waar is die vreugde dan in gelegen. Kijken we naar de lezingen. De eerste lezing laat merken dat de ballingschap, waar Israël bijna 100 jaar in terecht is gekomen, niet eeuwig duurt. Ze hoeven niet meer bang te zijn voor onheil. Zal er dan nooit meer iets gebeuren, dat zorgen baart? Komt er nooit meer iets dreigends op het volk af. Misschien wel. Het leven gaat natuurlijk door. Maar angst hoef je niet te hebben. De Heer is met ons. De vreugde wordt gevoed door het einde van de ballingschap. De vreugde mag er zijn. Omdat er geen angst meer is. En er is vreugde, omdat God zich in de mens verheugt. En dat maakt ons blij. 

Het is niet onmogelijk dat de Evangelielezing is blijven hangen als streng en moeilijk. Maar volgens mij roept deze lezing ook veel op, waar je blij om kan zijn. Allereerst de vraag, die aan Johannes wordt gesteld: Wat moeten wij doen? De vraag wordt gesteld door mensen die werk willen maken van hun leven. Blijkbaar hebben deze mensen gevoeld, dat het tijd werd om  hun leven serieus te nemen. De antwoorden lijken heel eenvoudig. ‘Gewoon delen wat je hebt`. Een simpel antwoord, waar je wel een leven voor nodig hebt. Maar wie het doet. Weet dat in het delen van je leven, van wat je hebt, heel veel geluk gelegen is. Ik vind het bijzonder dat er ook twee groepen worden genoemd, die in die dagen niet zo geliefd waren. Tollenaars..ook zij krijgen een opdracht. En soldaten, die ongetwijfeld Romeinse soldaten zijn.  Ze worden niet opzij gezet. Ze worden niet onschadelijk gemaakt of als slecht in een hoek gezet. Ook zij krijgen een kans iets van hun leven te maken. Hier is geen mens of geen beroep, dat boven een ander is verheven. Ieder mens heeft op een eigen wijze de kans mee te doen en iets goeds van haar of zijn leven te maken. Ik vind dat een reden om blij te zijn en ons te verheugen.  

Een andere reden om ons te verheugen is de mededeling van de evangelist, dat het volk vol verwachting was.  U kent die mensen wel, die niets meer van het leven verwachten. Ze hebben alles al gezien. Ze hebben de mensen door. Ze zijn zichzelf tegengevallen of ze hebben zoveel teleurstellingen achter de rug, dat alle verwachtingen zijn gedoofd. Onder de mensen die bij Johannes komen, zijn er mensen die reden hebben om niets te verwachten. Maar zo is het niet. Ze hopen op de Messias. Die hoop en die verwachting maken blij. Wie weet is deze Johannes de Messias. Maar Johannes kent zijn plaats en verwijst naar Hem, die komen zal. 

En die strenge woorden, waarmee het Evangelie wordt besloten? Ik denk niet dat Johannes mensen op het oog heeft, die toch al behoorlijk geslagen worden. Misschien moeten we er eerst maar van uit gaan dat we behoren tot het tarwe dat opgeslagen wordt in de schuur. Ook die gedachte biedt vreugde. 

De lezingen beloven ons geen gemakkelijk leven. Het is ook niet gemakkelijker geworden met de komst van christus. Maar in de donkerte van de tijd en in de duisternis van ons leven, worden we uitgenodigd niet bang te zijn, maar met vertrouwen te leven. En dat niet alleen. Er is diepe vreugde mogelijk. Het is de vreugde, die Maria werd aangezegd, toen de engel haar begroette met de mededeling, dat zij moeder van de Heer zou worden. Het is de vreugde, die het leven van de herders glans gaf, toen ze het kind begroetten. Het is de vreugde, die de wijzen uit het Oosten beleden. Toen de ster bleef staan bij het huis, waar het kind zich bevond. Het is de vreugde, die ons ten deel zal vallen, omdat de Messias, die wordt aangekondigd na lijden en dood zal verrijzen. 

Vol verwachting mogen we uitzien naar het Kerstfeest. En als de gezelligheid of de sfeer weer ten einde zijn en de grijze maanden komen, dan mag er een diepe vreugde blijven hangen, dat God mens is geworden en dat Hij ons bestaan wil delen. Zijn aanwezigheid geeft ons kracht, vervult ons met dankbaarheid en geeft ons diepe vreugde.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 17 januari 2010
Lezingen: Jes. 62, 1 -5 en Joh. 2, 1 -12 

Zusters en broeders, 

Bruiloften zijn tamelijk zeldzaam geworden. Maar bruiloften zoals in Kana werden gevierd lijken helemaal schaars. Ik bedoel dat er heel veel mensen gekomen moeten zijn. Ik heb ooit uitgerekend dat er uit die zes kruiken zo’800 flessen wijn gehaald kunnen worden. Het gemiddeld aantal gasten op de bruiloften van toen schijnt 200 geweest te zijn. U kunt dus gemakkelijk bedenken, hoe royaal er geschonken kon worden.  Dat moet een overvloedig feest geweest zijn. 

Er zijn nog wat dingen, die te denken geven. Voor mij is dat de samenspraak van Maria en Jezus. Het lijkt er op dat Jezus een bruut antwoord geeft aan zijn moeder. ‘Vrouw is dat soms uw zaak? Maar misschien klinkt het toch anders, dan ik denk. Maria geeft een reactie, die spreekt van groot vertrouwen: Doe maar wat Hij u zeggen zal. Ik werd me er van bewust dat dit de laatste keer is dat Maria aan het woord komt. Ze speelt nog wel een rol in het Evangelie, in het bijzonder onder het kruis, maar woorden zijn van haar niet opgetekend. Maar wel deze woorden: Doe maar wat Hij u zeggen zal. 

Wat mij ook is opgevallen is dit: de naam van de bruidegom wordt niet genoemd. En de bruid komt helemaal niet ter sprake. Dat is toch wel merkwaardig. Zijn zij niet belangrijk of gaat het heel ergens anders over. 

Misschien moet ik nog iets naar voren brengen, wat in de vertaling die wij hebben gelezen niet zo tot uiting komt. In de grondtekst staat er letterlijk: ze hebben geen wijn en niet ’ze hebben geen wijn meer’. Dat is een verschil. Want dat zou suggereren, dat Jezus eigenlijk degene was, die voor de glans van het feest heeft gezorgd. 

Al die opmerkingen riepen bij mij de vraag op: wat is dat toch voor een feest? In welke bruiloft zijn wij beland? Wie trouwt er met wie?  

Een antwoord wordt ingegeven door de eerste lezing. Die lezing komt uit de profeet Jesaja. In dit gedeelte spreekt de profeet tot een volk dat net teruggekeerd is uit de ballingschap. Ze zien Jeruzalem. Maar dat is niet het Jeruzalem, dat ze van verhalen kennen. De vijand heeft er huis gehouden. De tempel is verwoest en grote delen van de stad liggen in puin. De stad ademt ook niet meer de godsdienstige sfeer, die bij de ballingen nog in hun hoofd en hun hart is. En dan gebruikt de profeet taal, die wel op liefdespoëzie lijkt. Je zult een flonkerende kroon ontvangen. Je zult niet meer ‘de Verlatene`heten en je land niet meer ‘woestenij`. Je zult heten ‘mijn welbehagen`. Je land zal ‘gehuwde`heten. Zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zo zal God zich verheugen in u. 

De Bijbel maakt af en toe gebruik van beschrijvingen van de liefde tussen man en vrouw, om aan te geven, hoe God betrokken is op mensen en hoezeer hij van hen houdt. De verhouding tussen God en zijn volk, tussen God en de mens heeft iets weg van een liefdesverhouding.Maar hoe gaat het in een verhouding waarin twee mensen van elkaar houden. Het is niet altijd rozengeur en maneschijn? Dat is nog heel rustig uitgedrukt. In relaties kunnen de teleurstellingen heel groot zijn. De liefde kan in een dor land belanden. Er kan sprake zijn van ontrouw en afstand, van vervreemding en onzekerheid. Dat zijn gevoelens, die Jesaja ‘woestenij` of ‘verlatenheid`noemt.

‘Woestenij` of ‘verlatenheid`: zo kan ons leven er uit zien. Dat kan als we grote tegenvallers te verduren hebben. Dat kan als we getroffen zijn door ongelukken, rampen, werkeloosheid. Dat kan als we in aanraking komen met onze eigen zwakheden of fouten.  En wat denkt u van de kerk? We worden met leiders geconfronteerd, die ergernis en boosheid oproepen. Maar nog erger vind ik wat er deze dagen in Haïti is gebeurd. Ik was even opgelucht, toen er rond de jaarwisseling niets bijzonders gebeurde. Maar nu deze ramp in het armste land van de wereld! Zoveel doden betekent ook zo verschrikkelijk veel rouwenden en mensen die huis en haard zijn verloren. Het lijden dat zover weg gebeurt, raakt ons ook. Wij zijn ook mensen. Ook als het ons even goed gaat, dan wordt die of die in eigen omgeving of op een andere plaats getroffen.  

Zo gaat het in de wereld. Voordturend komen we in aanraking met donkere kanten van het leven, zowel in ons eigen leven als in onze omgeving. Dat kan je wanhopig, radeloos of onmachtig maken. 

Aan het begin van het Evangelie, eigenlijk nog in de tijd van Kerstmis en de Openbaring horen we het verhaal van de bruiloft van Kana. Voor mij is dit de betekenis: Hoe donker en hoe verlaten we ons kunnen voelen, de werkelijkheid mag je verstaan of beschrijven als een bruiloftsfeest. De Heer heeft een bruiloftsfeest georganiseerd. De bruidegom is Christus, de mens geworden liefde van God. En wij zijn de bruid: wij als gemeenschap, wij als individu. We zijn verbonden met de Heer. Niet zomaar maar met koorden van liefde. Ondanks alle duister heeft het leven iets sprankelends, iets feestelijks, iets heel moois. We zijn geen verlatene meer. We leven niet in een woestenij. Er is iemand, die plezier in ons heeft. We zijn geliefd of sterker: we zijn gehuwden, getrouwd met de Heer. Er is een einde gekomen aan onze eenzaamheid, hoe diep die ook kan zijn. Ik geef hiermee antwoord op de vraag, wie de bruidegom en wie de bruid zijn van het bruiloftsfeest in Kana. De bruidegom is Christus. De bruid, dat zijn wij. Maar Hij die als bruidegom optreedt, zorgt zelf voor de wijn. Of er nu een tekort aan wijn was of helemaal geen wijn: Christus zorgt voor de wijn. Hoe doet Hij dat anders, dan zichzelf te geven in liefde en overgave. Hij geeft zich zelf steeds weer en dat is de garantie, dat het bruiloftsfeest kan doorgaan. 

En Maria. Ze zegt niet zoveel, maar wat ze zegt is aan het begin van het Evangelie wel heel sprekend en veelzeggen: Doe maar wat Hij u zeggen zal. Over de hoofden van de dienaren heen wordt dat tot ons gezegd. Welnu, haar Zoon zal nog heel veel aan het woord komen. En als wij doen wat Hij zegt, zal het feest tot een hoogtepunt kunnen uitgroeien. 

Wat een gedachte, zo midden in januari: Ons leven is een feest. Maar dat feest kan uitgroeien tot een hoogtepunt als we recht doen aan elkaar, als we instaan voor mensen in nood, als we ook in deze tijden blijven vertrouwen in de eenheid van alle christenen. 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op  7 februari 2010
Lezingen: Jes. 6, 1 -8 en Luk 5,1 -11 

Zusters  en broeders, 

Heel erg veel luister ik niet naar de radio,maar als ik het goed heb gaan heel veel songs, die er te beluisteren zijn niet alleen over liefde. Ze gaan ook over gemis, teleurstelling, verwarring, radeloosheid en onrust. Mij lijkt dat dit soort gevoelens heel dicht bij het gevoel liggen, die we nogal eens met ‘zonde`hebben bestempeld.  De donkerte of de troosteloosheid van het bestaan kan ons overvallen, vroeg of laat.  

Ik probeer bij het gevoel te komen dat in beide lezingen van vandaag omschreven is. De profeet Jesaja heeft een visioen. Het is een bijzonder visioen vol kracht en heiligheid. En als hij dat gezien heeft roept hij uit: ‘Wee mij, ik ben verloren.! Want ik ben een mens met onreine lippen en ik woon te midden van een onrein volk.` Als Petrus die enorme vangst van vissen heet ervaren roept hij.’Heer ga weg van mij, ik ben een zondig mens`. 

Ik durf niet te zeggen dat ik heel bijzondere ervaringen van God heb meegemaakt. Maar ik ben wel in de buurt geweest van mensen, die ik heel rechtvaardig en bijzonder acht. Ik beschouw hen als mensen die door God zijn aangeraakt. En als ik in hun nabijheid ben, dan voel ik me een kleine jongen.

Ik zeg dat ik weinig bijzondere ervaringen van God heb meegemaakt. Maar misschien is dat niet helemaal waar. Het is me nogal eens overkomen dat ik mensen zie open bloeien door enkel woord, een aanraking of een gebed soms. En als ik aan onze gemeenschap denk, die zich dapper stand houdt in een wereld, die van God niet zo erg veel weten wil, dan kan ik ontroerd raken. Ik durf daarin het werk van God te zien, die vaak of meestal door het hart en de handen van mensen werkt. Ik ben dan geneigd om met eerbied en bewondering naar de werkelijkheid te kijken. En ik ben zelf dan maar een klein schakeltje of stipje in die wondere werkelijkheid. En ik voel al de tegenstrijdige motieven en beweegredenen, die in mijzelf en in vele anderen huizen. ‘Ik ben een zondig mens`, zou Petrus zeggen. 

En hier ligt het wat me zo raakt in deze lezingen. Er worden mensen geroepen. Hier gaat het om de profeet Jesaja en om Petrus. Die roeping wordt voorafgegaan door een bijzonder ingrijpende ervaring. Bij Jesaja is dat het visioen. Bij Petrus is het die overvloedige visvangst. Dan volgt een gevoel van kleinheid, onwaardigheid, schuld zelf. Maar daar blijft het niet bij.De lippen van Jesaja worden aangeraakt met een gloeiende tang. De ;profeet wordt waardig gemaakt, gereinigd. En tegen Petrus en zijn medeleerlingen wordt gezegd: Wees niet bang.Jesaja mag spreken in Gods naam. En Petrus mag  visser van mensen zijn. 

Heel veel mensen onder ons hebben het gevoel dat ze nette en keurige mensen zijn. Ik vind dat van mijzelf ook vaak. Maar soms heb ik het gevoel dat God helemaal niet opschiet met keurig nette mensen. Hij zoekt mensen, die zich bewust zijn van de diepten van hun menselijk bestaan. En in die diepte zitten gevoelens die vaak in moderne liedjes worden uitgedrukt. In die diepte huizen de wanhoop, het gevoel van tekort schieten, het gemis, de teleurstelling, de wanhoop soms. Is het erg, dat we dat voelen?  Ik denk het niet. Het is eerder een uitnodiging of een kans. Het is een kans om open te gaan voor de vriendschap of de genade van God. De profeet en de apostel kenden die openheid. Jesaja laat het toe dat zijn lippen worden aangeraakt. Petrus hoort de oproep niet bang te zijn. En dan worden ze geroepen om een taak te verrichten, een taak in dienst van God en de mensen. 

Ik zou haast zeggen. Wat is het toch gelukkig dat we geen volmaakte mensen zijn. Ik zegniet dat we elkaar niet af en toe vreselijke dingen aandoen. Ik zeg ook niet dat ik dat niet erg vind. Ik vind dat vreselijk. Maar wie vreselijke dingen doet, kan op twee manieren reageren. Hij kan bij zichzelf denken: aan mij valt niets te veranderen. Zo ben ik nu eenmaal. Of zij kan opstaan en tegen God of een mens uitzeggen wie of wat hij of zij is. En opnieuw beginnen of, zoals een dichter het uitdrukt: de boom die op mijn schouders drukt,kan ik gebruiken om aan de overkant te komen. 

Het lijkt wel alsof God zo werkt. Hij maakt ons bewust dat we zondaars zijn. Maar dat niet om ons klein te krijgen, weg te vagen of te verwerpen. Nee, juist die zwakheid maakt hij als het ware tot een instrument om  iets goeds te doen. 

Wilt u voorbeelden? Ik probeer het: de verslaafde kan mildheid uitstralen voor mensen die ook verslavingsproblemen hebben en zo bemoedigen vol te houden. Een driftig mens kan begrijpen hoe iemand in woede uitbarst en iemand tot bedaren brengen. Iemand die anderen gemakkelijk neerzet kan met een zelfde soort gezag iemand bevestigen of omhoog halen. Een kwetsbaar mens kan oog hebben voor kwetsbare mensen om hem of haar heen.

Er zijn ongetwijfeld heel veel voorbeelden in uw eigen leven te vinden. Het is de kunst om iemand te bekijken naar haar of zijn mogelijkheden, niet naar wat er mis is gegaan. ‘Vaarnaar het diepe’ en haal het goede naar boven. Dat lijkt me de uitnodiging die Jezus ons doet: Wees je gerust bewust van je zwakheid en je onwaardigheid. Maar wees niet bang. Hij, de Heer is in staat onze zwakheid te gebruiken tot iets goeds en zo te beantwoorden aan onze hoge roeping om mens voor een mens te zijn.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op 14 februari 2010 in de Anna Bonifatius
Lezingen: Jer, 17, 5-8 en Luk. 6, 17.20-26 

Zusters en broeders, 

Wanneer heb je een goed en gelukkig leven? Wanneer is het vruchtbaar?  Wanneer kan je jouw leven een geslaagd leven noemen? Over deze vragen is onderzoek gedaan. Een gelukkige relatie, voldoende geld of rijkdom, plezier in je werk zijn dingen die dan vaak genoemd worden. Een goede gezondheid scoort heel hoog en ook worden  respect en achting van je omgeving als iets genoemd waardoor je gelukkig kan zijn.

Jezus heeft een eigen opvatting over geluk. Die klinkt wel als nieuw, maar die sluit aan bij wat profeten ook gezegd hebben. Die opvatting is wel verrassend, omdat ze niet helemaal gelijk loopt met wat iedereen vindt. Soms geeft die opvatting te denken of roept weerstand op. Dan moet je echt zoeken naar wat Hij precies bedoelt.  

Wie worden door hem gelukkig genoemd? Dat zijn mensen die arm zijn, mensen die nu honger hebben of verdriet hebben. Gelukkig worden mensen genoemd, die verdriet hebben of die op allerlei manieren onsympathiek worden bejegend.  Dat vind je natuurlijk niet in een onderzoek. Er zullen weinig mensen zijn, die zich om die redenen gelukkige mensen voelen. 

Natuurlijk kan je zeggen, dat de groep gelukkige mensen door Jezus wordt uitgebreid. Ik bedoel dit. Arme en verdrietige mensen en mensen die honger hebben of met de nek worden aangekeken, zullen zich normaal genomen eerder uitgestoten dan gelukkig voelen. Door zijn uitspraken laat Jezus merken dat ze er bij horen en niet afgeschreven zijn. 

Maar er is meer. Jezus laat merken dat hij niet alleen voor bepaalde groepen opkomt  maar belooft hen ook een mooie en bijzondere toekomst. 

Kijken we eens naar de mensen, die ‘zalig`worden gesproken.  Allereerst de armen. In de tijd van Jezus waren er veel armen. Heel veel mensen waren arm gemaakt. Er heerste in die tijd een systeem van onderdrukking, waardoor de rijken steeds rijker werden en de armen steeds armer. De armen staan tegenover de rijken in het tweede gedeelte van het evangelie. De rijken hebben hun troost al ontvangen. Die hebben ze gezocht in het materiële. De arme kunnen dat niet. Ze hebben niets. Maar wat allen gegeven wordt, daar zijn zij meer ontvankelijk: het koninkrijk Gods. Zij zullen door  hun lege handen en hun lege magen gevoeliger zijn voor dat wat hun nog te wachten staat in de toekomst. 

Is dat een pleidooi van Jezus om zo arm mogelijk te zijn? Dat geloof ik niet. Armoede leidt maar zelden tot mooie dingen. Maar Jezus laat wel merken,dat Hij ze ziet staan en dat ze meetellen. En dat is zeker een stimulans, om niet zonder  hoop te leven. Over de hongerige, die natuurlijk rijk vertegenwoordigd zijn onder de armen wordt gezegd, dat ze verzadigd worden.  Er wordt niet beloofd dat ze in overvloed zullen leven. Dat is in de lijn van de profeten en van Jezus zelf. Ieder mens moet genoeg hebben  om te leven en om er te zijn. De ene mens mag zich niet verrijken ten koste van de andere. Ieder mens moet genoeg hebben om zichzelf te worden. De belofte is dat de hongerige verzadigd worden, niet dat zij overvloed hebben. Jezus zegt dat zij die  prat gaan op hun overvloed ooit de honger zullen voelen, die nu anderen ten deel valt. 

Er is niets tegen lachen of tegen humor. Maar lachen kan heel gauw een uitlachen worden. En als diegenen worden uitgelachen,die met verdriet rondlopen, dan is dat schrijnend. Dat verdriet kan het verdriet zijn, dat ons allen ten deel valt. Maar verdriet kan er ook zijn om onderdrukking, om het geweld om ons heen., om je overtuiging, die je niet mag beleven.Degenen, die nu lachen, zullen straks aan de andere kant staan. 

En dan die laatste zaligsprekingeel veel mensen waren arm gemaakt.He. Dit is zeker een greep uit de ervaring van Jezus, maar ook uit die van de eerste christenen. Haat, uitsluiting, smaad en het bezorgen van een slechte naam, waren de wapens die tegenstanders van Jezus en van de eerste christenen veelvuldig gebruikten. Uiteindelijk zal het degenen die dat doen niets opleveren en hen zeker niet gelukkig maken. 

Tegen wie zegt Jezus dit allemaal? Het is een zeer diverse groep. Allereerst zijn het de twaalf apostelen. Van hen weten we dat ze niet allemaal op één lijn zitten. Er worden leerlingen genoemd. Vervolgens een grote groep mensen die van alle kanten op Hem af zijn gekomen. Daar zijn mensen bij uit Judea en Jeruzalem, maar ook uit Tyrus en Sidon, plaatsen die gewoon heidens zijn en een slecht naam hebben.  Onder hen zijn rijken en armen, hongerige mensen en mensen die overvloed hebben, daders en slachtoffers. Ook wij vallen onder de toehoorders, terwijl we toch zeer verschillend zijn.  Jezus maakt keuzes en houdt die ons voor. Die keuzes vinden we met andere woorden ook in de lezing van Jeremia en in de psalm. Prachtige beelden worden hier gebruikt. Wat willen we zijn? Een boom die vrucht draagt op zijn tijd of een dorre verschrompelde boom, waaraan geen vrucht te bekennen valt? 

Hoe worden we gelukkig of wanneer kunnen we gelukkige mensen genoemd worden?  Ik zou zeggen, dat Jezus daar aanwijzingen voor geeft. Het zijn belangrijke richtingwijzers omdat ik denk dat wij zelf zowel mensen zijn die gelukkig worden geprezen als mensen tegen wie ‘o wee`wordt gezegd. We hebben het in ons om een boom te worden die vruchten draagt als een bom die verdort. Belangrijk is het dat we gevoelig blijven voor die boodschap van Jezus. Het zou erg zijn. Als we arrogant en zelfgenoegzaam onszelf de beste vinden. Het zou nog erger zijn, als we ons neerleggen bij het feit dat we er toch niet veel van maken en daarin berusten. We zijn het waard om echt gelukkige mensen te worden, ook in ons verdriet, ook in onze honger, ook in onze armoede. Laten we in de buurt blijven van Hem, die ons oproept Zijn weg te gaan en daardoor te wortelen in geluk dat eeuwig duurt.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 7 maart 2010
Lezingen: Ex. 3,1 -8a en 13-15 en Luc. 13, 1-9 

Zusters en broeders,

Het valt niet mee om in deze dagen lid te zijn van de katholieke kerk.  Berichten over misbruik van priesters en religieuzen schokken mij enorm. Ik vind dat heel erg voor de kinderen of jongeren die vertrouwen gaven. Ik vind het ook erg dat daarmee een bepaald beeld ontstaat van een kerk, die natuurlijk ook heel veel goede dingen heeft gedaan met en voor jonge mensen. Deze dagen kwamen we ook in aanraking met meningen over homoseksualiteit. Die meningen doen niet alleen  homoseksuele mensen pijn en dikwijls onrecht. Ze bezeren ook ouders en de omgeving van mensen met een bepaalde geaardheid en heel veel katholieken. Ik deel de pijn en de verontwaardiging van velen. 

Waar ik tegen vecht is dat gevoel dat er slechte of ouderwetse mensen zijn, die maar beter ergens anders geparkeerd kunnen worden. Ik vecht tegen de verleiding te denken dat ik wel deug en anderen niet. Ik vecht ook tegen de innerlijke neiging een aantal mensen met meningen die de mijne niet zijn, af te schrijven. 

En bij dat gevecht kwam het Evangelie van vandaag wel van pas en misschien ook wel op tijd.. Wat gebeurt daar?  Dappere Galileeërs zijn in opstand gekomen in of in de buurt van de tempels waar de offers opgedragen worden. Pilatus grijpt onmiddellijk in en brengt hen om het leven. In Siloam is een toren omgevallen en er komen achttien mensen om. Geldt hier: Boontje komt om zijn loontje? Krijgen de omgekomen mensen hun verdiende loon? Gaat hier het gezegde op: eigen schuld, dikke bult? Als het mensen slecht gaat, hebben ze dat dan aan hen zelf te danken? Zo werd er nogal eens geredeneerd en laten we eerlijk zijn: zo wordt er nog steeds geredeneerd. Wat doet Jezus? Hij kiest geen partij. Hij kamt geen mensen af.  Hij gaat niet vierkant achter de oproerkraaiers staan, die uit dezelfde streek komen als waar Hij vandaan komt. Hij gaat ze ook niet afwijzen. Hij komt met een parabel, een verhaal: het verhaal van de vijgenboom, die maar geen vrucht wil dragen. 

De eerste betekenis die ik aan dat verhaal geef, vond ik al meer dan de moeite waard. Als er iets mis gaat of als iemand een fout maakt, schrijf die persoon dan niet onmiddellijk af. Als de dingen maar niet willen lukken ondanks de inspanning die er verricht wordt, geef dan niet te gauw op. Heb geduld. Probeer het nog een keer. Dat is al een goede raad. Want normaal genomen zetten we iemand zo gauw neer. Ik ken mensen die trauma’s hebben overgehouden van een vader of moeder of van een leraar, die hen toevoegden dat er met hen toch niets te beginnen viel. 

Maar er zit misschien nog een laag onder dit verhaal. De wijngaard kan je beschouwen als de wereld. De eigenaar is de Vader. De wereld is Zijn werkterrein. De vijgenboom staat voor Israël. Die moet in het midden van de wereld vruchten voortbrengen van gerechtigheid, goedheid en vrede. Misschien mag je ook zeggen: De vijgenboom is de kerk, die in de wereld een bijzondere roeping heeft? Maar wat bracht Israel er van terecht? Wat brengt de kerk er van terecht?  Dat mag je best vragen in deze dagen. En sommige mensen weten het antwoord al. 

Als de wijngaardenier God zelf is, de wijngaard de wereld en de vijgenboom Israël of de kerk, wie is dan  de man, die de boom nog een tijdje wil laten staan? Ik denk dat het Jezus is. Als Hij deze parabel vertelt, dan is Hij al een jaar of drie aan het preken en aan het genezen. Soms lijkt het of er niet veel uitkomt. Dan gooit hij zichzelf in de waagschaal. En zo is het gegaan. Je zou kunnen zeggen, dat Hij de grond rond de vijgenboom met zijn eigen leven heeft bemest. De heilige Geest is geschonken om een nieuw begin te maken. Dat is een buitengewoon waardevolle vrucht geweest. 

Mag ik dan terug naar de moeilijke situatie van de kerk in onze dagen?Ik zou zeggen: laten we het niet opgeven. Het is de Heer zelf die door Zijn leven voedsel heeft gegeven aan onze gemeenschap. Hij geeft zichzelf nog steeds. Mogen we dan niet hopen en verwachten dat ook deze gebroken en gekneusde kerk vruchten gaat voortbrengen, die voor velen heilzaam en de moeite waard zijn?  Ik zou dat me enige aandrang willen zeggen, omdat het niet alleen de kerk is, waarin zulke dingen gebeuren. Op heel veel terreinen en in heel veel sectoren van onze samenleving wordt oneerbiedig met mensen omgegaan, ook in huwelijken, ook onder mannelijke mannen en vrouwelijke vrouwen. Helaas komt misbruik niet alleen in de katholieke kerk voor. Je vindt het ook in protestante kerken, in sportclubs, in verenigingen of scholen. Als we iets leren van deze situatie, dan denk ik dat we allereerst oog moeten hebben voor slachtoffers. Langs hen wordt vaak heen geleefd. Ik denk dat daar onze eerste energie naar uit moet gaan. Onze energie moet volgens mij niet opgaan in roddels of verdachtmakingen op niets af. Daar help je de slachtoffers niet mee en help je daders niet tot inzicht te komen en tot verantwoordelijkheid. 

Mag ik dan nog even naar de eerste lezing gaan. De brandende braambos boeit me enorm. Wat gebeurt daar? Er is vuur, maar de struik vergaat of verbrandt niet. Dat moet zeker een beeld geweest zijn van het volk in de woestijn. Ze maken van alles mee: honger, ontberingen, bedreiging. Maar ze blijven overeind, ze lopen niet te pletter. Ik hoop zo dat we dat ook van onze kerk mogen zeggen: We gaan door moeilijke tijden heen. Er is brand en vuur genoeg. Als we dan mogen zeggen dat de kerk -het volk van God = hoe dan ook voorttrekt, dan denk ik aan de stem, die uit de braambos klinkt. Als Mozes naar de naam vraagt van Degene, die de ellende van het volk heeft gezien, dan klinkt uit de braambos: Ik ben, die ben. Zo heeft God. Hij zal er zijn voor ons, nu en in de toekomst en Hij nodigt ons uit er te zijn voor Hem en voor elkaar, zeker ook als het ons moeilijk gaat.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op 14 maart 2010 in de Anna-Bonifatius
Lezingen: Joz. 5, 9a.10 –12 en luc. 15, 1-3.11 –32 

Zusters en broeders, 

Doodziek was hij het ziekenhuis binnengebracht. Wat kwam hij in Amsterdam doen? Hij was de zoon van een echte Ierse, katholieke familie. Hij werkte bij zijn vader op de boerderij. Af en toe ging hij er eens een paar dagen uit, meestal naar vrienden in Schotland. Het werd hem van harte gegund. Maar toen kregen ze het onverwachte bericht uit Amsterdam. Hij was in het ziekenhuis opgenomen. Wat er echt gebeurd was, bleef onduidelijk. Vermoedelijk had hij drugs genomen en hij was niet bekend met de uitwerking noch met wat hij tot zich nam.  

Gaandeweg werd duidelijk dat hij het niet zou halen. Vader,moeder, broers en zus en ook zijn vriendin: allen kwamen over. Ik mocht hem de ziekenzalving geven. Zou hij thuis komen in het huis van de Vader? 

U zal het niet vreemd vinden dat ik aan deze gebeurtenis dacht bij het lezen van het verhaal van het Evangelie. U weet net zo goed als ik dat er ook in onze buurten heel wat verloren zonen en dochters rondlopen. Er zijn er onder ons die zelf zo´n kind hebben, die ze niet meer zien en waarvan de mensen zeggen dat ze het verkeerde pad zijn opgegaan. 

Jezus vertelt dit verhaal. Doet hij dat om de slechtheid van de zoon naar voren te halen? Jezus doet meestal iets anders wat wij zouden doen. Wij zouden mensen mijden die aan lager wal zijn geraakt. Jezus doet dat niet. Hij zoekt ze juist op. Hij vertelt dit verhaal omdat Farizeeën en schriftgeleerden hem er een verwijt van maken dat hij met tollenaars en zondaars optrekt en zelfs met hen eet.
Volgens mij vertelt Jezus dit verhaal om te laten merken dat er een barmhartige Vader is. Er is iemand bij wie je altijd thuis kan komen. Er is iemand die naar je uitkijkt en bereid is om zijn rijke huis te verlaten en je tegemoet te gaan. Er is iemand die zich niet schaamt voor je vuile kleren, de zweren die je op straat hebt opgelopen of voor de stank die er van je uitgaat. Hij heeft al lang naar je uitgekeken. Hij omarmt en kust je. Hij herstelt je in waardigheid. Je krijgt je beste kleren aan. Er wordt je een ring om de vinger geschoven en er wordt voor jou een feest georganiseerd.? 

Jezus laat met dit verhaal zien dat er altijd een thuis is. Als je het zo bontgemaakt hebt, dat er geen mens meer is, bij wie je kan aankloppen, dan is er altijd nog Hij die ons het leven heeft mogelijk gemaakt. God is een liefdevolle, barmhartige Vader, die nooit zoiets zal zeggen als ´eigen schuld, dikke bult`. Hij heeft er geen plezier in als het de zondaar slecht gaat. Hij ziet er naar uit, dat de zondaar weer terugkeert en dat Hij feest voor hem of haar kan maken. 

Dat is niet gewoon. Zo gaat het bij ons mensen meestal niet.Het is wel eens gebeurd dat iemand me bestolen heeft. U wil niet geloven wat ik die mens in mijn hart allemaal toegewenst heb. Ik zal geen uitzondering zijn. Normaal is het dat je wenst dat een boosdoener gestraft wordt. En als je dat zelf niet kan doen, dan hoop je dat het hem of haar erg slecht gaat. Misschien willen we wel dat God straft. 

Dat kunnen we wel wensen, maar het is maar de vraag of het zo gaat. In het verhaal wat we gelezen hebben, gaat het zo niet. En dat is iets ongerijmds. 

Het zou me dan ook niet verbazen dat menigeen onder ons zich kan herkennen in de oudste zoon. Hij heeft de terugkomst van zijn jongere broer niet meegemaakt. Als hij thuiskomt, merkt hij dat er groot feest is. Als dan blijkt dat dit feest om de terugkeer van zijn broer gaat, dan wordt hij kwaad.  Een oudste zoon had in die dagen een belangrijke rol bij een feest. Hij moest er voor zorgen dat iedereen het naar zijn zin had. Maar dat vertikt die oudste jongen uit ons verhaal. Hij is boos, bitter en verontwaardigd. Hij heeft geen broer meer en daar had hij zich al bij neergelegd. Wat haalt zijn vader in zijn hoofd? Hij trekt zich terug en neemt geen deel aan het feest. Opnieuw onderneemt de Vader actie. Bij zijn jongste zoon had hij op de uitkijk gestaan. Voor zijn oudste zoon verlaat hij heft feest en gaat op zoek. 

In de ontmoeting van die twee wordt duidelijk dat de oudste een heel speciale verhouding tot zijn vader had. Was hij een zoon, die met liefde leefde? Hij lijkt eerder op een slaaf, die met afgunst kijkt naar de vrijheid van zijn jongere broer en op een slaafse wijze alles doet wat de Vader, die eerder op een baas lijkt, van hem verwacht. 

Wat moet de Vader daar op zeggen? Hij wil niets liever dat ook de oudste zoon, die eigenlijk ook verloren was gelopen, weer tot leven komt, aan het feest deel  neemt, echt zoon wordt en een waarachtige broer.  Dan herhaalt hij wat hij al eerder tegen de knechten heeft gezegd: ´er moet feest en vrolijkheid zijn, want die broer van je  was dood en is levend geworden. Hij was verloren en is gevonden. 

Wat zal die oudste zoon met deze woorden doen? In het verhaal wordt dat niet vermeld. Misschien is dat wel met opzet. Misschien moeten we zelf het antwoord geven. Want de meeste van ons lijken toch net iets meer op deze oudste dan op de vrije jongen die de wijde wereld is ingegaan. 

Maar kunnen we aan ordentelijk leven  rechten ontlenen? Ons rustige leven kan bezield zijn van liefde. Het kan ook angst zijn dat er voor zorgt dat we alles doen wat van ons gevraagd wordt of verwacht wordt. Dat lijkt me niet zo heel erg. Vervelender is het wanneer we ons daar op een of andere manier op laten voorstaan..  Nog erger is het dat we het niet meer kunnen hebben, wanneer mensen die vroeger  in grote wanorde hebben geleefd, nu de barmhartigheid van God en het respect van mensen hebben verworven. 

Als we leven in bitterheid en jaloezie, dan hebben we net zo goed de vriendschap en de genegenheid van de Vader nodig dan die jongste die de bloemetjes  hebben buitgezet. 

Of we nu meer lijken op de jongste of op de oudste zoon, we mogen opstaan en weer thuis komen. Dat thuis is bij de barmhartige Vader die naar ons uitkijkt en die ons graag uitnodigt binnen te komen. We zijn welkom bij Hem 

Of misschien moeten we zelf wel die barmhartige vader of die menselijke moeder zijn, bij wie anderen thuis mogen zijn of thuis mogen komen, om hen welkom te heten die bij niemand anders meer terecht kunnen, om zo zelf Gods barmhartigheid te beleven.

 

Pastor Leo Nederstigt 

Preek in de Gerardus op 21 maart 2010
Lezingen: Jes. 43, 16 -21 en Joh. 8, 1 -11 

Laat ik maar eerlijk zijn. De Evangelielezing die ik net heb gehoord, kan ik maar niet los zien van alle verhalen, die deze dagen de ronde doen in onze kerk. Er wordt geoordeeld en veroordeeld. Dat gaat om mensen en om liederen die bij deze of gene, heel dierbaar zijn.Wat ik gemakkelijk doe, dat is de mensen die de vrouw uit het Evangelie naar voren brengen te vereenzelvigen met de menen in onze kerk die het op dit moment voor het zeggen hebben. Terwijl er zoveel aan de hand is, dat tot schaamte aanleiding geeft, worden tegelijkertijd lijnen strak aangetrokken en meningen opgelegd. En zo voedt ook deze lezing de ergernis, de boosheid en de irritatie die volop in mijn hoofd en vooral in mijn hart leven. Natuurlijk heb ik menigmaal gehoord van mensen die niet meer bij deze kerk willen horen. Gemeenteleden van onze protestante buren kijken een beetje meewarig naar ons katholieken. Heel veel katholieken, die de kerk al wat langer bewust of onbewust de rug hadden toegekeerd, menen nu toch echt hun gelijk te krijgen. Zie je wel, zeggen ze, dat er huichelaars rondlopen en mensen die hun macht misbruiken. 

Zo verkeren we als gelovigen van deze kerk  in de modder. Als we vanwege ons geloof of vanwege het opkomen voor recht, waarheid en gerechtigheid op onze kop kregen, dan zouden we  trots zijn. Als we enkel te maken hadden met vertrouwde critici, die overal wat op aan te merken hebben, dan zouden we onze schouders kunnen ophalen. Maar zo is het niet in onze dagen. We schamen ons. Ik schaam me. Mensen die een soortgelijke levenskeuze hebben gemaakt, die ik maakte, hebben slachtoffers gemaakt.  Zij zijn mensen van wie ik de worstelingen van binnen uit begrijp, maar van wie ik het echt verschrikkelijk vind dat ze machteloze mensen hebben beschadigd.   

Ik heb de stenen al in mijn hand: Grote en zware stenen, die hard aankomen en kleine geniepige steentjes, die de boosdoeners steeds weer zullen herinneren aan wat ze deden.Maar moet ik die stenen echt gaan gebruiken? Er zijn ook andere kanten. Ik hoor steeds dat je niets ten voordele van daders mag zeggen, maar ik  voel ook hun hulpeloosheid en onmacht aan. Ze waren kinderen van hun tijd.  Ik weet ook dat er buiten de kerk: in families, op scholen, in verenigingen kinderen beschadigd zijn en dat wat in de kerk is gebeurd en gebeurt nog maar een fractie is van een groot probleem. Mensen die via de kerk misbruikt zijn, vormen rond de 3 % van alle kinderen, mannen en vrouwen die misbruikt werden. Het meeste misbruik vond en vindt in de families plaats. We moeten ook eerlijk zijn. In de jaren 50, 60 en 70 waren er ongeveer 50.000 priesters, zusters en broeders actief. Op dit moment zijn er bij de meldingen 167 van hen betrokken bij misbruik Dat is veel te veel,maar niet iedere geestelijke is een dader. Ik wil dat wel naar voren brengen. Maar ik wil tegelijk zeggen, dat slachtoffers eindeloos meer recht hebben  op ons meeleven en op onze ondersteuning dan de daders. 

Ik wil nog iets naar voren brengen. En dat is dit: Ik wil niet alleen slachtoffers recht doen, maar ik wil ook naar mezelf kijken. Ik ben ook in staat andere mensen te kwetsen en te beschadigen. En ik niet alleen. Het kwaad wat deze dagen zo uitgebreid en schrijnend in het nieuws komt, wordt door een te grote maar in verhouding ook weer een kleine groep begaan. Het klimaat waarin zulke dingen konden gebeuren  en dat zolang verzwegen werd, wordt door meer mensen geschapen of gekweekt dan het groepje uitdrukkelijke daders. Onze bisschop spreekt over een gedateerd en schadelijk opvoedingssysteem. Wat vooral aan het licht komt, stamt voor een groot deel uit een tijd, waarin ouderen macht over kinderen en jongeren konden uitoefenen. Maar is dat allemaal voorbij?  Ik kan niet zeggen dat in onze dagen macht niet misbruikt wordt. Ik kan niet zeggen, dat kinderen, vrouwen, en mannen in onze dagen niet gekleineerd,vernederd, beschadigd of niet gezien worden. Ook in onze dagen worden mensen tot dingen gemaakt, die je kan gebruiken en wegdoen. Dat gebeurt in families en relaties en in vluchtige contacten. Ook in onze dagen worden dingen onder tafel geschoven. 

Ik wil dus dat  we ook naar onszelf kijken en niet alleen naar anderen moeten wijzen. Hoe kunnen we een bijdrage geven aan een menselijker, warmer klimaat, waarin aandacht en respect voor zwakkere mensen aanwezig is?  Hoe kan ik, hoe kunnen wij een sfeer scheppen, waarin ieder veilig kan leven in vertrouwen en in liefde? 

Ik ga daarom met enige huiver  terug naar het Evangelie. Als de vrouw al niet gebruikt is, dan wordt ze nu gebruikt. Ze wordt gebruikt om Jezus in een val te lokken. Hij kan niet te mild zijn.  Hij zou tegen de wet ingaan. Ik denk niet dat hij dat wil. Is Hij te streng, dan gaat Hij in tegen de menslievendheid, die hij altijd heeft laten zien en die kenmerkend is voor Zijn boodschap. Hij zwijgt en Hij schrijft. Op meer plaatsen heb ik gelezen wat mensen veronderstellen dat Hij schrijft. Ik veronderstel eerlijk gezegd, dat hij zomaar wat in het zand krast. Zijn schrijven begeleidt Zijn zwijgen. Hij bukt zich en Hij zwijgt, nu Hij met kwaad in aanraking wordt gebracht: het kwaad van het overspel, maar ook het kwaad van de aanklagers. Jezus zwijgt. Want soms is het beter om te zwijgen. Waartoe dient dat zwijgen? Volgens mij ervaart Jezus, dat Hij niet alleen tegenover één zondares staat, maar te midden van zondaars. Het is niet alleen de vrouw die op een gruwelijke wijze tot zondebok wordt gemaakt. Het zijn ook de anderen die de stenen al in de hand hebben. Het is niet hun zonde dat ze kwaad aanwijzen. Het is zonde als ze zichzelf vrij  pleiten door die ene aan te wijzen. Dat gebeurt vaak en  dat is te gemakkelijk. 

Waar het Evangelie mij toe uitnodigt is niet om kwaad te verdoezelen. Het nodigt mij uit tot openheid en eerlijkheid. Deze tijd is een aanleiding, om in dingen die gebeurd zijn in het verleden te bespreken. Voor een dader is er een mogelijkheid te erkennen. Een slachtoffer kan haar of zijn schaamte opzij zetten, omdat hij of zijn één van de velen blijkt te zijn. En wellicht is er ruimte om los te komen van de bitterheid, waarmee hun leven is vervuld Het Evangelie is voor ons allen een uitnodiging. Er ontbreekt nog zoveel aan een menselijke, eerlijke, rechtvaardige en goede wereld. Er worden zoveel wonden geslagen en kwetsuren toegebracht, ook door ons. Er is nog te weinig zorg, te weinig eerbied voor kinderen, vrouwen en mannen. Er is nog veel te doen, ook door ons, voordat de wereld die God voor ogen heeft werkelijkheid wordt.Die onvolmaakte wereld waarin wij persoonlijk of mensen om ons heen de dupe van zijn geworden wordt Bijbels gezien uitgedrukt in het woord ballingschap. De gebroken wereld die pijn doet mag je een ballingschap noemen, omdat je niet thuis ben bij jezelf of bij vertrouwde en veilige mensen. Het visioen van de eerste lezing en de psalm is dat er een einde kan komen aan die ballingschap. ‘Blijf niet staren op wat vroeger was. Zie ik ga iets nieuws beginnen’. Ik kan me voorstellen dat het vertrouwen in mensen bij een aantal mensen weg is. Maar dat betekent niet,dat ons vertrouwen in God weg hoeft te zijn. ‘Zie ik ga iets nieuws beginnen, het is al begonnen, merk je het niet’. God kan een moeilijke situatie aangrijpen, om ruimte te scheppen voor het onverwachte, het mooie en het goede in het leven. 

In dit vertrouwen wil ik graag verder met mijn leven en zelfs verder met de kerk, waarin ik ben geboren en menigmaal herboren ben; een kerk waarbinnen ik mensen vind zoals u die me inspireren en steunen; en kek waarin ik de Heer mag zoeken en gevonden mag worden. Een kerk, die ik samen met u en met anderen mag zijn.

 

Pastor Leo Nederstigt

 

Overweging op Palmpasen
28 maart 2010 Anna-Bonifatius
 

Zojuist hebben we het lijdensverhaal gehoord. Het is een drama dat heel veel indruk heeft gemaakt in de loop ter eeuwen. Het is op muziek gezet en verfilmd. 

Dit verhaal maakt ook  veel indruk op mij. Deze dagen  is onze kerk in aanraking gekomen met heel veel lijden. Dat is lijden waar mensen van de kerk verantwoordelijk voor zijn.  Dat vervult ons met schande en schaamte. Natuurlijk doet het me heel erg zeer, dat de kerk waarvan ik heel veel van houd, op deze wijze in het nieuws komt. Maar ik denk vooral aan het geestelijke lijden dat heel veel mensen hebben ondervonden. Ik besef nog sterker dan vroeger, dat er veel mensen zijn, ook in ons eigen midden, die beschadigd zijn in het verleden of wellicht nog steeds beschadigd worden.
Daarom is het niet alleen het lijden van Jezus dat ongetwijfeld heftig was. Het is ook het lichamelijk en het geestelijk lijden van heel veel mensen in ons eigen midden dat bij mij naar boven komt. En niet alleen in ons eigen midden. Het raakt mij enorm dat er over de hele wereld mensen zijn die moeten lijden: kinderen, ouderen, kwetsbare mensen worden slachtoffer van oorlog, geweld, misbruik, honger en onderdrukking. aanslagen plaats . Het lijden kan heel dichtbij komen. 

Wat  indruk op mij maakt is het feit dat zoveel mensen zich van Jezus hebben afgekeerd. Zijn diepste intentie en Zijn bedoelingen worden die meer gehoord en begrepen. Hij staat alleen. Niet alleen schriftgeleerden en Farizeeën hebben zich van Hem afgekeerd. Ook zijn eigen leerlingen, Petrus voorop, die Hem verloochenen en die in hun teleurstelling en radeloosheid niets meer met Hem te maken willen hebben. 

Het maakt indruk op mij, omdat we ons af kunnen vragen, wat wij doen op het beslissende moment. Wat doen we als de werkelijkheid zoveel ongerijmds in zich bevat, dat je dat niet of nauwelijks met je geloof kan rijmen. Wat doen we als we van aangezicht tot aangezicht tegenover het leed staan? 

Het verhaal maakt indruk op mij vanwege de schaduwkanten  van ons bestaan, dat er door wordt opgeroepen Het leven kan heel vreemd en moeilijk lopen. We kunnen soms het gevoel hebben dat alles voor niets was of dat we zelf of anderen niets voorstellen. Stel je voor dat je werk is mislukt. De mens met wie je zoveel jaren het leven hebt gedeeld, voelt zich niet meer bij je thuis. Stel je voor dat datgene wat voor jou heilig was of waarin je zoveel energie had gestopt, wegvalt, wat dan? Voor mij zijn dat geen verzinsels. Ik maak dat heel vaak mee. Mensen moeten soms zoveel verduren en verdragen.  

Het lijdensverhaal lijkt uit te lopen op de grote mislukking van Jezus. En toch… we weten of beter moet ik zeggen dat we geloven in een gelukkige afloop. Of moet je zeggen: we geloven in een gelukkig nieuw begin. Pasen kan ineens zo dichtbij komen, wanneer je ondanks alles toch in het leven kan blijven geloven. Pasen komt dichtbij, als er mensen zijn die je verstaan. Als je leed begrepen wordt en als je door alle ongerijmdheid van de dingen heen kan blijven vertrouwen in een nieuwe morgen.

Het verhaal raakt me. Het gaat over een mens, die zoveel goedheid en zoveel liefde, zoveel vertrouwen en zoveel mededogen heeft uitgestraald. En deze mens, zo geloof ik, is de gestalte van onze Hoogverheven God. Als God zo in de diepte en in de schaduw of in de modder van ons dagelijks bestaan durft af te dalen, dan moet Hij wel heel vertrouwd zijn met onze angsten en met ons verdriet. In zo´n God mag ik, mogen wij geloven. 

Deze week is een kostbare week. Wat we deze dagen vierend gedenken is bij wijze van spreken een spiegel van ons leven, een spiegel van onze eigen werkelijkheid. Ondanks alles wat in ons tijdens en bij dat lijdensverhaal opkomt, mogen we blijven vertrouwen. We worden daartoe opgeroepen en uitgenodigd, ook al weten we niet waar het allemaal op uitloopt. Het moedige van Christus is, dat Hij is blijven vertrouwen ondanks dat zwarte gat dat de dood ook voor Hem moet geweest zijn. En wij hebben daar mooie woorden voor gevonden. We zeggen dat  Christus de dood heeft overwonnen en daardoor heeft Hij velen die in de schaduw van de dood leven, nieuwe hoop, nieuwe toekomst,nieuw leven gegeven. Met die hoop mogen we leven in goede en in kwade dagen.          

Pastor Leo Nederstigt

 

 

 Preek op Witte donderdag  
1 april 2010 Gerardus Majella
 

Zusters en broeders, 

Over het algemeen zijn we er beter in om elkaar de oren te wassen dan de voeten. Het gaat ons gemakkelijker af elkaar te bekritiseren en  op onze nummer te zetten dan te steunen en te bemoedigen. Jezus vraagt ons niettemin dat we elkaar de voeten wassen.  Beter dan dat de voorganger de rol van Christus op zich neemt en de voeten wast, zou het zijn –denk ik – dat we elkaar de voeten wassen. Praktisch gezien zou dat wel een waterballet worden, maar het zou wel dicht bij onze opdracht komen. 

De voetwassing vind ik een bijzonder gebaar dat meer dan veel woorden uitzegt, wat ons te doen staat en  wat Jezus ons heeft geleerd. De kracht van het gebaar is nog meer te begrijpen, als we ons het warme klimaat van Israël voorstellen en als we bedenken dat er heel veel afstanden te voet werden afgelegd. Als je op weg bent, dan moeten af en toe de voeten verfrist worden. Dan kan je verder. De voetwassing gebeurt met het oog op de tocht die we nog voor de boeg hebben. Geen wonder dat we als tussenzang zongen: ‘Thans wandel ik vrij voor uw aanschijn in het land waar de levenden zijn.’ In poëtische taal wordt bezongen wat we mogen doen. We zijn nog niet op de plaats van bestemming. We mogen op weg gaan. We zijn in het land van de levenden. In dat land moeten we elkaar bemoedigen, steunen, helpen en dienen. Als we eenmaal op de plaats van bestemming zijn, dan mogen we rekenen op Gods zorg. 

Drie evangelisten vertellen het verhaal van het Laatste Avondmaal. Ze beschrijven, hoe Jezus het brood nam en de beker. Maar Johannes doet dat niet. Op de plaats waar anderen beschrijven wat Jezus met brood en wijn deed, vertelt hij het verhaal van de voetwassing. Is dat een correctie op de andere evangelisten? Of is dat misschien een verdieping van datgene, wat we hier week in week uit vieren? 

Ik vermoed dat dit verhaal zowel een correctie als een verdieping kan zijn. Wij genieten het voorrecht hier regelmatig ter mogen eten van het brood dat de Heer ons aanbiedt. We missen iets, als er geen Communie is. De Communie is een gave, die ons troost geeft. Ze doet ons de vriendschap van God voor ons beleven. Ze verbindt ons met mensen, die we in het dagelijkse leven niet iedere dag tegenkomen, maar die wel onze broeders en zusters zijn. In geloof spreken we uit dat in het gezegende brood de Heer werkelijk aanwezig wil zijn. 

Maar wonderlijk is het wel. Het is wonderlijk, omdat God zo wonderlijk is. We kunnen God niet grijpen, niet vastpakken. We noemen Hem een verborgen God. Wie is Hij? Hij is liefde. Hij geeft zichzelf onvoorwaardelijk en belangeloos. Hooguit kan je zeggen, dat Hij het nodig heeft lief te hebben. Op Zíjn tijd heeft Hij  zich verborgen in Jezus. In deze mens kwam aan het licht, wie Hij was, wat Zijn bedoeling was en wie wij moeten zijn. Door Jezus weten we dat God zichzelf heeft gegeven en mensen zo waardig acht en zo de moeite waard, dat Hij  in hen wil leven. 

Mij lijkt dat dit het is wat we doen als we te Communie gaan. We laten Jezus Christus toe in ons leven. Dat doen we op een heel lichamelijke wijze. We eten Hem in het Brood dat ons wordt aangeboden. Door dat te doen laten we ons verlangen zien, dat Hij in ons leeft. Hij mag werkelijk aanwezig zijn in ons leven. 

Daarom is te Communie gaan ook wel een beetje spannend. Het is spannend, omdat we i ets van onze eigen plannen, impulsen en ideeën loslaten, om Hem toe te laten, die we willen volgen en dienen. En wat ons wordt gevraagd wordt uitgedrukt in de voetwassing. Ons wordt gevraagd elkaar te steunen op de weg die we gaan. Dat kan je doen door voeten te wassen. Maar op de weg van het leven is er heel veel nodig: aandacht, zorg, bemoediging, troost, interesse, stimulans, begrip, verfrissende ideeën. Dat wil Jezus van Zijn leerlingen en dat heeft Hij dan ook volop zelf gedaan. 

Geen wonder dat het een groot maar lastig cadeau is wat er ons gegeven is. In de Communie krijg je het leven terug zoals het bedoeld is: dat is een leven van dienen. Zo word je echt jezelf.  

We kennen onszelf. Dat gaat niet ineens. Dat is een weg, soms een lange en moeilijke weg. We hebben elkaar nodig om bij wijze van spreken onze voeten te wassen op die weg, opdat we echt vrij voor Gods aanschijn kunnen wandelen.

 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op beloken Pasen op 11 april 2010 in de Anna Bonifatius
Lezingen: Hand. 5, 12 -16 en Joh. 20, 19 -31 

Zusters en broeders, 

Pasen gaat nog wel even door. We leven in de paastijd en in de lezingen die ons worden aangeboden dringen we langzaam aan door in het geheim van Pasen. Zo is dat ook vandaag. Op zondagavond, de avond van de verrijzenis, staat Jezus plotseling in het midden van de leerlingen die beduusd en angstig bij elkaar zijn. Hij wenst hen ‘vrede`toe. Dat lijkt een tamelijk normale groet. Joden groeten elkaar met ‘Sjaloom`, ‘vrede`. Maar hier heeft de groet toch wel een behoorlijke lading.  De leerlingen die bij elkaar zijn, hadden Jezus allen in de steek gelaten op het beslissende moment. Ze hadden dus wel iets goed te maken. Wat krijgen ze te horen: ‘Vrede’. Jezus  draagt hen niets achterna. Hij vergeeft hen.Maar Hij maakt het cadeau nog groter. Hij maakt van dat cadeau een opdracht. ‘Wier zonden jij vergeeft, die zijn ze vergeven. Vergeef je ze niet,dan zijn ze niet vergeven.’  Pasen en vergeving blijken hier bij elkaar te horen. 

Het woord ‘vergeving’ is iets wat we tamelijk gemakkelijk in de mond nemen. Misschien hebben we ook al dikwijls tegen anderen gezegd, dat ik haar of zijn excuus aanvaard. Als het om kleine dingen gaat, dan zal het ook heel oprecht zijn, dat we iemand iets niet kwalijk nemen. Maar we kunnen  ook te gemakkelijk vergeving vragen of aanvaarden. Ik bedoel dat we elkaar soms zo diep kunnen kwetsen, dat er nog heel wat overblijft na een excuus of nadat we zelf maar besloten hebben het los te laten. Er lopen naar mijn gevoel heel wat mensen rond, die van binnen bitter zijn of kwaad. Er zijn heel wat mensen beschadigd of gewond.  Kan Pasen met dat cadeau van vergeving ook iets zijn voor hen die wel heel diep zijn beledigd, gekwetst of pijn gedaan? Kan Pasen – andersom- ons helpen in te zien, hoe we elkaar te kort doen? Kan Pasen helpen ons met elkaar te verzoenen? 

Deze vragen kwamen bij mij op bi het lezen van het Evangelie van vandaag. Ik ga naar Thomas, de hoofdpersoon van deze zondag. Je kan op heel veel manieren over Thomas nadenken. Ik waardeer hem eigenlijk heel bijzonder. Voor mij is Thomas geen ongelovige, maar een gelovige, die niet klakkeloos accepteert. Hij houdt zijn vragen en die wil hij opgelost zien. Misschien gaat zijn zogenaamde ongeloof niet alleen over de vraag of Jezus echt wel leeft en aan de leerlingen is verschenen. Misschien vraagt hij zich ook wel af of die vergeving, die Jezus aanbiedt.  echt wel klopt. Hij moet een diep gevoel hebben gehad van wat Jezus is aangedaan. Dan verschijnt Jezus opnieuw. Hij gaat naar Thomas toe en nodigt hem uit zijn wonden aan te raken. Dat is iets wat me treft. Jezus ontkent niet dat Hem iets is aangedaan. Hij toont Zijn wonden. Thomas moet ze met zijn handen en vingers aanraken. Hij moet voelen dat die wonden echt zijn. Als Hij dat gevoeld en gezien heeft, kan hij geloven. Hij kan geloven dat het de Heer is, die leeft. Hij kan en mag ook geloven dat het woord ‘vrede’ geen leeg woord is maar een uitdrukking van vergeving. 

Kunnen wij vergeven? Kunnen wij vergeving ontvangen en geven? Als iemand ons kwaad doet: kwetst, beledigt, niet wil begrijpen, ons vernedert, geweld aandoet of misbruikt? Bij dit laatste heb ik en velen met mij de laatste weken heel veel stil gestaan. Er zijn heel veel mensen gekwetst omdat ze beschadigd zijn door mensen die ze vertrouwden, met name door priesters en religieuzen. Die wonden gaan deze dagen weer open. Ze doen nog meer zeer omdat ze door anderen werden ontkend, niet gezien, verdonkeremaand of in de doofpot gestopt. Iedere dag komt er wel iets naar boven en dat gaat vast nog wel een tijdje door. Dat is vervelend en schandelijk voor onze kerk, maar wat ik hoop van deze periode is, dat er openheid komt. Het is belangrijk dat mensen echt voor de draad durven komen met donkere periodes in hun leven. Er zijn diepe wonden geslagen. Dat kan al heel lang geleden zijn gebeurd, maar nog steeds een levende herinnering zijn in dromen, in gedrag, in flash backs.

Hoe kan er ooit recht worden gedaan, als de verhalen niet worden gehoord? Hoe kan je dat allemaal een plaats geven? Duidelijker dan tevoren is er nu een klimaat, waarin de verhalen gehoord mogen worden. Ik denk dat ze nu gemakkelijker geloofd zouden worden. 

Er zullen ook mensen zijn, die nu pas echt onder ogen zien, wat ze hebben aangericht. We noemen hen daders. Zou de gedachte bij hen opkomen, om vergeving te vragen en genoegdoening te geven? Ik hoop het wel, maar ik denk dat iemand pas echt om vergeving vragen, als hij of zij heeft gevoeld wat hij heeft aangericht.

Zoiets zie ik gebeuren in het Evangelie. De Heer biedt wel zijn vergeving aan . Maar Thomas voelt pas echt wat er is gebeurd, als hij de wonden kan aanraken. En Jezus  liet die wonden aanraken door Thomas. Hij laat ze zien.  Dit wordt mij door het Evangelie van vandaag steeds duidelijker.  Vergeving is nodig, om mens te kunnen zijn. Er is iemand nodig, die ziet, wat jouw lijden is, wat jou is aangedaan en wat jou gekwetst heeft of in de put deed belanden.  Ik weet dat het heel moeilijk is, om je wonden onder woorden te brengen, zeker als het gaat over de schending van je eigen lichaam.  Ik ken iemand die er dertig jaar over heeft gedaan. Maar ik vermoed en ik hoop tegelijk dat dit toch heilzaam is. Want zo kan je de ruimte scheppen ,waardoor een dader kan begrijpen of omstanders kunnen meevoelen.  

Jezus is diep geschonden, tot ontluistering en lichamelijke vernedering toe. Wat is er in Hem gebeurd, dat Hij vergeving kon aanbieden?  Vooralsnog mogen we heel dankbaar zijn, dat Hij ons aanvaardt, wat we in ons leven ook hebben gedaan.  Die dankbaarheid schept al ruimte.  Kunnen wij vergeving vragen, als we anderen hebben gekwetst?  Ik denk dat dit vraagt, dat we diep doordrongen zijn van de pijn die we anderen aandeden. Kunnen we vergeving aanbieden? Ik denk dat dit pas echt mogelijk is, wanneer je voelt, dat je heel diep begrepen bent en jouw pijn is verstaan. Dat kan moeilijk zijn, zeker als je jouw pijn al jaren met je meedraagt.  

Ik vind dat wij als kerk in een heel moeilijke periode leven. ‘Wat in het verborgene is gedaan, wordt van de daken geschreeuwd.’ Dat doet pijn, maar het moet gebeuren, zo waarachtig en eerlijk mogelijk. Toch heb ik ook het hoopvolle gevoel dat dit een periode is van nieuwe kansen.  Er is nog een lange weg te gaan, maar ik  hoop op een eerlijke en waarachtige geloofsgemeenschap. Niemand kan garanderen dat er nooit meer fouten worden gemaakt, ook niet na deze periode. We kennen onze geschiedenis.  Maar we kunnen wel naar wegen zoeken, hoe wonden, die mensen elkaar aandoen, zichtbaar worden. We kunnen ook eerlijk zijn over onszelf en over de kerk. Ik denk aan een uitspraak van Franciscus.  In mijn ogen was hij een heilig mens. Maar hij had een diep gevoel van tekort schieten van hemzelf en van zijn gemeenschap. Hij zei: ‘Tot nog toe hebben we er ‘nog niet veel van gemaakt. Laat ons maar weer opnieuw beginnen’. Dat is erkenning en hoop tegelijk. Ik hoop van harte dat we het met elkaar uithouden, ook in deze kerk. We hoeven niets of niemand te verdedigen. Maar met Franciscus kunnen en mogen we zeggen: Tot nog toe hebben we er nog niet veel van gemaakt. Laat ons maar weer opnieuw beginnen.

pastor Leo Nederstigt 

 

Preek in de Gerardus op 18 april 2010
Lezingen: Hand. 5, 27b -32. 40 -41 en Joh. 21, 1 -19 

Zusters en broeders, 

Waar doe ik het eigenlijk allemaal voor?’ Ik hoor mensen dat wel eens zeggen. Jarenlang hebben ze hun beste krachten aan een werk gegeven. En dan worden ze opzij gezet en vervangen door iemand anders. ‘Waar doe ik het allemaal voor?’Ik hoor dat ook wel eens van ouders. Dag aan dag zetten ze zich in voor hun kinderen in de hoop dat het hun goed zal gaan en dat ze een goede weg zullen vinden. ‘War doe ik het allemaal voor?`Ik hoor dat ook vrijwilligers en pastores zeggen. De droom die zij van een menselijke en inspirerende kerk hadden, kan zomaar in duigen vallen.  

Het gevoel dat je voor niets werkt is van alle tijden, denk ik. Het is in ieder geval een gevoel dat onder de lezing van het Evangelie aanwezig is.  Ik vermoed  dat het verhaal dat we zojuist hebben gelezen eigenlijk een verhaal is over de kerk, weliswaar over de kerk van de eerste jaren, maar wellicht ook een verhaal over de kerk van deze tijd. En natuurlijk ook over al die mensen die met iets goeds bezig zijn maar toch maar weinig resultaat zien. 

Er zijn zeven leerlingen bij elkaar. Dat moet wel een beeld zijn van zeven gemeenten,die in het boek der openbaring, het laatste boek van de bijbel,worden genoemd.  Het is de eerste aanwijzing dat het gaat over de kerk van de eerste jaren. Die zeven zijn bij elkaar. Petrus neemt het woord en het  initiatief. ‘Ik ga vissen’, zegt hij. Neemt hij gewoon zijn oude baan weer op? Ik geloof daar niets van. Hij en de andere leerlingen werden vissers van mensen genoemd. Wat hij met de anderen aan het doen is, dat is mensen vissen. Hij doet dat in de nacht. Dat is een beeld voor donkere tijden, de donkere tijden waarin de eerste leerlingen hun werk moesten doen. 

Het wordt nog donkerder. De vangst is uiterst schraal. Er wordt niets gevangen. Het werk verkoopt moeizaam.  Met dat  teleurstellende gevoel beladen  zien ze iemand op het strand staan. Hij dringt er bij hen op aan het nog een keer te proberen. Ze gaan, niet zonder aarzeling,  op de uitnodiging van de onbekende in en gooien hun netten uit aan de rechterkant van de boot. Dan vangen ze 153 vissen. Ook dat getal is niet zonder betekenis. Er waren toentertijd 153 volkeren bekend. Er worden mensen gevangen vanuit alle volkeren en talen. Ondertussen staat de man  nog op het strand. Hij heeft vuur gemaakt met brood en vis daarbij.  De leerling, die Jezus liefhad, Johannes, krijgt door wie de onbekende op het strand is. ‘Het is de heer`zegt hij. Petrus geeft een spontane reactie. Hij trekt zijn bovenkleed aan. Hij was naakt, zo staat er letterlijk in de tekst. En hij komt in al die kwetsbaarheid naar Jezus toe, die hem en de anderen te eten geeft. 

Dat zou al genoeg zijn voor vandaag. Hier zijn de zuilen van de kerk van die dagen bij elkaar. Maar ze worden moedeloos van het povere resultaat van hun werk. Werken ze dan niet goed genoeg? Vermoedelijk doen ze alles, wat nodig is. Maar het eigenlijke komt nog. Het eigenlijke is, dat ze doen wat de Heer zegt. Ze gaan in op Zijn uitnodiging. Je zou kunnen zeggen, dat de menselijke inspanning pas vruchtbaar wordt als de Heer meewerkt. Een psalm zegt dan ook: ‘Als de heer het huis niet bouwt, dan bouwen de bouwer voor niets`. Dat wil niet zeggen, dat je meteen door hebt dat het de Heer is die uitnodigt of meewerkt. Daar is een bepaalde manier van zien voor nodig, een zien, dat gelden is met liefde en met vertrouwen . Het is Johannes, de dromer die dat het eerst ziet.  Zijn dromen en zijn zien brengen Petrus en anderen weer in beweging. 

Zo verschijnt in dit Evangelie in kort bestek, een hele dynamiek, een hele beweging  voor je, die je nog steeds in de kerk kan vinden. Ook in de kerk is de Heer aanwezig. Hij is het die ons uitnodigt om door te gaan en het goede te doen. Hij is het die in ons midden wil leven en ons te eten geeft..  Er zijn mensen in de kerk. Allereerst zijn er  onder ons die dromen en inspireren. Ze hebben lief en met ogen van liefde kunnen ze zien wat er gaande is. Er zijn ook anderen . Zij zijn praktischer van aard en doen gewoon wat er gedaan moet worden.  Zo zijn we samen kerk en de heer werkt en leeft met ons mee.  In donkere tijden kunnen we ons hieraan optrekken. 

Het Evangelie gaat nog door. We zijn getuigen van een ontroerende ontmoeting tussen Jezus en Petrus. Tot drie keer toe had Petrus Jezus verloochend. Tot drie keer toe vraagt Jezus nu of Petrus hem liefheeft. Als Petrus dat bevestigt krijgt hij de opdracht de schapen te hoeden.  Hij krijgt hiermee  een verantwoordelijke taak, een leidersfunctie. Maar wat voor leider is hij? Hij is iemand, die Zijn meester op een belangrijk punt in de steek had gelaten. Het lijkt wel alsof dat goed uitgepraat moet worden in de ontmoeting van Petrus en Jezus. Die ontmoeting heeft zeker pijnlijke kanten. Het doet zeer nog eens met je zwakheid in aanraking te komen. Maar Petrus krijgt hier wel de kans deze donkere episode achter zich te laten en zich geheel en al met de Heer te verzoenen. Van dat moment af geeft Petrus leiding aan bewogen en aangeraakte leerlingen.

Ook dat hoort bij de kerk. Wij zijn geen volmaakte mensen. Ook degenen die leiding geven in de kerk zijn geen volmaakte mensen. We worden ons er deze dagen maar al te zeer van bewust. Nog erger dan al het leed dat is aangedaan, is het feit dat dit allemaal zo verdonkeremaand en verborgen is gehouden. De kerk moest lang de schijn ophouden dat ze volmaakt was. De kerk is echter niet volmaakt omdat er alleen maar prachtige mensen toe behoren. De kerk is goed en de moeite waard omdat het de heer is die met en in ons werkt en steeds weer opnieuw met ons wil beginnen. 

‘Heb je mij meer lief dan de anderen?’vraagt Jezus? Hij wil hiermee geen competitie laten ontstaan, maar hij laat merken dat het in de kerk  om liefde gaat. Die liefde schept hoop en vertrouwen voor de toekomst. Die liefde draagt ons ook door moeilijke tijden heen.


Pastor Leo Nederstigt

Preek in de Anna –Bonifatius op 25 april 2010
Lezingen: Hand. 13,14.43 -52 en Joh. 1027 -30 

Zusters en broeders,

Soms houdt  me de vraag bezig wat ons bezielt als we hier in de kerk komen. Er zijn ook andere dingen te doen op zondagmorgen. Er zijn veel redenen te bedenken om deze gewoonte te staken. Behalve redenen van persoonlijke aard, bevindt de kerk zich in zwaar weer. Op straat, op de markt, in de families thuis, overal wordt er gepraat over de schandalen die deze weken aan het licht zijn gekomen.  

Toch  moet ik de vraag anders stellen, dichter bij mijn eigen gevoel. Want in werkelijkheid voel ik me goed, dat we ook vandaag weer met genoeg mensen zijn om samen te bidden en te zingen. Ik sta er verwonderd over dat we dat cadeau aan elkaar geven. Het maakt me blij, dat ik niet de enige ben voor wie geloven zo ontzettend de moeite waard is, dat ik er van wil blijven horen en wil blijven zingen. Ik heb ook het voorrecht heel regelmatig mensen te ontmoeten, voor wie het geloof snaren kan raken, die van tijd tot tijd tot klinken komen. Zo kreeg ik niet lang geleden een telefoontje van mijn neefje: ‘Ome Leo, mijn vriendin en ik krijgen binnenkort een kind.  Eigenlijk zouden we dat graag willen dopen, maar kan dat wel. We zijn niet getrouwd. We gaan de laatste jaren ook niet meer zo naar de kerk. Maar we willen daar toch graag eens over praten….’ Zulke vragen doen me goed, omdat ik dan voel dat – om het met mijn woorden te zeggen – onze lieve Heer, mensen van tijd tot tijd bij de kraag grijpt en in beweging brengt. Dit vind ik dan mooie ervaringen, maar ik raak ook zeer onder de indruk van mensen, die gewoon het goede doen, trouw zijn in hun zorg naar anderen, opkomen voor mensen die niemand hebben. Waar van uit doen ze het? Als ik zou zeggen dat ze echt christelijk bezig zijn, dan zouden ze hun schouders ophalen, maar in mijn beleving heeft het goede handelen heel veel met God te maken. 

Veel minder spectaculair dan in andere tijden, maar ook nu verspreidt het Evangelie zich, traag weliswaar, niet zo massaal, maar het gaat rustig en kabbelend voort en soms ontbrandt er een laaiend vuur. Zo beleef ik dat, Over het algemeen ben ik meer verbaasd over hoeveel geloof er nog te vinden is, dan ongerust dat er zoveel wegvalt en zoveel plaatsen overblijven.En laten we eerlijk zijn, er zijn tijden en plaatsen dat we ook binnen de katholieke kerk het geloof van harte kunnen vieren en beleven. Ik denk aan doopvieringen, aan uitvaarten. Gisteren was ik nog bij een heel feestelijke viering van een abt die 50 jaar in het klooster is en op dat feest waren vele mensen voor wie hij iets mocht betekenen. 

Als ik daar zo mee bezig ben , is het geen wonder dat ik me geraakt voel door de eerste lezing. Paulus en Barnabas vertellen vrijmoedig en met overtuiging hun verhaal over Jezus van Nazareth. Het slaat aan. Steeds meer mensen komen naar hen luisteren. Ze trekken zoveel mensen, dat Joodse gezagsdragers jaloers worden. Dan ontstaat er iets dat wel heel ingrijpend blijkt te zijn in de kerkgeschiedenis. Paulus en Barnabas krijgen enorm veel tegenwerking van Joodse leiders. Ze worden uitgescholden en verdacht gemaakt. Ze hitsen voorname mensen tegen hen op. Het gevolg is dat zij het gebied moeten verlaten. Paulus en Barnabas schudden het tof van hun voeten ten teken dat zij met hen gebroken hebben, zo staat er. Dit is het eerste duidelijke blijk van een scheuring tussen Joden en Christenen. En die scheuring, die zich op andere plaatsen in de Handelingen herhaalt, heeft enorme consequenties tot op de dag van vandaag. De schaduwkant van de blijde verkondiging van het Evangelie is de scheiding tussen Joden en christenen. 

Wat bezielt ons om vandaag in de kerk te komen? Kijken we naar het Evangelie. Jezus noemt zichzelf eerder de goede herder. Vandaag laat Hij zien dat er een innige band is tussen de Herder en Zijn schapen. Ze luisteren en ze volgen. Ze ontvangen het goede leven, eeuwig leven, een leven van diepe verbondenheid met God en met mensen. Ze gaan niet verloren. Want de band tussen de schapen en de herder is gegrond in de band die er is tussen Jezus en Zijn Vader. Vandaar kan Jezus zeggen, dat er niemand is, die ze van Hem zal wegroven. 

Dit is geen gemakkelijke tekst. Ik kan hem eigenlijk niet helemaal goed begrijpen. Mar ik voel dat hier iets kostbaars aan de orde is. Wij zijn niet zomaar mensen. We zijn er niet op niks af. We zwerven niet zomaar rond. We zijn geborgen in de band die er tussen Vader en Zoon is. Of eerder: we maken er deel van uit. We maken er deel van uit door gehoor te geven aan de stem van de Heer en Hem te volgen. 

Paulus heeft op zijn eigen manier laten horen, dat het leven zonder God zijn glans verliest. En Jezus heeft ons een begaanbare weg getoond naar God. Johannes geeft uiting aan een diepe beleving. Soms kunnen man en vrouw zich echt één voelen. Dat moet ook mogelijk zijn tussen vrienden of vriendinnen. Dat kan zo waardevol zijn, dat het leven daardoor de moeite waard wordt. Dat is het wat Johannes ons wil zeggen”Luister naar de stem van de goede herder. Volg die. Je leven zal er kostbaarder van worden en vol betekenis en zin raken. 

Het is vandaag roepingenzondag. Ik hoef u niet te zeggen, dat ieder van ons en eigen roeping heeft. Mag ik vandaag ook aandacht vragen voor die mensen, die vroeg of later in hun leven  ervaren hebben dat je van God kan leven. Voor de een kwam die ervaring in gebed of in stilte. Bij een ander werd de mens in nood een uitnodigende en liefdevolle stem van God. Ik bedoel dat er mensen waren en mensen zijn, die een bestemming vonden in het leven in of met God. Onder religieuzen en priesters zijn er die daarin nog steeds de basis van hun leven vinden. Is dit een tijd om mensen in onze kerk tot zo’n levensroeping uit te nodigen?  Het kan immers ook verschrikkelijk mis gaan?  

Die vraag kan ik op dit moment niet beantwoorden tenzij door op mensen te wijzen, die diep geluk gevonden hebben in hun roeping. Ik had het geluk er gisteren een paar van te ontmoeten. En natuurlijk weten we dat ieder mens zwak en kwetsbaar is en dat we de Heer, de goede Herder heel hard nodig hebben, om het zwakke en het kwetsbare in ons uit te laten groeien tot iets moois en iets menselijks. 


Pastor Leo Nederstigt

Preek op 16 mei 2010 in de Gerardus
Lezingen: Hand. 7,55 -60 en Joh.17, 20 -26 

Beste mensen, zusters en broeders, Als het ’s nachts stil wordt in de stad, als de televisie uit is en het gepraat van overdag is weggeëbd en het verkeer rustig is geworden; als je de slaap niet kan vatten, dan wordt het druk in je hoofd. Je verdriet komt boven. De kansen die je gemist hebt. De mensen die je lief zijn en die aan je denken. Je boosheid komt naar boven en al die dingen waardoor je gekwetst werd en tekort gedaan. Het verlangen komt om de hoek kijken, het verlangen naar begrip, naar liefde, naar intimiteit. Kortom, het kan heel druk zijn in je hoofd en in je gedachten.  Als je de slaap niet kan vatten, ga je malen en rondtollen. Want er is veel. 

In ons hoofd is er veel, maar stel je voor dat we in ons hoofd of beter nog in ons hart plaats inruimen voor God. Stel je voor dat we zulke gastvrije mensen zijn dat we open kunnen staan voor een gast, die meer aan ons geeft dan dat we Hem moeten geven. Stel je voor dat we die nabijheid aan onszelf gunnen, dan voelen we dat er naast dat velen ook eenheid is.  

God is één. Jezus en de Vader zijn één. En Jezus bidt dat wij gelovige mensen, protestant, christen, katholiek, orthodox , goeden of slechten of wat dan ook, ook één zijn. Als we liggen te malen over het vele in ons hoofd, dan merk je vroeg of laat, dat het maar doorgaat. Je schiet er niets mee op. Maar stel je voor dat je in jezelf tot rust komt. Als er ruimte komt voor vertrouwen en  geduld, dan kan je gaan voelen dat je dicht bij God bent of beter: dat God dicht is bij ons. En in God of met God voel je aan, dat je thuis mag zijn bij Hem. Je deelt in de eenheid, die er in Hemzelf is en die er is tussen Hem en Jezus. En die eenheid geeft kans aan de liefde.

Als er veel onrust is in onszelf dan kan er wel verlangen zijn, maar het kost enorm veel moeite om te voelen dat je echt liefgehad wordt. Nog meer moeite kost het om gewoon lief te hebben.  Het Evangelie gaat over het kostbaarste wat ons mensen overkomt of is overkomen. We worden liefgehad. Er wordt van ons gehouden, niet omdat we zulke krachtpatsers zijn,niet omdat we zoveel gepresteerd hebben, niet omdat we een voorbeeldig leven hebben geleid. We worden liefgehad omdat jij jij bent:. Jij bent een mens. Jij bent gewild, de moeite waard, kostbaar en heel heel waardevol. Er wordt van je gehouden, zonder belang, zonder voorwaarde vooraf, zonder op je verleden te letten. Dat is de liefde van God. En aan die liefde raken we, als we binnengaan of in de buurt komen van de eenheid die God is en de eenheid tussen Vader en de Zoon. 

Deze dagen zijn bijzonder. Natuurlijk zijn ze bijzonder omdat veel mensen vrij zijn en er een koud maar lang weekend van maken. Ze zijn bijzonder omdat honderden mensen een dode betreuren, die is omgekomen in Tripoli. Maar ze zijn ook bijzonder omdat we in deze tijd leven tussen Hemelvaart en Pinksteren. Afgelopen donderdag was het Hemelvaart. Volgende week is het Pinksteren. Op Hemelvaart vierden we dat Jezus zijn taak volbracht heeft. Hij heeft geleefd. Hij is gestorven. Hij is verrezen. Hij heeft zich laten zien als de  verrezen Heer aan Maria Magdalena en aan anderen. Nu keert Hij terug naar de Vader. Dat moet Hij doen, heeft Hij gezegd, om een Helper te sturen. Die helper is de heilige Geest. Hij of zij is het die warmte geeft, liefde, wijsheid en die ons in herinnering brengt waarvan en waarom we leven. 

Deze tijd tussen Hemelvaart en Pinksteren is een tijd van gebed en van stilte. Er is veel te bidden. We willen wel bidden voor onszelf, voor een goede afloop van wat ons bezig houdt, voor kinderen, kleinkinderen, genezing van ziektes.  Er is veel te bidden met woorden. Maar beter is het om deze dagen stil te worden. Stil worden om ruimte te scheppen: Ruimte en gatvrijheid voor de helper, de heilige Geest, die tot ons komt en die door elke gesloten deur en elk gesloten hart kan doordringen. En wie weet waartoe dat leidt. 

Het kan tot iets heel goeds en bijzonders leiden. Daarom lazen we de eerste lezing. Stefanus komt op de proppen. Hij was aangesteld om de armen te helpen en weduwen en wezen, vluchtelingen en vreemdelingen te ondersteunen. Hij hield zijn mond niet over Jezus en over zijn verbondenheid met God. Maar dat praten over Jezus was bedreigend voor de heersende klasse. Woest werden ze op hem. Zo woest dat hij er aan moest. Hij moeste gestenigd worden.  Hoe reageert Stefanus, als hij weet dat deze dood hem te wachten staat? Hij zegt dat hij de hemel open ziet staan. Wat heeft hij dan gezien? Wellicht ziet hij hoe dicht de Vader en Jezus bij elkaar zijn. Maar dat zegt hij niet. We weten niet wat hij precies ziet. We weten dat wel dat hij met grote hoop en diep vertrouwen is geladen. Daardoor kan hij veel aan. Daardoor kan hij zelfs de marteldood aan. Daardoor bidt hij zelfs voor zijn beulen. Wat een kracht kan er zijn, als je vol bent van God. Wat een vertrouwen, als Zijn Geest je leven beheerst! 

Sinds hemelvaart staat de hemel ook voor ons open. Gelukkig hebben we nog niets gezien. Het staat ons nog te wachten. Maar lezend in de bijbel en biddend, weten we dat er toekomst voor ons is. Er is toekomst als het uur van de dood is gekomen. De hemel is voor ons al op een kier gezet. Juist vanwege dat besef en dat geloof, mogen we ook vertrouwen op de toekomst van morgen en overmorgen. 

Het doet er niet zoveel toe wat mensen over ons denken of zeggen. Diep in ons is er een plek waar we echt onszelf zijn. Dat is de plek waar we geraakt worden door Hem, die van ons houdt en die ons kan omvormen tot mensen die we echt zijn: Waardevol, kostbaar, geliefd en gekend. Kom heilige Geest, breng ons dat te binnen, zodat we mensen worden vol liefde en vol vertrouwen. 

pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 20 juni 2010
Lezingen: Zach.12, 10 -11 en Luc. 9,18 -24 

Zusters en broeders, 

Er hangt iets in de lucht in deze dagen. Ik ontmoet maar weinig mensen, die niet hopen dat Oranje verder komt. Ik vraag het nogal eens aan mensen, die hier niet geboren zijn. Als het land van de geboorte meedoet, dan is het wel duidelijk, waar de sympathie ligt, maar dan is Nederland toch een goede tweede. De overigen zijn haast allemaal voor Oranje. 

Voetbal verbindt. Het geeft een vrolijke, kleurrijke sfeer. De bloemenversierders van de Anna  Bonifatius konden het niet laten om oranje bloemen neer te zetten. Op tijden dat Nederland speelt kunnen we nauwelijks andere dingen ondernemen. 

De voetbal brengt mensen in beweging. We moeten wel eerlijk zijn. Mocht het ongeluk ons treffen dat Nederland er uit ligt, dan is de oranje gloed spoedig uit de straten verdwenen. Ik droom er wel eens van, dat ons geloof ook een soort beweging op gang brengt. Maar dan niet een overwinning van de sterken, die de zwakkeren onderuit halen, maar een beweging waarin de onderdrukte bevrijding vindt; een beweging waarin de zwakke kracht uitstraalt en de ongeborgen mens veiligheid vindt. Wapens worden begraven of vervangen worden door instrumenten, waarmee voedsel wordt verbouwd voor iedereen. Ouderen tellen mee. Er liggen kansen voor iedereen om verder te komen. Kinderen en vrouwen worden geëerbiedigd. Ik noem dat een Messiaanse beweging, een beweging die zich afspeelt op het speelveld van heel de wereld. 

Door wie wordt die Messiaanse beweging in gang gezet en gedragen?  Wie gaat ons voor? Wie trekt ons mee? Wie gaat door, als er anderen zijn die opgeven? In het Evangelie wordt een spannende vraag gesteld: Wie zeggen de mensen dat ik ben? Is Jezus wanhopig op zoek naar de vraag, wie Hij eigenlijk is? Is Hij bang dat hij niet erkend zal zijn of onvoldoende waardering ondervindt?  Dat is , denk ik, eerder iets van ons. We zijn er verzot op. Als we door anderen geacht en gezien worden. We hunkeren naar wat waardering. We voelen ons neergezet, als er kritiek komt of als er mensen laten blijken ons niet te zien zitten. Onder de vraag van Jezus zit een ander verlangen. Ik denk, dat Hij een antwoord zoekt van mensen, die in beweging willen komen.

Als Petrus zegt, dat Hij de gezalfde Gods is, dan heeft hij het niet goed geraden, Dan heeft hij niet tien punten gescoord. Daar gaat het niet om. Met en in zijn antwoord moet Petrus in beweging komen. Als Petrus zijn antwoord heeft gegeven, hoeft er niet veel gepraat te worden. Sterker nog: er mag niet over gepraat worden. Nu moet je zwijgen en zien. Wat we zullen zien is dat Jezus zich volledig zal geven. Hij zal leven ten dode toe. Zijn liefde gaat tot het uiterste. Hij wijkt niet voor de angst zijn leven te verliezen. Hij wijkt niet voor marteling en lijden, die angstige gezagshebbers Hm bezorgen. Hij zal niet buigen voor degenen, die hem verwerpen. Hij zal slechts buigen voor Hem, aan wie Hij trouw wil blijven en die Hem op de derde dag zal doen opstaan uit de dood van een misdadiger. Hij zal een beweging op gang zetten, die niet wijkt voor geweld, niet voor macht, niet voor het gelijk van de gezagsdragers: een beweging van goedheid en liefde. Van vrede en gerechtigheid, van mededogen en ruimte, van mensenliefde en toewijding. 

De vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben’, vraagt niet om een antwoord, waarvoor je een goed punt kan halen. Het vraagt er om, dat je in beweging komt. Ik denk dat Jezus nog steeds aan ons vraagt: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben”. En dan kan het niet anders of we moeten iets laten zien. Ik weet ook wel dat het maar weinig lijkt wat we voorstellen. Maar het hoeft ook niet zo veel voor te stellen. We hoeven alleen maar op te letten op ogen, die vragen of op de stem die ons roept. We kunnen fouten vergeven. We kunnen mensen die dwalen of blind zijn op weg helpen. We kunnen moedeloze mensen  moed inspreken. We kunnen kinderen beschermen. We kunnen geweld in het groot en in het klein beteugelen. We kunnen veiligheid bieden aan ouderen, aan vluchtelingen en vreemdelingen. We kunnen mensen die uit liggen, eer weer bij betrekken. 

Wie zeggen de mensen dat ik ben? Blijkbaar kan je geen ‘Gezalfde`of ‘Christus`zijn zonder de inspanning of zonder het lijden dat daar bij hoort. Degenen, die wij als voorbeeld en toevlucht nemen voor ons geloof is geen krachtpatser. Het is iemand die doorstoken wordt of iemand om wie getreurd wordt. Nee, dat lijden wordt niet verheerlijkt. Maar het is een weg, die een weg is, die naar toekomst leidt. 

Jezus heeft geleden. Wat wordt er gevraagd van de mensen, die Hem volgen. Wat wordt er van ons gevraagd. Er wordt gevraagd, dat wij onszelf verloochenen en ons kruis op ons nemen. Dat zijn grote woorden. De Heer nodigt ons uit het geluk en het welzijn van de ander op het oog te hebben. Dat is heel dichtbij. We kunnen het ook beleven. Ik weet dat veel moeders dat hebben. Ze blijven zichzelf,maar ze vechten voor hun kinderen. Ik ken mannen en vrouwen, die keuzes maken omdat ze voelen dat hun partner anders geen ruimte van leven hebben. Ik ken kinderen, die hun leven zo inrichten dat er tijd en ruimte is voor hun oude of zieke moeder of vader. Dat zijn maar een paar verhalen. We hoeven maar om ons heen te kijken om te zien wat de een voor een ander betekent. Het grote word ‘zelfverloochening` betekent dat jijleven hebt, wanneer je een ander deel van leven geeft. De pijn die dat kost, is de last of het kruis dat we op ons nemen. 

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Het is een vraag, die over onze wereld gonst en hopelijk zal blijven gonzen. De bezieling, die Jezus ons geeft moeten wij verder brengen en delen met elkaar en met velen. Dat kan men aan ons zien, wat Petrus heeft gezegd: Jij bent de gezalfde God. Jij bent de Messias van God. De Messiaanse tijd is aangebroken, dankzij God, dankzij ons.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op 27 juni 2010 in de Anna –Bonifatius
Lezingen: 1 Kon. 19, 16b.19 -21 en Luc.9, 51 -62 

Zusters en broeders,

Ik weet niet of mijn moeder de beste opvoeder was, maar ik herinner me nog één raad van haar. Als we thuis kwamen met de mededeling dat Jantje of Pietje ons geslagen had, zei zij: Ga hem maar een goede klap teruggeven. Meestal was die raad voldoende om ons met Pietje te verzoenen en weer rustig verder te gaan met voetballen. Maar wat wij deden was ook niet zo gek. Natuurlijk waren we enorm boos omdat we geslagen waren door iemand die sterker was dan wij. Maar we sloegen er niet dadelijk op los. We gingen even naar huis en bespraken het. Die tussenruimte was vaak genoeg om af te rekenen met onze boosheid. Ik breng dit naar voren, omdat ik merk dat de leerlingen buitengewoon boos zijn.

Ze worden afgewezen door dorpelingen uit Samaria. Onder die boosheid ligt zeker een jarenlange vete tussen Samaritanen en andere Joden. De laatste vinden de Samaritanen niet orthodox genoeg. Zij op hun beurt vinden Joden weer arrogant. Jeruzalem wordt door de Joden als dé heilige plaats gezien en dat ontkennen de Samaritanen. Geen wonder dat de leerlingen er op los willen slaan. Ze gaan nog verder. Ze willen dat het hele dorp door vuur verdelgd wordt en zo de straf van de Allerhoogste ontvangen.  Jezus moet er niets van hebben. Uiting geven aan je woede of boosheid helpen je niet op de weg naar God op weg naar Zijn koninkrijk. 

Deze week wordt Keti Koti gevierd. De boeien verbroken, de afschaffing van de slavernij door Nederlanders in Suriname en de Nederlandse Antillen.  Voor velen van ons is dat een bijzondere gebeurtenis. De gevolgen van de slavernij zijn nog steeds te voelen en te merken.  Maar ik vind dat we dit feest heel terecht met zijn allen mogen vieren. We moeten er voor waken dat de ene mens de ander niet tot slaaf maakt. Slavernij vindt nog steeds plaats. We kunnen elkaar tot slaaf maken of onderdrukken: de man zijn vrouw, de vrouw haar man, de kinderen. We kunnen slaaf zijn van ons eigen gedrag.  Boosheid of woede vind ik een voorbeeld van slavernij. De meeste van ons zijn ervaringsdeskundigen op dit terrein. We worden boos of kwaad op een ander, die ons niet wil begrijpen of ons kleineert. We gooien er van alles uit en soms gooien we met spullen. Maar haalt het iets uit ? Meestal richt het uiten van woede schade aan.  Kunnen we niet anders? Een oude raad is om tot tien te tellen. Je kan ook het huis of de kamer uitgaan. Dan krijg je de gelegenheid om stil te staan bij de reden van je boosheid.

Pas als iemand je zegt dat hij of zij je boosheid begrijpt, heeft je boosheid zin gehad. En dit resultaat krijg je meestal niet door te schelden, te gooien of te slaan. Jezus wijst wraak of geweld af. Door er voor te kiezen naar een ander dorp te gaan, kunnen Hij en de leerlingen de weg naar Jeruzalem vervolgen.  Ik lees nog andere vormen van slavernij in dit Evangelie. Dat is de binding aan je eigen bezit. Ik vind het normaal dat we gehecht zijn aan ons eigen huis, onze eigen fiets of auto, onze eigen  dingen. Jezus kan blijkbaar zonder al die dingen leven. Hij verschijnt daardoor voor ons als een vrij mens, ontvankelijk voor dat waar het werkelijk op aan komt. De woorden die we hier horen nodigen ons uit tot vrijheid. Kan het begraven van onze geliefden een vorm zijn van slavernij en ons belemmeren om Jezus te volgen en tot vrijheid te komen? Het lijkt me heel onwaarschijnlijk dat Jezus ons verbiedt de doden te begraven.

Ik ben zelf heel ontroerd als mensen met respect en liefde de doden naar hun laatste rustplaats begeleiden. Rouwen om een geliefde mag tijd en aandacht kosten. Maar u en ik weten ook dat we zo met onze doden om kunnen gaan, dat  dit omgaan ons belemmert verder te leven. We kunnen verdriet koesteren of als excuus gebruiken om  aandacht te geven aan mensen, die dat nodig hebben en van ons mogen verwachten. Volgens mij is dat de aarzeling die Jezus met deze zin op het oog heeft. De doden begraven is een werk van liefde en barmhartigheid. Zo met ons verdriet omgaan dat er geen plaats meer is voor de toekomst, die ons wacht, helpt ons niet verder en kan een vorm zijn van slavernij.; En afscheid nemen? Soms moet je echt mensen of dingen loslaten om iets nieuws te kunnen beginnen.

Als mensen je alleen maar naar beneden halen en het slechte in je naar boven brengen, dan moet je ze loslaten. Als gewoonten of gedrag  anderen pijn doen of het leven onmogelijk maken. Of als je zelf niet verder komt door een verslaving, dan moet je loslaten. Dat gaat niet altijd gemakkelijk. Daar is niet zelden een hele weg voor nodig. Maar het moet wel en het kan ook. Het perspectief, het uitzicht uit de slavernij van wat dan ook is vrijheid. Het  koninkrijk van God is het uitzicht of de toekomst die Jezus biedt. Met recht mogen we Keti Koti vieren. U en ik weten dat er slaven waren die van binnen veel vrijer waren dan hun heersers. We weten dat de heersers soms grotere slaven waren dan degenen die ze onderdrukten. Ook in onze vrijheid kunnen we slaven blijven. Het volgen van onze Heer verbindt ons niet alleen. Het maakt ons tot vrije mensen en tot mensen die werkelijk een bijdrage geven aan een vrijere wereld en een menselijker samenleven.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op 4 juli 2010 in de Gerardus 

Lezingen: Jes. 66, 10 -14c en Luc. 10, 1-12.17-20

 

Zusters en broeders,

Graag wil ik vandaag beginnen met een verhaal van Franciscus. Hij spreekt met zijn broeders over vreugde. Waarin is echte vreugde gelegen. Hij geeft allerlei voorbeelden. Het zijn voorbeelden die wij ook wel kunnen verzinnen. Is er vreugde in gelegen als Nederland de halve finale haalt? En hoe lang duurt die vreugde dan? Wordt ons leven er door bepaald? Zal er vreugde zijn als er plotseling een rijke nicht opduikt die ons een erfenis nalaat of als de staatsloterij ons eindelijk goed gezind ? Of hoeveel vreugde is er in gelegen dat we een nieuwe fiets, een auto of  een gouden ketting konden bemachtigen? Franciscus vertelt het zo?Wat is de echte vreugde dan wel? Ik keer terug uit Perugia en kom hier midden in de nacht aan. Het is winter. Het is modderig en zo koud dat er onder aan mijn habijt ijspegels komen,die steeds tegen mijn benen slaan en er bloed uit die wonden komt. Door en door koud, vol modder en ijs kom ik bij de poort aan. Na lang kloppen en roepen komt er een broeder die vraagt:“Wie is daar?”Ik antwoord: “Broeder Franciscus.” Hij zegt:“Ga weg, dit is toch geen uur om aan te komen. Je komt er niet in.”Ik dring aan en opnieuw antwoordt hij:“Ga weg, je bent maar simpel,je hebt niet geleerd.

En laat je hier nooit meer zien!We zijn al met zoveel en van een ander niveau. We hebben je niet nodig.”12 Ik ga opnieuw voor de poort staan en zeg:“Ter liefde Gods, wilt u mij deze nacht dan opnemen?”13 Maar hij antwoordt: “Dat doe ik niet!14 Ga maar naar de kruisdragers en vraag het daar maar.”15 Ik zeg je, als ik dan mijn geduld bewaar en niet kwaad word,dat daarin de echte vreugde, de echte deugd is gelegen.Het lijkt een onwaarschijnlijk verhaal, maar toch hebben de lezingen van vandaag mij op dit verhaal gebracht. De eerste lezing uit Jesaja jubelt van  vreugde. Is er echt reden tot vreugde? De ballingen zijn maar net in Jeruzalem teruggekeerd. De stad ligt nog in puin en er is nog zoveel te doen. Toch is er vreugde. Het is alsof die ballingen weer thuis zijn gekomen. Het is alsof al de ontberingen die er waren en die er nog zouden komen, hen van binnen onbewogen laat.Ook in de Evangelielezing is sprake van vreugde.

Er zijn 70 of 72 leerlingen uitgestuurd. Ze moeten zonder veel bagage op zak het koninkrijk van God verkondigen. Ze maken afwijzing mee, ontberingen. Ze moeten maar eten wat hun wordt voorgezet. Ze moeten genoegen nemen met wat hun wordt aangeboden. Maar toch is er vreugde. Door alle narigheid heen voelen ze dat het koninkrijk van God, dat ze mochten verkondigen, heel dicht bij is.Blijkbaar kan dat: Blij zijn terwijl de omstandigheden daar absoluut geen aanleiding toe vormen; vrij zijn terwijl je midden in de slavernij leeft; vrede voelen in je hart terwijl je in een gewelddadige omgeving leeft of midden in een oorlog zit. Blijkbaar kan je echte vreugde ervaren omdat je te midden van kou en ontbering, van afwijzing en gescheld je geduld bewaart.We hebben deze week Keti Koti gevierd. De boeien werden verbroken.

De slavernij werd opgeheven. Mensen konden weer in vrijheid leven. Ik was ooit in Mariënburg in Suriname. Het was één van de plantages, waarin de slavernij in buitengewoon ernstige vormen naar voren kwam. Een van de slaven, van wie de vrouw werd onteerd door de plantagehouder nam het niet. Hij kwam in opstand en vond makkers. De opstand werd neergeslagen maar was uiteindelijk wel het begin van het einde van een verschrikkelijke tijd.Die ene leek niet zo op Franciscus met zijn geweldloosheid en zijn geduld. Maar hij leek wel op Franciscus in zijn moed en in zijn sterke bewustzijn van eigen waardigheid en eigen trots. Franciscus maar ook die ene slaaf zijn mensen die van binnen iets vast hebben gehouden, wardoor ze allerlei dingen van buiten konden weerstaan en vooral zichzelf konden blijven.

Voor die slaaf was het gevoel voor gerechtigheid en vrijheid. Voor Franciscus maar ook voor de ballingen uit de eerste lezing en de leerlingen uit het Evangelie was het echte vreugde.En voor Jezus? Jezus was het niet om Zijn eigen persoon te doen. Hij verkondigde het koninkrijk Gods. Hij wilde dat niet alleen doen. Hij zond de 12 apostelen uit. Vandaag horen we hoe Hij 72 leerlingen uitzond, net zoveel leerlingen als toen bekende volkeren. Ook zij moesten het koninkrijk Gods verkondigen. Er was niet veel wat zij hadden: geen grote gebouwen, geen rijkdom, geen gevulde beurs, geen nauwkeurig gemaakte afspraken waar ze konden slapen en waar ze konden eten. Het koninkrijk Gods mocht aan niemand worden opgelegd. Het mocht in vrijheid worden ontvangen.

Het koninkrijk Gods heeft steeds een andere kleur, maar het heeft zeker te maken met echte vreugde, echte vrijheid en echte vrede.Een bisschop klaagde eens: ‘Overal waar Jezus optrad, kwamen mensen in beweging; ze gingen geloven en zongen liederen. Wanneer ik ergens kom serveren mensen mij een kopje thee.’U begrijpt het wel. Er is niets tegen dat kopje thee, maar die aanstekelijkheid en dat enthousiasme dat Jezus verspreidde, die zijn soms ver te zoeken in onze kerk. Maar wie weet dat het er nog eens van komt: Die echte vreugde, die van binnen zit en die niet meer kapot kan en die tot uiting kan komen in beweging en in zang. 

 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Anna-Bonifatius op 11 juli 2010
Lezingen: Deut.30, 10 -14 en Luc. 10,25 -37 

Zusters en broeders, 

Wie is mijn naaste? Ik hoorde  het verhaal van een schoonzus. We vonden het niet zo leuk dat zij in de familie kwam. Ze was zo anders. Ze snapte onze humor niet. Ze deed altijd een beetje verwaand. Ze komt ook niet op verjaardagen. Geen wonder. Het was ook niet leuk om naast haar te zitten. Niemand zocht haar meer op. Maar wat hoorde ik? Ons nichtje zag haar op de markt. Zij is erg jong.  Zij wist niets van onze antipathie. Ze ging op haar af en ze hebben gezellig een kopje koffie gedronken. Ons nichtje gaat nu regelmatig bij haar op bezoek. 

Wie is mijn naaste? Ik hoorde het verhaal van die Surinaamse man. Jaren geleden trok hij naar Nederland. Hij kreeg een vriendin, kinderen. Maar het ging niet goed. Ze gingen uit elkaar. De papieren van de man bleken niet in orde. Hij moest het land worden uitgezet. Maar in Suriname stond hij niet meer geregistreerd. Ze wilden hem daar niet ontvangen. Wat nu? Hij mag hier niet zijn. Hij heeft geen papieren. Maar dar mag hij ook niet zijn. Zonder papieren ben je niemand. Gelukkig leeft zijn moeder nog. Ze is oud, maar hij zorgt voorhar en zij is er voor hem. Natuurlijk heeft hij voor haar een naam en is hij vol betekenis. 

Wie is mijn naaste? Ik hoorde het verhaal van een jonge man. Zijn vrienden en vriendinnen hadden graag met hem te doen. Hij was een beetje dromerig maar gewoon heel aardig. Hij ging studeren, maar het lukte niet. Wat nu? Hij wist het niet. Na een paar maanden en na een jaar wist hij het nog niet. Hij werd er somber van en angstig. Het was niet zo leuk meer om met hem om te gaan. Maar die ene vriend trok zich daar niets van aan. Hij nam hem zoals hij was en deed leuke dingen met hem. 

Ik kan zo wel doorgaan. Ik vertel die verhalen omdat u en ik één van die mensen kunnen zijn. We kunnen degene zijn, die anderen niet zien zitten, alleen om wie we zijn. We kunnen misschien wel papieren hebben, maar toch niet worden gezien of geteld. We kunnen periodes meemaken van somberheid of groot verdriet en dan anderen afstoten.

Wat kan ons allemaal niet overkomen? We kunnen ziek worden, bestolen of beroofd worden. We kunnen in de fout gaan, vergissingen maken of domme dingen doen. We kunnen werkeloos worden, gehandicapt raken, onze paspoort en onze portemonnee verliezen. Onze partner kan ons verlaten; de kinderen kunnen een verkeerde kant opgaan.Kortom we kunnen langs de kant van de weg terecht komen. Daar liggen we dan. We zijn niet meer in staat zelf op te staan. We zijn afhankelijk geworden van de goedheid van anderen. 

Het bijzondere van het verhaal van het Evangelie vind ik, dat het ons allemaal kan overkomen. We kunnen langs de kant van de weg terecht komen: letterlijk of figuurlijk.Wie zal dan onze naaste zijn? Je mag heel dankbaar zijn, als je gezond bent, je veilig voelt, geacht of gezien wordt. Je mag blij zijn als je iemand naast je vindt, die betrouwbaar is en van je houdt. Je mag blij zijn met kinderen, die naar je omzien of met ouders, die zich nog aardig kunnen redden. Maar een mens is kwetsbaar en broos. En wat vandaag de een overkomt, kan mij morgen overkomen. 

In de lezingen gaat het over geboden en voorschriften. Ik weet niet hoeveel mensen onder u de tien geboden uit hun hoofd kennen? Gelukkig horen we vandaag een korte samenvatting. Je moet van God houden met alles wat er in je is. Je moet van je naaste houden als van jezelf.

Dat is een korte samenvatting. Ik zeg niet dat het eenvoudig is. Mar het is niet moeilijk om dit te onthouden. ‘De naaste beminnen als jezelf’ kan ook tot misverstanden leiden. Stel je voor als je helemaal niet van jezelf houdt. Dan komt de naaste er ook wel bekaaid vanaf. Gelukkiger ben ik dan ook met de Joodse vertaling van dit gebod. ‘De naaste beminnen als jezelf’ betekent eigenlijk: ‘Bemin je naaste, respecteer hem, zie naar haar om. Hij of zij is er net zo eentje als jij.’

Er is nog iets wat ik naar voren wil brengen. Jezus praat over eigen ervaringen. Voor ons is Hij geacht, geliefd, betrouwbaar n navolgenswaard. Maar zo is het tijdens zijn leven niet gegaan. Jezus moest telkens weer strijden met mensen,d ie hem niet zagen zitten, die hem afwezen, belachelijk of zwart maakten. Uiteindelijk is hij berooid, afgewezen en eenzaam langs de kant van de weg gegooid en in grote eenzaamheid als een misdadiger om het leven gebracht. Zou Jezus dat verhaal ook niet verteld hebben,omdat Hij zichzelf herkende in deze mens langs de weg? En zou Hij zich niet laten ontmoeten in alle mensen die duidelijk of onduidelijk en onvriendelijk verlangen naar een hand, die optrekt, een arm om hen heen. Een hart dat begrijpt, ruimte en tijd om mens te zijn en mens te worden?  

Wat deed de Samaritaan? Hij zag, hij werd van binnen bewogen. Hij liet zich dus raken. En hij handelde. Dat deed hij met de middelen, die hem ter beschikking stonden: olie en wijn om de wonden te verzachten, een lastdier om hem te vervoeren, een beetje geld om hem te laten verzorgen?  

Dat is het wat ons te doen staat: kijken en zien, ons laten raken en dan handelen. Er zijn in ons midden heel wat barmhartige Samaritanen. Ik kom ze regelmatig tegen. Laten we ons bij hen voegen. Ik weet zeker, dat onze buurt en onze stad dan meer ruimte biedt en een vriendelijker en menselijker gezicht krijgt.  

 

Pastor Leo Nederstigt

Feest van Maria Ten hemelopneming op 15 augustus 2010
Lezingen: Apoc. 11, 19a.12,1-6a.10b en Luc. 1, 39 -56 

Zusters en broeders,

Er zijn mensen onder ons voor wie Maria heel belangrijk is. Ze praten gemakkelijker met haar dan met Jezus of met de Vader. Er zijn landen waar het feest van vandaag een heel groot feest is. Vandaag valt het op zondag, maar als het feest in de week valt, dan is het een vrije dag en vaak ook een gelegenheid om grote processies te houden. Er zijn ook mensen, bij wie Maria een beetje aan de rand is geschoven van het godsdienstig en gelovig gebeuren. Maar Maria is er. En in onze kerk juicht men het toe als men haar vereert. Een katholieke kerk herkent men vaak aan een schilderij of een beeld van haar. Ze hoort er bij.  

Mag ik vandaag een paar dingen naar voren brengen? 

De naam van dit feest kan vragen oproepen. Maria is ten hemel opgenomen. Waar is zij dan precies? Waar is de hemel? Moet alle aandacht niet naar de aarde uitgaan? Voor mij roept ‘hemel’ allereerst  ‘eindbestemming’ op. Maria is op de eindbestemming. Zij is bij God. Zij is daar waar wij allen hopen te komen. Zij is daar zeker niet als enige. We kennen vast mensen, van wie we zeker menen te weten, dat zij bij God zijn. Maria is niet zomaar op die eindbestemming gekomen. Zij heeft een weg afgelegd. Zij behoorde niet bij de machtigen van de aarde. Zij was niet trots. Ze hoorde eerder bij de kleinen of bij de armen. Ze heeft de vernedering ondergaan, die daar bij hoorde.

Ze heeft onbegrip gekend, zeker toen ze in verwachting van Jezus was. Ze heeft een stapje terug moeten doen, toen ze merkte hoe populair Jezus was. Zij deelde niet in zijn glorie. Maar ze was er wel helemaal, toen Jezus aan het kruis hing. Ze heeft het lijden van haar Zoon mee- beleefd en daardoor vast en zeker even veel geleden, zoals een moeder dikwijls het lijden van haar kind in haar eigen hart en eigen lijf voelt. In de eerste lezing wordt er een vrouw naar voren gehaald die strijd moet voeren tegen het kwaad en daar ook slachtoffer van dreigt te worden.

Ook dat is een uidrukking van de zeer menselijke weg, die Maria is gegaan. Ze heeft moeten vechten tegen het kwaad om haar heen. Maria is een gelovige weg gegaan. Dat is een weg van overgave en vertrouwen. De mooiste uitdrukking daarvan is het antwoord dat zij geeft aan de engel Gabriël, die haar aankondigt dat zij moeder zal worden: ‘Mij geschiede naar uw woord’. Zij spreekt zo haar bereidheid uit om instrument te worden in Gods hand. Zij stelt zichzelf ter beschikking van het koninkrijk van God. Maria is bij God. Zij is ten hemel opgenomen. Ze is een mens, die een moeilijke, soms pijnlijke weg is gegaan. Maar ze is niet afgehaakt. Ze is de weg ten einde toe gegaan. God heeft haar gezien. Dat gevoel drukt ze al uit in haar lofzang. Hij heeft haar kleinheid gezien. Maar dat haar hele leven en haar levensweg is gezien en aanvaard, wordt volgens mij uitgedrukt in de naam van dit feest. Maria is ten hemel opgenomen. 

Maria is ook één van ons. Zij wordt wel de vertegenwoordigster van de kerk genoemd. Haar komt die titel toe, zeker in een tijd, dat de officiële vertegenwoordigers van de kerk minder aanspreken. Maar zij vertegenwoordigt ons. Ik voel een klein beetje trots als iemand van mijn familie of van de parochie er goed uitspringt. Ik kan er van genieten als een sportheld ons land op een goede wijze vertegenwoordigt.

Maria vertegenwoordigt de gelovige mens bij God. Zij vertegenwoordigt u en mij. Zij gaat haar weg als een schijnbaar doodgewone vrouw. Maar dat is meer dan goed genoeg voor God. Zo was het Zijn bedoeling. We hoeven geen uitschieters te zijn. Er wordt niet op onze goed naam gelet, niet op onze portemonnee, niet op het land of de buurt waarin we zijn geboren of opgegroeid. We zijn mens. Zo worden we door Maria vertegenwoordigd. En waar zij is mogen wij nog komen. Onze eindbestemming is bij God. Dat is in de hemel; daar waar Maria is en wie weet op ons wacht. 

Maria is op haar eindbestemming, maar ze is niet uitgeteld of uitgeschakeld. Die gedachte kan ik niet loslaten. Maria is niet uitgeschakeld, zoals anderen niet uitgeschakeld zijn. We zijn op een geheimvolle manier verbonden met hen die bij God zijn. Het besef dat Maria bij God is delen we met heel velen. Bij anderen, zeker doden uit onze eigen kring, kan dat besef diep in ons leven, zonder dat iemand daar weet van heeft. Wat doet Maria? Ze vertegenwoordigt ons bij God. Ze bidt ook voor ons. Die verwachting is uitgedrukt in het Wees Gegroet, een gebed dat de meeste van ons al van jongs af aan kennen. ‘Bid voor ons, zondaars’, vragen we aan haar. Eeuwenlang hebben mensen tot Maria gebeden. Ze hebben over haar gezongen. Ze is toevlucht genoemd, beschermster, hulp in de nood. Steeds meer beseffen we dat zij ook aan de kant staat van de armen, van mensen die onderdrukt zijn, van slaven en slavinnen, van kleine mensen, die altijd de dupe zijn van welke crisis dan ook. De hemel die zij vertegenwoordigt is ook rechtvaardigheid, barmhartigheid, mededogen en aandacht. Ons bidden tot haar kan ook het besef te binnen brengen, dat zij ons draagt in onmacht of machteloosheid en ons daardoor krachtiger maakt. Een klein verhaal over mijn eigen moeder, voor wie Maria een belangrijke plaats innam. In het laatste jaar van de oorlog werd mijn vader weggevoerd naar één van de kampen in Duitsland.

Mijn moeder was in verwachting en had de zorg voor zes kleine kinderen. In die dagen ervaarde ze Maria als een metgezel en tochtgenoot. Het maakte haar sterk. Mijn oudere broers en zussen vertellen nog hoe ze tekeer kon gaan tegen Duitse soldaten, die het leven van haar en anderen lastig maakten. In die dagen bad ze met haar kinderen tot Maria om terugkeer en behoud van haar man. Dat dit gebed verhoord werd, maakte dat die band met Maria niet meer kapot kon. De kinderen die daarna geboren werden kregen haar naam.Zo zullen vele mensen een verhaal hebben met Maria. Maria bidt en strijdt met ons mee, tot we met haar en anderen verenigd zijn bij God en net als zij aanvaard zijn door Hem, die naar ons uitziet.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op 19 september 2010 in de Gerardus
Lezingen:  Amos, 8, 4 -7 en Luc. 16, 1 -13 

Zusters en broeders,

Rijke mensen zijn vaak slimme mensen. Ze gaan zo met hun geld om dat het steeds meer wordt. Ze houden zich met handeltjes bezig en hebben een feilloos gevoel voor wat gaat lukken of niet. Soms weten ze aardig door de mazen van de wet heen te glippen. Er zitten niet zoveel rijke mensen in de gevangenis, ook al weten we dat onwetmatig gedrag niet beperkt blijft tot de armen,maar ook bij andere groepen voorkomt. 

De rentmeester van het evangelie van vandaag was een rijk man. Maar waar haalde hij zijn geld vandaan? De Bijbelverklaarders van tegenwoordig zeggen dit:  Een rentmeester beheerde het geld van iemand anders, een heer. Hij kon slim met dat beheer om gaan. Zo was hij in staat om mensen veel meer te vragen dan ze in werkelijkheid schuldig waren. Het geld dat teveel was betaald, kwam op zijn rekening. Het lijkt hier op: je vergeet een rekening te betalen of het lukt je niet. De rekening gaat naar een incassobedrijf en na een paar maanden int dat bedrijf meer dan degene, die jou dat product heeft geleverd. Ik denk dat de rentmeester te vergelijken is met een incassobedrijf van onze dagen. 

Maar wat bij dat laatste niet of nauwelijks gebeurt, gebeurt hier wel. De baas van de rentmeester schrikt van zijn rentmeester. Hij merkt hoe rijk hij wordt over de hoofden van anderen, de schuldenaars. Hij wil hem ontslaan, want zo gaat dat niet. 

Dan komt de rentmeester in het geweer. Je zou wensen dat incassobureaus dat ook doen. Hij neemt de schuldbekentenissen en gaat daar mee ritselen. Hij maakt heel veel mensen blij. Ineens zien ze hun schulden verminderen. De rentmeester profiteert er ook van. Zo kweekt  hij goodwill. Het zal hem niet ontbreken aan vrienden, bij wie hij terecht kan, als hij zelf moeilijk komt te zitten. 

Een slimme rentmeester, die wellicht een crimineel was, maar die toch terug komt op zijn daden. Dat doet hij op een uitgekookte wijze. Zijn baas krijgt het geld waar hij recht op hebt. De schuldenaars hoeven minder te betalen. En hij zelf is weliswaar ontmaskerd en moet een deel van zijn rijkdom afstaan. Maar daar voorin de plaats maakt hij vrienden, die hem  zo nodig uit de puree helpen. Tegenwoordig noemen ze dat een win -win- situatie. 

Ik ben blij met deze verklaring, omdat mijn verontwaardiging over dit evangelie een beetje gesust wordt. Als het de Heer zelf is, die de onrechtvaardige rentmeester prijst, dan gaan mijn haren overeind staan. Ik weet wel, dat het ritselen met geld in alle lagen van de maatschappij voorkomt, maar dat mag je toch niet goed keuren?

Dat kan onze Heer toch niet goed keuren? Dat doet Hij dus ook niet. Wat Hij goed keurt is ongetwijfeld het feit dat de rentmeester zich bekeert, dus terug komt om zijn fouten. Maar dat niet alleen. Hij waardeert en prijst ook de manier waarop hij dat doet. En Hij trekt deze manier van doen door. 

Want waar is het onze Heer om te doen? Het is Hem te doen om het koninkrijk van God. Natuurlijk is dat koninkrijk iets wat ons nog te wachten staat.  Het ligt als een cadeau van God in de toekomst. Maar niet enkel in de toekomst. Het koninkrijk van God is ook heel dichtbij. Het ligt ook in onze handen. Het is de opdracht van ons – gelovigen- om aan dat koninkrijk te werken. Bovendien is dat koninkrijk van God niet enkel spiritueel, iets van de Geest. Nee, het gaat over heel gewone dingen, die we dagelijks in het leven tegenkomen.  

Volgens mij is de uitdaging van het Evangelie van vandaag om creatief, sprankelend, fantasierijk om te gaan met ons verlangen en onze opdracht het koninkrijk van God te bespoedigen en er aan mee te werken. In het Evangelie van vandaag wordt dat koninkrijk van God verbonden met geld. Met geld hebben we allemaal te maken. Je kan zeggen dat geld stinkt, maar met geld kan je heel veel goed doen. Met geld wordt ook heel veel goed gedaan.  

Zo weet ik dat ons parochiebestuur heel zorgvuldig en soms ook slim met geld omgaat dat van u komt. Een euro kan meer worden als je er slim mee om gaat. Geld geven aan een goed doel, aan de armen, aan mensen die door rampen zijn getroffen, aan je kinderen, die het moeilijk hebben betekent,dat je mensen goed doet, blij maakt, verlichting geeft, in leven houdt. En dat zijn dingen die met het koninkrijk van God verbonden zijn.  

Creatief, speels of slim omgaan met de dingen van het leven met de bedoeling iets goeds te bereiken. Dat is het wat de Heer zou prijzen. Ik denk dat je niet alleen aan geld hoeft te denken. Ouders kunnen daar heel creatief in zijn. Kinderen voortdurende wijzen op hun fouten is vaak minder efficiënt dan hen schouder klopjes geven over iets goeds wat ze doen. Ik ken menen die heel goed en speels om weten te gaan met de woede of de frustraties van mensen die op hun weg komen. Om vrede en verzoening te bereiken moet je niet alleen veel geduld maar ook fantasie gebruiken. 

En als  je keuzes maakt, waar kies je dan voor? Voor je eigen gelijk of voor goede verhoudingen?  Of als het om je kijk op mensen gaat. Sluit je je aan bij het etiket dat mensen wellicht al jaren hebben opgeplakt gekregen of probeer je te ontdekken, waar het goede of de goede intenties van een ander zijn gelegen? 

Het Evangelie roept in eerste instantie enige verontwaardiging op. Maar juist hier geeft Jezus er blijk van de mensen te kennen. En die kennis neemt Hij als uitgangspunt om Zijn koninkrijk naar voren te brengen en aanhangers te winnen. Werken aan Gods koninkrijk of leven als gelovige is niet enkel weggelegd voor een elite – groep. Er is vertrouwen in ons en wij worden opgeroepen dat vertrouwen te beantwoorden met daden van fantasierijke liefde.

Pastor Leo Nederstigt

Preek op 3 oktober 2010 in de Anna - Bonifatius
Lezingen: Hab.1,2-3;2,2 -4 en Luc.17, 5 -10 

‘Ik geloof niet`, zei iemand die ik goed meen te kennen tegen mij. Ik ging er niet tegen in. Ik merkte dat die mens zoveel te bieden had aan menselijkheid dat ik zeker niet verontrust was door die uitspraak. Maar niet lang geleden hoorde ik hem zeggen: ‘Kan ik niet zeggen: Ik geloof op mijn eigen manier?` Daar hoefde ik niet zo lang bij stil te staan. Laat ik eerlijk zijn. Ik geloof ook op mijn eigen manier. Moet ik van een andere gelovige verwachten, dat hij of zij even graag als ik naar de kerk ga? En niet iedereen houdt, net als ik, van de vroege morgen om stil te zijn of woorden van psalmen door me heen te laten gaan. En dat hoeft ook niet. ‘Ik geloof op mijn eigen manier`. 

Ik schaam me er soms voor, maar ik word betaald voor het feit dat ik werk maak van mijn geloof. Ik word betaald voor iets, waarvan ik soms het gevoel heb, dat ik er ook maar weinig van bezit: het geloof. Dat verontrust me soms, maar is het erg? Wat ik vermoed is dit:: ‘een klein beetje geloof is ook geloof’ een vonkje vertrouwen is ook vertrouwen`. Maak je dus niet ongerust, zeg ik ook tegen me zelf. Een beetje geloof is ook geloof en wie weet waartoe dat niet in staat is. In het Evangelie staat het eigenlijk nog veel mooier: Als je een geloof had als een mosterdzaadje, dan zou je tot enorm veel in staat zijn. 

Dat is het dus, waar ons verlangen naar uit mag gaan: een beetje geloof, een klein geloof, een geloof op onze eigen manier. We hoeven heel de kerk met alle fouten die aan het licht komen, niet op onze schouders te nemen. We hoeven niet alle dogma’s en geloofsuitspraken voor 100 % uit te dragen en te onderschrijven. We hoeven ook niet al te bezorgd zijn, als we al die geboden en eisen, die  hét geloof ons aanbiedt niet allemaal kunnen waarmaken. Soms lijkt het geloof op een hele vrachtwagen vol kiezelstenen.

Die hele vrachtwagen kan je niet meenemen. Misschien moet je er een paar kiezelsteentjes uitnemen en die met je meedragen. Dat is jouw houvast, bv. dankbaarheid, vertrouwen, geduld, ruimte, veiligheid. Er valt veel te kiezen want die vachtwagen met kiezelsteentjes  is behoorlijk vol. Er is vast wel iets voor ons bij, iets wat we kunnen behappen en waarmee we onszelf geen geweld hoeven aan te doen. Het lijkt wel of ik zit te pleiten voor een gemakkelijk en lichtvoetig geloof. Dat doe ik niet omdat ik alles wat de kerk, de bijbel en het geloof ons de eeuwen door te bieden had maar onzin vind. Integendeel. Ik ervaar er haast dagelijks de rijkdom van. En hoe zou je geboeid kunnen blijven door het geloof of door de kerk, als je ook de rijkdom en de diepte daarvan niet mag beleven. En dat mag ik.

Maar mijn ervaring is, dat niet alleen het geloof of de bijbel of de kerk zo zwaar zijn. Het leven kan zo zwaar zijn. Ik geef voorbeelden van deze week. Mijn oudere zusje kreeg de dringende raad haar zieke man niet meer thuis te verzorgen. Het kan niet meer. Die beperking te moeten aanvaarden, vindt ze verschrikkelijk. Ze werd er zelf ziek van. Zo worden heel veel mensen geconfronteerd met ziekte maar ook met de eigen grenzen en beperkingen. Deze week is er een akkoord gesloten. We krijgen een nieuwe regering. Er zijn mensen blij mee, maar ben ik dan de enige die mensen tegenkomt, die bang worden voor de toekomst?

Ik kom mensen tegen die zich afvragen of ze nog in tel zijn omdat ze niet in Nederland zin geboren. Ik praat niet over politici die buiten spel zijn gezet. Ik praat over de geluiden van mensen die vrezen slachtoffer te zijn van mogelijke maatregelen of van een mentaliteit, waardoor ze er eigenlijk niet mogen zijn.Ik denk er aan, hoe in Pakistan nog duizenden mensen lijden onder de overstromingen en tevergeefs wachten op noodzakelijke hulp. Ik denk aan Palestijnen maar ook aan Israëli’s, die de gang naar vrede opnieuw belemmerd zien. De profeet die vandaag aan het woord kwam, leefde ook in tijden van diepe duisternis, van onderdrukking en onzekerheid. Wat is het antwoord op de klacht, die ook in de richting van de Allerhoogste gaat? ‘Geef het wachten niet op, ook al blijft het uit. De rechtvaardige blijft leven door zijn trouw. 

‘Een klein geloof is ook geloof. Ik geloof op mijn eigen manier.’ Geloven in moeilijke tijden kan misschien beter wat lichtvoetiger zijn, iets hebben van dat mosterdzaadje. Als het niet te zwaar is, kan je het bij wijze van spreken beter inzetten. En je hoeft het ook niet van je af te werpen omdat het een loden last is geworden. Een klein geloof kan je geloof ook wat gemakkelijker deugd doen of je blij of vreugdevol stemmen. Ik bedoel dat je dan niet het gevoel hebt, dat er nog zoveel aan ontbreekt dat je helemaal niet blij mag zijn. Een klein geloof kan ook helpen om open te staan naar wat anderen zeggen, doen, en jou geven aan vertrouwen, menselijkheid, rijkdom of vreugde. Een klein geloof helpt je wellicht om het vol te houden. 

En wie weet kan dat kleine geloof groeien, niet door een kampachtig daarnaar zoeken, maar door dankbaar te aanvaarden wat er aan goeds op je weg komt en door je nooit te laten voorstaan op wat voor prestaties je hebt geleverd. Dan mag je met vreugde doen wat er op je weg komt en met de slaaf uit het evangelie zeggen. We zijn maar gewone knechten, wij hebben alleen maar onze plicht gedaan. 

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Anna Bonifatius op 10 oktober
2010
Lezingen: 2 Kon. 5, 14 -17 en Luc. 17, 11 -19 

Zusters en broeders,

Een jaar of drie geleden ben ik in Batavia geweest in Suriname. Om daar te komen moest je een heel stuk varen over de rivier. Over de weg kwam je er niet. Langs de rivier was een stuk grond. Daar woonden de melaatsen in de 19e en 20e eeuw. Als de zieke mensen daar eenmaal waren, kwamen ze er niet meer vandaan. Geen wonder dat het leven iets troosteloos had. Er waren daar heel veel lege flessen gevonden. Sterke drank hielp tegen de pijn en tegen het sombere leven. Meer dan 20 jaar deelde Peerke Donders het leven van deze mensen. Hij bracht licht, troost en bemoediging. 

Melaatsheid was niet alleen erg, omdat het gepaard ging met pijn en afbraak van het lichaam. Het was ook erg, omdat de zieken werden geïsoleerd en uitgestoten uit de gewone samenleving. Ze hoorden er niet meer bij. Dat was ook zo  in de tijd van Jezus’ optreden. Vandaar dat we vandaag horen, hoe ze vanuit de verte met rauwe klanken om ontferming roepen: ‘Jezus, Meester, ontferm u over ons’.  Jezus stuurt hen naar de tempel, waar de priesters waren. Die priesters waren in staat hen genezen te verklaren en hen weer op te nemen in de gemeenschap. Zo gebeurt dat ook. Negen van de tien melaatsen vonden hoogstwaarschijnlijk hun plaats weer in het gewone leven. Ze konden hun weg vervolgen. Maar één doet het anders. Hij moet trouwens wel. Hij is een Samaritaan. En voor een Samaritaan is het verboden in de tempel te komen. Wat moet hij doen? Hij komt terug naar Jezus. Hij bewijst Hem zijn dank. En tegen hem kan Jezus zeggen wat Hij tegen de anderen niet kon zeggen: ‘Je geloof heeft je gered.’ 

Dit lijkt me het eerste wat we vandaag mogen overwegen. Geloof kan je redden. Vanzelfsprekend is dat niet. In onze dagen noemen mensen ‘gezondheid`vaak een voorwaarde voor geluk. U en ik weten, hoeveel aandacht er aan onze gezondheid wordt besteed. Als je niet gezond bent, dan lijkt het wel alsof je er niet helemaal bij hoort. Gezondheid is een breed terrein. Je kan lichamelijke kwalen hebben, maar je kan ook van binnen verkreukeld zijn: angstig, somber, eenzaam, onzeker, schuldig. Je kan niet lekker in je vel zitten. Dat kan zover gaan, dat je het leven niet meer aan kan. Daarmee kwamen we deze week in aanraking door de dood van de beroemde acteur.  

Kan geloof je redden? Geloof kan je in ieder geval uitdagen om je leven, ook je moeilijke leven uit handen te geven, toe te vertrouwen. Wie krampachtig het gevoel heeft dat het allemaal vanuit jezelf moet komen, kan zwaar teleurgesteld worden. Je kan krampachtig worden en dan wordt de innerlijke pijn alleen maar groter. Geloof en vertrouwen kunnen je ook helpen bij lichamelijke ziekten. Het kan toch schelen wanneer je ook in ziekte een diepe verbondenheid voelt. 

De tien melaatsen hebben vertrouwen gehad in Jezus. Ze zijn in hun vertrouwen niet beschaamd. Ze kregen wat ze verlangden. Maar bij die ene Samaritaan gebeurde meer. Hij keerde terug naar Jezus. Hij voelde Zijn kracht en Hij wilde verbonden blijven met Hem, die hem genezen had. Hij zocht gemeenschap met Hem en daardoor kreeg zijn leven nog een diepere betekenis. Dat maakte dat Hij ook van binnen genezing en redding vond. 

Het was een Samaritaan, die terugkeerde. Hij maakte deel uit van een gezelschap van tien melaatsen. . Van dat getal tien worden Joodse lezers wakker. Pas als je met zijn tienen was, mocht je samen liturgie vieren. Tien is de kleinst mogelijke gemeenschap. Dat is het tweede wat ik vandaag wil overwegen. Waarschijnlijk heeft de Evangelist het hier over een gemeenschap. Het is een gemeenschap die melaats is. Misschien heeft de evangelist in zijn achterhoofd wel die christelijke of kerkelijke gemeenschappen op het oog, die als het ware melaats zijn, ziek, onaanzienlijk, dor, uitgevloerd.  Een van de leden van die gemeenschap is een Samaritaan, een buitenstaander. Een Samaritaan is door Joden niet gezien. Hij bewoont een gedeelte van het Joodse land, waar men het niet zo nauw neemt met wet en geboden. 

Vanuit het verleden wonen er in dit gebied mensen uit allerlei andere streken. Ze hebben hun eigen gewoonten en hun eigen geloof meegenomen.  Door goede en vrome Joden worden ze met een scheef oog aangekeken.  Maar het is de Samaritaan die na het kyrie, het gebed om ontferming, de lofzang, het gloria niet vergeet. Hij is het die terugkeert naar Jezus en zijn dankbaarheid uit. En Jezus geeft hem een opdracht mee: ‘sta op, ga; uw geloofheeft u gered’.  

Wat wordt hier nu mee bedoeld? Ik zal u zeggen, hoe ik dit gelezen heb. Die tien melaatsen vormen een gemeenschap. Ze lijken als gemeenschap wellicht op de kleiner wordende katholieke gemeenschap in onze dagen. Er worden veel ziektes en wonden in onze kerk openbaar. We voelen hoe langer hoe meer, hoe we genezing nodig hebben. Als we hier om ontferming bidden, doen we dat niet alleen voor onszelf, maar ook voor de kerk, waar we deel van uit maken. We worden gehoord, daar mogen we op vertrouwen.  Maar wie keert er terug naar de bron van onze genezing? In het Evangelie is het de buitenstaander. 

De Samaritaan mag niet rekenen op een vanzelfsprekende aansluiting bij de vertrouwde kring. Maar hij is wel degene, die de verbinding met Jezus zoekt en open staat voor Zijn opdracht. Misschien is de innerlijke vernieuwing wel te vinden bij de zoekers, de twijfelaars, bij degenen, die niet vanzelfsprekend bij de vaste kern horen. Of moet ik zeggen: Misschien moeten we wel nieuwe oren of een vernieuwd hart hebben om te zien, waar we genezing ontvangen en daar ook voor te danken. Hoe dan ook, de Samaritaan krijgt een opdracht: ‘sta op, ga, uw geloof heeft u gered.’ Is dat niet een opdracht, waarmee we de nieuwe week of misschien wel de nieuwe tijd in kunnen gaan”’Sta op, wees een opstandingmens, een verrijzenismens, een men die leeft met  hoop. Ga, ga op weg, zonder te weten waar je uit komt, maar leg de vanzelfsprekendheden af. Je geloof heeft je gered. Blijf de wonden van je verleden niet koesteren, maar wees er van overtuigd, dat je geloof je redding heeft gebracht en dat je daarom een nieuw begin mag maken. Er is in ons persoonlijk leven heel wat aan de hand.

Er is in onze kerk heel wat gaande, dat teleurstelt en verdrietig maakt. Ik geloof dat we redding, heil, genezing mogen verwachten van Hem, die we vandaag gedenken. Hij is de zon, die schijnt in onze duisternis, in onze nachten.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek in de Gerardus op 17 oktober 2010
Lezingen: Ex. 17, 8 -13 en Luc. 18, 1 -8 

Zusters en broeders,

Eventjes dacht ik bij de onrechtvaardige rechter dat deze vergeleken werd met God zelf. Immers, de arme weduwe staat voor de hulpbehoevende mens, die dringend hulp nodig heeft, opdat ze in haar recht kan staan.  De rechter hoort de arme vrouw en doet recht. Maar niet uit goedheid, maar om van haar af te zijn en uit zorg, dat zij haar misschien in zijn gezicht slaat en te schande maakt. 

Nu weet ik wel dat je soms lang moet wachten om in gebed gehoord te worden, maar God is alles behalve onrechtvaardig en bovendien staat er van Hem geschreven dat hij recht doen aan de weduwe en de wees, de hulpbehoevende mens, niet uit angst maar uit bekommernis en liefde. 

De parabel zet aan om vol te houden en te blijven bidden.  Er zijn veel mensen die dat zegen: blijf bidden.. Er zijn veelmensen die dat zeggen en ze blijven dat zeggen, ook als ze ogenschijnlijk niet worden verhoord. 

Ik las daarover een paar dingen, die ik met u wil delen. Augustinus, een bisschop uit de vierde eeuw schrijft over een zin uit de bijbel. Daar staat: ‘Bidt zonder ophouden`. Betekent dit dat we altijd moeten bidden? Maar wie zet dan de koffie? Wie doet de deur van de kerk open? Wie doet de afwas? Augustinus legt uit, dat bidden niet alleen betekent, dat je er voor gaat zitten of naar de kerk komt. Volgens hem is er een ander gebed, dat geen einde kent. Dat is het verlangen. ‘Als je verlangen niet ophoudt, dan bid je ook. ` Ons verlangen gaat er naar uit, dat er recht wordt gedaan, dat er vrede en genezing komt, vergeving wordt gegeven en dat je staande blijft in een verscheurde wereld. ‘Als je blijft verlangen, bid je ook’. Ik vind dat een goede gedachte, omdat dit ons verbindt met heel veel mensen. Bidden en verlangen horen dicht bij elkaar. Wie naar vrede verlangt, zal niet meer kunnen zeggen dat oorlog onvermijdelijk is.  Wie naar genezing en vergeving verlangt, zal zijn best doen om verzoening te bewerken.

Dat brengt me bij een andere uitspraak, die ik deze dagen las. Die is van Albert Schweitzer, die zich heeft ingezet voor zieken. Hij zegt: "Bidden verandert de wereld niet, bidden verandert de mens en de mens verandert de wereld." Vooral met het eerste deel van de uitspraak ben ik het hartgrondig eens. Bidden verandert de mens.  Bidden brengt je tot jezelf. Je voelt wie je zelf bent en wat je eigen aandeel is in conflicten en ruzies. Je hart wordt milder en zachter en open zich voor mededogen en liefde.  Bij het bidden  voel je dat er op je deur wordt geklopt, zodat je verantwoordelijkheid durft te nemen voor je eigen leven en voor datgene, wat jij kan doen. Of de mens alleen de wereld kan veranderen? Dat weet ik niet zo goed. Ik heb zelf het gevoel dat God de wereld mee verandert, maar niet zonder het verlangen en niet zonder de inzet van de mens. 

Ik denk aan de eerste lezing. Het volk strijdt in de woestijn tegen Amalek. Wie is die vijand? Wie is die Amalek, tegen wie Mozes en Jozua het opnemen? Amalek is de oervijand van Israël. Met hem mag je geen medelijden hebben. Want op een lafhartige manier viel hij de karavanen in de rug aan, d.w.z. de zwaksten en de meest weerlozen, de vrouwen en kinderen die zich vermoeid in de achterhoede voortsleepten, werden meedogenloos afgeslacht. Amalek staat  model voor het meest schandelijke en onmenselijke, voor alles wat God verfoeit. Hij is daar het symbool van. Die Amalek steekt zijn kop op, overal waar macht het haalt op het recht. We kunnen dan ook aan  Hitler denken. Maar we kunnen ook denken aan machthebbers en politici in onze dagen. Het zijn haast altijd de zwakste, die slachtoffer worden van maatregelen, die problemen moeten oplossen. 

Amalek staat symbool voor de macht van het kwaad; het kwaad dat ook in onze dagen woedt. Mozes met zijn opgeheven handen laat zien, dat we zonder de Heer het kwade niet kunnen uitroeien. Het vertrouwvol gebed blijkt een sterk wapen in de strijd tegen het kwaad. Ondertussen wordt de strijd voortgezet. God en mens werken samen. 

Verlangen en gebed maken dat de hoop niet verdort en het vertrouwen in de toekomst niet verflauwt. Het helpt je staande te blijven en gaande in ziekte, in verdriet, in moeilijke omstandigheden. En als bidden niet lukt, omdat het leven te zwaar is geworden?  Je kan je ook laten meenemen door het gebed van anderen. Daarom is het zo goed, dat we hier in de kerk samenkomen. We helpen elkaar om het gebed gaande te houden en daardoor de hoop niet te laten verflauwen. 

Bijzonder voel ik met thuis in een uitspraak van bisschop Dibelius.

Ook deze woorden zijn een pleidooi om te blijven bidden. 

Door het bidden gebeurt er van binnen iets in je, dat uitstraalt naar je omgeving. En het doet er toe, wat er met een enkeling gebeurt. En juist omdat bidden niet altijd eenvoudig is, helpen we elkaar, door hier samen te komen en met elkaar te bidden. 

Bidden is geen uiting van angst, ook al kan je in je bidden je angst, je woede en je bitterheid kwijt. Gebed houdt je gaande en houdt – als ik het zo mag zeggen – God wakker. Het opent ons het zicht op de wereld die komen gaat: Gods wereld, een wereld van gerechtigheid en vrede, van liefde en vertrouwen.

 

 

Pastor Leo Nederstigt 

Preek in de Anna –Bonifatius op 24 oktober 2010
Lezingen: Wijsheid van Jezus Sirach: 35, 15b-22a en Luc. 18,9 -14 

Zusters en broeders,

Ik ben blij dat de mensen van het kastanjehof de laatste tijd de voorste rij innemen, maar mij was het al lang opgevallen, dat de voorste rij in deze kerk het langst onbezet blijft. De achterste rij daarentegen is meestal het snelst bezet. Hoe zou dat toch komen. Het is toch lekker om een beetje vooraan te zitten en alles goed te kunnen zien en horen?  Volgens mij komt dat door het verhaal dat we in het Evangelie hebben gehoord. Het verhaal van de tollenaar en de Farizeeër. Waarschijnlijk gaat onze sympathie vooral uit naar die tollenaar.  Hij blijft een beetje achter in de kerk staan, slaat zich op de borst en erkent zijn schuld. Veel heeft hij niet te zeggen. Hij erkent zijn schuld en bidt om de goedheid van God. 

En dan die Farizeeër. Hij staat vooraan. Hij heeft mooie kleren aan. Hij brengt nog even naar voren wat hij allemaal voor goeds heeft gedaan. Hij is dankbaar dat hij dat allemaal mag doen en dat hij dus niet zo is als dat miezerige mannetje dat achterin staat. En aan het slot van het verhaal zijn we blij dat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis kon gaan. 

Op de laatste plaats gaan zitten in de kerk betekent dat we ons niets willen inbeelden. Misschien zijn we er zelfs wel een beetje trots op dat we niet volmaakt zijn. 

Misschien is het toch wel goed om nog eens naar die twee mensen te kijken. Allereerst die tollenaar. De tollenaars hadden in Jezus’ tijd een slechte naam. Terecht. Het waren belastingambtenaren. Dat kan een eerzaam beroep zijn, maar deze mensen inden belasting voor de Romeinen, de bezettende macht. Ze waren een soort collaborateurs. En dat niet alleen. Zij rekenden altijd naar zich toe. Ze zorgden dat ze zelf niets te kort kwamen en dat er altijd wel wat geld voor henzelf aan vast zat. Nare mensen waren het, die niet erg populair waren. 

De Farizeeën waren dat wel. Terecht. Ze waren mensen die de bijbel uitlegden en met mensen overlegden hoe ze het beste konden leven. Ze kenden de voorschriften heel goed. Zo wisten zij dat een Jood één maal per jaar de hele dag moet vasten. Dat is op Grote Verzoendag. Maar de Farizeeër liet het daar niet bij. Hij vastte nog eens extra, twee keer in de week. Hij ging verder in het geven van geld voor de armen dan verplicht was. Kortom hij probeerde te doen, wat hij anderen voorhield en hij deed er nog een schepje boven op. Goed en mooie mensen zijn die Farizeeërs. Jezus leek een beetje op hen. 

Daarom is de parabel van vandaag echt spannend. Die slechte tollenaar wordt naar voren gehaald, de Farizeeër wordt aan de kaak gesteld. Zo’n parabel levert Jezus geen vrienden op.Jezus zal het gedrag van de tollenaar niet goedkeuren. Waar hij sympathie voor opbrengt is het feit, dat de tollenaar erkent, waar hij mee bezig is. Hij brengt zijn gedrag eerlijk voor Gods ogen. Hij voelt dat hij tot dan toe niet goed geleefd heeft. En hij vraagt om ontferming. Hij is niet trots op zijn gedrag. Hij voelt hoe hij tekort doet aan zijn eigen mens – zijn en  aan dat van anderen. Hij vraagt hulp om daar uit te komen. Hij weet dat hij dat niet alleen kan. In de eerste lezing horen we hoe het gebed van de arme door de wolken doordringt. Welnu, de tollenaar is op de plaats van de arme gaan staan en zijn gebed dringt door. 

En de Farizeeër? Mag hij niet trots en dankbaar zijn om wat hij doet of wat hij kan doen?  Maar nee, het is  hier geen stille dankbaarheid of innerlijke vreugde, die deze bidder voor God brengt.  Wat hij doet is zichzelf rechtvaardigen, zichzelf laten zien als een super –mens. En door al die dingen op te noemen, vergeet hij zijn eigen zwaktes maar zet zich bovendien af tegen mensen die anders leven. Hij minacht hen. 

Van Jezus is bekend dat hij bij tollenaars at en dat hij het gedrag van Farizeeërs aan de kaak stelt. Dat laatste doet hij niet, omdat hij de goede dingen van hen niet waardeert, maar omdat een aantal van hen zich op die positie laten voorstaan. Hij eet niet met tollenaars, omdat  Hij hun daden zo interessant vindt en zo leuk. Hij eet met hen, omdat Hij de mens achter de bedrieger wil blijven zien. 

Eigenlijk is Jezus nog een stap verder gegaan. Hij heeft niet enkel met zondaars en  misdadigers gegeten. Hij is op hun plaats gaan staan. Hij is als het ware één met hen geworden. Hij heeft zich als een rover laten arresteren. Hij is als een crimineel op het kruis gehangen en gestorven. En vanaf die plaats heeft hij Zijn stem laten horen. Hij is de stem geworden van alle armen, van weduwen en wezen, van hulpbehoevende mensen, van allen die voelen en weten, dat zij het niet alleen redden. Hij is hun stem geworden en Zijn Vader heeft Hem gehoord. En niet alleen Hem. In Hem heeft hij de stem van de ontluisterde, de kwaadaardige, de mislukte en de hulpbehoevende mens gehoord, die anders wil leven en anders gezien wil worden. Jezus is als het ware zelf achter in de kerk gaan staan. Hij heeft het ‘mea culpa` uitgesproken namens ons allen. En Hij is gerechtvaardigd, opdat allen die met Hem en in Zijn Naam zich om ontferming richten tot de Vader, gehoord zouden worden.

De Farizeeër en de tollenaar. Misschien zijn het wel twee mensen die in onszelf leven. Ik hoor zo vaak dat mensen het nodig hebben om te vertellen, hoe goed ze eigenlijk wel zijn. Laten we eerlijk zijn. Soms hebben we dat ook nodig. We hebben het nodig, omdat we soms het gevoel hebben, dat het goede in ons en van ons helemaal niet gezien wordt. Slim is het niet, om dat te doen. Vaak heeft het een tegenovergesteld effect. Dat wil niet zeggen, dat er in ons niet heel veel goeds zit. Dankbaarheid of stille vreugde past ons beter dan ons te vergelijken met mensen die zogenaamd slechter zijn. U weet het wel:’Ik ben niet zo als die Marokkaanse jongen, die schetterende en kibbelende buurvrouw, die luie collega…’ En wellicht moeten we van tijd tot tijd echt de plaats innemen van die tollenaar. Ook in de mooiste dingen die we doen, zit soms verborgen eigenbelang, opschepperij of zelfoverschatting. 

We zijn tollenaars en Farizeeërs, rechtvaardigen en zondaars. Zo zijn we bij elkaar. We mogen dankbaar zijn om wat er ons is gelukt. We vragen om hulp en om ontferming over alles wat ons tot kleine en zielige mensen maakt.

Pastor Leo Nederstigt

 

Preek op feest van Willibrord: 7 november 2010 in de GerardusLezingen: Jes. 52, 7 -10 en Mt. 28, 16 -20 Zusters en broeders, Willibrord Is geboren in Northumberland in Engeland in het jaar 658. Hij wordt als kind aan een klooster toevertrouwd, in Ripon, niet ver van zijn geboorteplaats. Hij zelf wordt ook monnik en woont in een klooster in Ierland. In die tijd is daar een beweging, waarin het velrangen om naar andere en vreemde gebieden te trekken heel sterk is. Dat verlangen heeft een heel praktische of missionaire kant. Vreemde volken moeten horen over Jezus en Zijn Evangelie. Mar dat verlangen heef ook een spirituele kant. Zoals Jezus geen steen had om zijn hoofd op te leggen en zonder eigen huis rondtrok, zo wilden een aantal monniken rondtrekken zonder vaste woonplaats om dichter bij Christus te komen en Hem zo te ontmoeten. Zo vond Willibrord toen hij dertig jaar oud was voldoende motivatie om op weg te gaan. Met 12 gezellen landde hij in de buurt van Katwijk. Hoe moest hij zijn werk aanpakken? Hij deed dat op een systematische en ook wel slimme manier, die effect bleek te hebben. In die tijd was Peppijn hofmeier, de baas van de Franken. Hij streed voortdurend tegen de Friezen, die het westen en het Noorden van Nederland bewoonden. Het lukte deze gezagsdrager om een groot deel van dit volk te overmeesteren.  Het was die bevolkingsgroep tot wie Willibrord zich wilde richten. Daarom zocht hij contact met Pepijn, die sympathiek stond tegenover het idee dat de Friezen christen zouden worden. Dat zou de integratie van zijn Rijk bevorderen. Willibrord zocht nog meer steun. Hij trok tot twee keer toe naar Rome om de paus te bezoeken. Hij werd door hem bisschop gewijd. Verzekerd van de steun van de hofmeier en die van de paus  trokken Willibrord en zijn gezellen door het gebied van de Friezen. Er werden heiligdommen van de heidenen omver gehaald en overal kerken gebouwd. Utrecht werd de hoofdzetel van zijn werk. Het werd de voornaamste bisschopsstad in onze gewesten. Willibrord bleef rondtrekken en in Echternach stichtte hij een groot klooster. Daar is hij overleden in het jaar 739. Hij werd 79 jaar oud. Drie dingen wil ik uit zijn leven naar voren halen. Het eerste is dat diepe besef geen eigen plaats of huis te hebben. Willibrord trok inderdaad heel veel rond en zijn gezellen deden dat nog meer. Paulus kent deze mentaliteit, als  hij schrijft dat ons vaderland in de hemel is en dat wij als gelovige mensen iets hebben van een thuisloze of een reiziger. Willibrord was een reiziger. Hij verliet voorgoed zijn eigen vaderland. Hij trok tot twee keer toe naar Rome. Hij doorkruiste grote delen van Nederland, België. Luxemburg en een stuk van Duitsland.Gelovigen hebben iets weg van reizigers. Ze zijn op weg. De tocht door de woestijn komt in de geschiedenis van Israël steeds weer terug. In de woestijn werden weliswaar vele ontberingen geleden. Maar het was ook een periode waarin Israël ontdekte wat voor soort volk het was. Ze kwam tot wezenlijke inzichten. In de eerste lezing horen we een vreugdevol stukje van de reis die Israël moest maken vanuit de ballingschap naar het beloofde land en dus ook naar Jeruzalem. Het is bijzonder dat er zo over Jeruzalem wordt gesproken, terwijl dat in die dagen de aanblik van een ruïne had. Ons geloof wordt deze dagen behoorlijk door elkaar geschud. De schaduwkanten van alles wat christelijk of katholiek heet, worden aan het licht gebracht. Dat is noodzakelijk, maar doet ook pijn. Meer dan ooit voelen we dat we als het ware een innerlijke reis moeten maken. Het lijkt wel alsof we er tot nog toe niet veel van hebben gemaakt. Die innerlijke reis kan veel overhoop halen en pijn teweeg brengen door alle donkere kanten die we tegenkomen. Het kan ons ook dichter brengen bij onszelf en dichter bij Christus. Het gevoel dat veel uit handen is geslagen en door elkaar is geschud, kan ons ook gevoelig maken voor de diepere waarden die in de schatkamer van de bijbel en onze geloofstraditie verborgen waren. Zo denk ik ook na over die waterputten waarmee Willibrord verbonden was. In Heiloo is zo’n putje. In de godsdienst van de Germanen speelden die putjes een bijzondere rol. Willibrord gaf er een christelijk karakter aan. Het water van de put herinnerde aan het doopsel. Het herinnerde ook aan de bronnen van levend water, waar het Evangelie over spreekt. En niet zelden werd en wonderdadige kracht aan dat water toegekend. Als derde punt noem ik de methode van missioneren van Willibrord. Willibrord ging bij wijze van spreken achter de overwinnaar aan. Eerst versloeg Pepijn met geweld de legers. Vervolgens kwam Willibrord met het Evangelie. Die volgorde is in de geschiedenis van de missie heel vaak gebruikt, met name in Zuid – Amerika en Afrika. Terecht kunnen we hier heel wat vragen bij stellen. Macht en geloof werden niet zelden met elkaar verbonden, terwijl het Evangelie juist een kwetsbare Mensenzoon verkondigt. Willibrord nodigt uit zijn diepste motivatie door te leven. Zijn verlangen was om het leven van Christus te beleven en dat ook met anderen te delen, omdat dit vrij en gelukkig kan maken. Die vrijheid en dat geluk hebben veel mensen in onze streken in het geloof gevonden.  De opdracht aan de leerlingen van Jezus om Zijn bevrijdend Evangelie door te geven, ligt er nog steeds. Van het leven van Willibrord kunnen we ook leren wat we niet meer moeten doen. Macht en geloof mag niet vermengd worden, tenzij het gaat om de macht van de liefde, de trouw. De barmhartigheid en de rechtvaardigheid.

 

 

 

 

 

 

 

Laatste aanpassing op maandag 08 november 2010 10:26