ABG Parochie

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Archieven

Preek op de derde zondag in de Advent

E-mail Afdrukken PDF

Preek op de derde zondag in de Advent in de Anna Bonifatius p[ 12 december 2010

Lezingen: Jes. 35, 1 -6a.10 en Matth. 11, 2 -11

Zusters en broeders,

Hij zat in de gevangenis. Hij was geen crimineel of zo. Hij had  geen geweld, geen verdovende middelen, geen roofoverval op zijn geweten. Hij had de waarheid gezegd. En daarbij had hij die koning Herodes niet gespaard en ook niet de anderen, die enig gezag bekleedden. ‘Adderengebroed’., had hij ze genoemd. Dat is een behoorlijk fel scheldwoord. Gelukkig kwam er bezoek. Zijn oude leerlingen lieten hem niet in de steek. En natuurlijk vertelden ze wat er gebeurde in het land en in zijn omgeving. “En die Jezus van Nazareth,’’ hoe is het daarmee, wilde Johannes weten. Dat was meer dan nieuwsgierigheid. Had hij niet zijn nek voor hem uitgestoken? Hij had Hem aangewezen te midden van een massa mensen. Lam Gods had hij hem genoemd. En hij had de stellige verwachting gehad, dat Hij het was, de Messias, die komen zou.  Maar wat hoorde Hij nu van Hem? Zijn taal was veel milder als die van hemzelf. Het leek wel of Hij zijn mond niet open durfde te doen. Zijn kritiek op Schriftgeleerden en Farizeeën was voor een goede verstaander niet mals, maar felle woorden kwamen er nauwelijks uit zijn mond. En dat niet alleen. Naar Johannes hoorde, bewoog die Jezus zich vooral onder de ‘losers’, de mensen die door anderen al waren afgeschreven; lammen, kreupelen, blinden, armen. Wat stelde die Jezus dan toch voor?

In de gevangenis heb je veel tijd om na te denken en te piekeren. Johannes piekerde. Hij had een vermoeden, waar zijn gevangenschap op uit zou lopen. Zelfs in de gevangenis had hij zijn mond open gedaan. Iedereen wist, wat hij over Herodes dacht. Vroeg of laat zou dat hem de kop kosten. En zou zijn leven dan zin hebben gehad? Had hij voor niets zijn hoofd uitgestoken en zijn mond open gedaan?

Hij wachtte op het volgende bezoek. Ruben en David waren trouwe bezoekers en ze hadden hem al eerder verteld, dat ze af en toe in de buurt van Jezus kwamen. Hen zou hij nog eens aan de tand voelen.

Ze kwamen, die twee. Het gesprek kwam natuurlijk gauw op Jezus. Johannes vertelde wat er in hem omging. ‘Alstublieft, Ruben en David, vragen jullie nu eens aan Jezus, wie Hij nou eigenlijk is. Is Hij de komende of moeten we een ander verwachten’. Ruben en David beloofden dat ze Jezus aan zouden spreken.

Dat deden ze al spoedig daarna. Het kostte enige moeite om tot Jezus door te dringen. Verspreid over de grond lagen kreupele mensen, die probeerden wat aandacht te krijgen. Jezus was in gesprek met een paar blinde mensen. Het was duidelijk wat ze van hem wilden. Op iets meer afstand zaten mensen in tweede hands kleren, een paar moeders met huilende kinderen, een oude man die een beetje in de war was en enkele heren die teveel op hadden. Ze vroegen niets aan Jezus, maar ze slorpen zijn woorden in en werkelijk, hun ogen begonnen al een beetje te stralen. Ruben en David liepen die mensen gauw voorbij. Ze stonken volgens hen.

Het lukte de aandacht van Jezus te trekken. ‘Hoe is het met Johannes? ‘,vroeg Jezus. ‘ Hoe maakt hij het?’ ‘Hij krijgt genoeg te eten. Hij mag bezoek ontvangen, maar hij zit vast en hij heeft het gevoel dat hij er nooit meer uit komt,’ antwoordden de twee. ‘Maar hij wilde u een vraag stellen. ‘Kom maar op, zei Jezus. ‘De leerlingen herhaalden kort en bondig, wat Johannes zo bezig hield: ‘Zijt gij de komende of hebben we een ander te verwachten…

Jezus vermoedde dat het Johannes een beetje tegenviel wat er rond hem gebeurde. Maar Hij antwoordde geduldig en overtuigend. ‘Kijk om je heen, en zeg het aan Johannes: . Blinden zien, lammen lopen, melaatsen genezen, doven horen, doden staan op’. Erger je niet aan mij.

Daar konden de leerlingen het mee doen en ze wilden al afdruipen. Eigenlijk hadden ze het gevoel dat Johannes een beetje neergezet was. Maar dat was helemaal niet de bedoeling. Want onmiddellijk begon Jezus Johannes haast de hemel in te prijzen. Het was duidelijk dat Hij deze gevangen profeet heel hoog had.

De leerlingen gingen enkele dagen later weer terug naar Johannes. Hadden zij antwoord gehad op de vragen? Eigenlijk niet. Jezus had geantwoord door opnieuw vragen te stellen. Mar Johannes vond dat niet erg. Die dag leek hij iets van Zijn somberheid kwijt te raken. Er kwam een zonnestraal door de tralies De gevangeniscel leek een beetje op een zonnig terrasje met bloemen, volop water, een mild zonnetje en overal vriendelijke mensen.

En Johannes dacht aan  die moeilijke tijd van zeven eeuwen daarvoor . Het hele land lag in puin. En het volk was in ballingschap. De mensen waren moedeloos. Het was dor en uitzichtloos. Maar toen werd de droom van de profeet naar voren gebracht. De steppe zal bloeien. En wie weet neuriede Johannes dat lied dat we ook vandaag gaan zingen. ‘De steppe zal bloeien, de dode zal leven’. Want in dat lied is de droom van Jesaja verwoord.

‘Zijt gij de komende of hebben we een ander te verwachten?  Een oud Joods verhaal zegt het volgende: ‘Aan de poort van Rome zit een melaatse bedelaar, die wacht en wacht en wacht…Die bedelaars is de Messias. ‘Op wie wacht hij dan?, vraagt een jongen aan zijn grootvader. Dan legt de oude man zijn rechterhand op het hoofd van het kind en zegt: ‘Op jou mijn jongen’.

Als wij de Heer met Kerstmis verwachten, dan verwachten we niet slechts Hem, maar ook dat wat je de Messiaanse wereld kan noemen: Het rijk der hemelen, het rijk van gerechtigheid en vrede. Aan dat Rijk mogen we deel hebben. Aan dat Rijk mogen we meebouwen.

Pastor Leo Nederstigt