ABG Parochie

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Poëzie en Gebeden

Poëzie en Gebeden

E-mail Afdrukken PDF

Gebeden uit de litanie van de tijd

I De voorbijgaande tijd

een gebed om het leven

1.Klacht

Waar zijn de vrienden van voorheen,

in fleur en frisheid hunner jaren?

Waar zijn de bruiden met de krans

en de juwelen in de haren?

 

De tijd maakt vaal en hulpeloos en krom

en breekt ons alle kracht, en brengt ons om.

Ik riep: "Is er iets ergers dan de dood?"

Het klonk: "De ouderdom, de ouderdom."

 

Gebed

Neem in uw hand

naar wie onze liefde uitgaat;

laat hun kracht en aandacht,

hun lach en overgave,

heel hun tintelend leven

niet verloren raken.

 

Laat niet voorbij zijn,

toen wij elkaar genoten.

Onze liefde komt van U,

en wil naar U.

onze liefde, Heer,

wil eeuwigheid.

 

Koor

Wees mij genadig, Gij die genade zijt,

tegen U heb ik gezondigd.

Gij, die mijn levensdagen kent,

hun leegte en hun lange duur:

herstel in uw erbarmen mijn gebroken leven,

geef mij inzicht in waar ik mij verberg,

bloedbevlekt ben ik - neem het van mij aan.

God, herschep mijn hart, maak het zuiver.

Leg mij het woord op de lippen

en mijn mond zal uw lof verkondigen.

 

2.Klacht

De jaren gaan zoals zij gingen,

er is allengs geen onderscheid

meer tussen dode herinneringen

en wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen

om te ontkomen aan de tijd.

 

Er wordt van zijn wezen niets meegedeeld

dan, fluisterend, Hij heeft geen evenbeeld.

De minnenden vergaan voor de Beminde.

Geen die stervende een stem kan vinden.

 

Gij, reikende over zinnen en gedachten,

en wat wij, stamelend, onder woorden brachten.

Ons uur loopt af, ten eind gaan onze jaren.

En wij zijn vreemd van U, zoals wij waren.

 

Gebed

Eens is uw Zoon geboren,

uw geliefde, als mens.

U had ons lief zo we zijn:

grof en verbitterd, dom.

 

Kom tot mij, tot mijn hart dat trilt als lover;

vaag weg de angst en al zijn voorgetover.

Ik zeg, ik zeg U, ik weersta niet meer.

O God, laat mij niet aan mijzelf over.

 

Koor

Bij God alleen verstilt mijn ziel,

van Hem blijf ik het wachten:

mijn rots, mijn heil is Hij alleen:

mijn burcht - hoe zou ik wankelen?

Mijn vrijheid rust in God, mijn eer.

Mijn onbezweken rots is Hij:

bij God weet ik mijn wijkplaats.

 

3.Klacht

De lenteregen wies de klaproos af.

Sta op, tast naar de wijnkaraf:

al wat vandaag ontsproten u verrukt

zal morgen in bloei staan op uw graf.

 

Ik sloeg de beker stuk, de dag voor deze

als van mijn roes ik nauwelijks was genezen.

De scherven spraken met een lispelstem:

"Ik was als gij, gij zult, als ik ben, wezen."

 

Gebed

Blijf bij ons, Heer, en draag ons,

als geliefden zijn gestorven

en ons leven vaal wordt en moe,

als we oud zijn geworden

en het kil wordt om ons heen,

als we onze naam niet meer weten

en dwalend onze geest is geworden.

 

Blijf bij ons, Heer,

herinner U wie we waren,

herinner U wie wij zijn.

 

Koor

De ziel: een schuim van wielingen en kolken,

wild dansend als het vuur, ongrijpbaar als de lucht

verwant aan het loze spel der winden met de wolken

en trillend als een rag op elke wankele zucht.


II De beginnende tijd

een gebed uit de schepping

 

Antifoon Tot in eeuwigheid is zijn genade

 

1.Wijsheid

Mark groet 's morgens de dingen:

"Dag ventje met de fiets op de vaas

met de bloem, ploem, ploem;

dag stoel naast de tafel;

dag brood op de tafel;

dag vissertje-vis met de pijp,

en,

dag vissertje-vis met de pet;

pet en pijp

van het vissertje vis;

goeiendag.

Daa-ag vis;

dag lieve vis;

dag klein visje van mij."

 

Gebed

Verstrikt in genegenheden,

vertrouwvol, aanhankelijk;

machteloos in onze liefde,

neergedrukt door zorgen

en de sleur van alledag.

Gedenk, oh Heer, wie wij zijn,

gedenk, oh Heer, wat we worden.

 

2.Wijsheid

Ik: "In de Lekbocht heb ik als kind een otter gekend."

En hij: "Ik zag vannacht de wilde zwanen dalen."

Fluisterend ik: "Voor de ochtend zag ik

de leeuwerik voedsel voor zijn broedsel halen."

 

Gebed

Mogen de charme van de eerste keer,

de glans van het nieuwe,

de liefde voor het onverwachte

niet verloren raken.

 

Laten angst en treurnis

benauwdheid die verstikt,

een onbegrip dat zeer doet,

ons niet bepalen gaan.

 

Zorgeloos bij U, oh God,

onbevangen en vrij.

Jonger dan allen bent U,

onze hoop op leven.

 

Eens, als de wereld vreemd,

onkenbaar is geworden,

neem ons dan bij U uit liefde:

een eeuwig nieuw begin.

 

3.Wijsheid

Ik zag een kalfje bij de moeder drinken

een stille handeling, die hier nog mocht.

In de aanbrekende dag stonden ze

half slapend in dit drinken te verdrinken,

wazig in nevelen, nog haast verborgen.

Over het witte gras heen kwam de morgen,

bevreesd waadde ik weg van wat ik zag.

 

Gebed

Levende God,

broos is ons leven, gebrekkig:

wij falen, zijn ongerust,

bang voor uw grootheid,

maar U behoren wij toe.

 

Levende God,

uw macht verblindt ons,

uw wijsheid horen we niet,

we ontvluchten uw liefde,

maar U behoren wij toe.

 

Levende God,

uw macht is schuchter,

teder als iets wat even bestaat,

uw liefde aarzelt zoals onze ziel:

aan U behoren wij toe.

 

Antifoon Tot in eeuwigheid is zijn genade

III De aflopende tijd

een gebed uit de diepte

 

1. Antifoon God verjoeg dus de mens uit de tuin van Eden.

 

1. Koor

Waar is de vreugde, die we verloren

toen we ons vermaakten?

Waar is de betekenis, die we verloren

toen we werkten?

Waar is de rust, die we verloren,

toen we ons ontspanden?

Waar is het leven, dat we verloren

toen we leefden?

Waar is de God, die ging zwijgen

terwijl we ons best deden?

 

Gebed

Biddend staan we voor U,

in zorgen en onmacht.

We horen U niet.

Hoort U ons, Heer?

 

De wereld ligt voor ons

met heldere vormen, scherp.

U bent er niet.

Ziet U ons, Heer?

 

We doen wat gepast is,

al jaren. De smaak verdwijnt;

grijs wordt ons leven.

Verlangt U ons, Heer?

 

Een stem

Waar zal ik de rozen vinden

om om een donker hoofd te winden

om wangen, en om hangend haar?

 

Antifoon God verjoeg dus de mens uit de tuin van Eden.

 

2. Antifoon Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.

 

Koor

We bouwen aan de stad,

met ijver en verstand.

Maar wil God die stad,

zonder kerk, zonder hart?

 

We zorgen voor de kinderen,

laten God daar maar buiten.

Wil God onze kinderen?

Zij willen Hem niet.

 

We denken om onszelf.

En God? Die is elders.

Kan God ons nog willen?

Onszelf zijn we kwijt.

 

Gebed

God van hemel en van aarde,

U bent niet te vinden.

Vervreemd zijn we, en

uit elkaar gegroeid.

 

Een stem

Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven?

 

Gebed

God van mensen, van mij,

meer mij dan ikzelf,

punt waar ik om draai,

U beweegt mij, U leeft mij.

 

Een stem

Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven?

 

In de bedding van je heupen

wil ik slapen,

door de hemel van je ogen bedekt.

 

Antifoon Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.

 

3. Antifoon Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.

 

Koor

Wij zoeken een uitweg,

wij zoeken bevrijding,

wij zoeken de dood.

 

Gebed

Bevrijd me van onzin,

verlos me van leugens:

in de palm van m'n hand,

uw eeuwigheid, Heer.

 

Koor

Wij zoeken een uitweg,

wij zoeken bevrijding,

wij zoeken de dood.

 

Gebed

Dit leven hier hoeft niet:

raak mij, bedek mij,

neem mij, oh word mij,

geef mij, God, Uzelf.

 

Een stem

O nachten van gedragen extase

en diep gedronken verzadiging,

als elk met zijn geluk te rade ging

en van alleen-zijn langzaam wij genazen.

 

Antifoon Vreselijk is het te vallen in de handen van de leven­de God.

 

 

Verantwoording

De Gebeden uit de litanie van de tijd zijn ontstaan uit een Ves­per voor Allerzielen. Ik heb het uitgewerkt tot een meer algemene klacht over het voorbijgaan van de tijd. De psalm­stukken uit het eerste deel herin­ne­ren nog aan de eerste opzet.

De Gebeden bevatten veel bestaande gedichten. De klach­ten in het eerste deel zijn grotendeels afkomstig van J.H. Leo­pold. Het eerste deel van de tweede klacht is van Bloem, uit het gedicht 'November', evenals het slotkoor.

In het tweede deel komt de antifoon uit 'psalm 136'. Het eerste stuk wijsheid is van Paul van Ostayen. De andere twee stukken wijsheid zijn gedichten van Ida Gerhardt.

In het derde deel heb ik de eerste twee antifonen uit Genesis genomen en de derde uit de Brief aan de Hebreeën. De stukken die door "Een stem" worden gezegd, zijn weer gedichten van J.H. Leopold, behalve de laatste drie regels uit het tweede stuk, die van Hans Lodeizen zijn.

Het hele gedicht heeft wat opbouw betreft veel te danken aan de Choruses from 'the Rock' van T.S. Eliot. Maar alleen de vierde zin uit het eerste koorstuk is een directe vertaling uit de Choruses.

Wie een meer precieze bronvermelding wenst, staat het natuur­lijk vrij om daarover met mij contact op te nemen. Maar ik heb geen bloemlezing willen maken en sommige gedichten zijn enigs­zins aangepast aan wat nu eenmaal de grote lijn is van de Gebeden uit de litanie van tijd.

Peter Commandeur

 

 

Voorwaarden Gebeden-bladzijde

Als u ook gedichten of gebeden op de site van de parochie wilt plaatsen, is dat natuurlijk mogelijk. Het moet dan niet gaan om oproepen tot gebed of om verzoeken dat er voor iemand gebeden wordt, zoals dat gebeurt in de voorbeden.

In principe zullen we de gedichten of gebeden plaatsen zoals u ze toezendt, maar een kleine controle is voor een parochie-site onvermijdelijk. Stuurt u ze daarom aan ondergetekende, naar het eMailadres van de Dit e-mailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft JavaScript nodig om het te kunnen bekijken .

Bij voldoende mooie gebeden en gedichten zullen we er een bundel van maken.

Ik wens u veel inspiratie toe,

Peter Commandeur

Laatste aanpassing op dinsdag 01 november 2011 22:38