Gebeden uit de litanie van de tijd
I De voorbijgaande tijd
een gebed om het leven
1.Klacht
Waar zijn de vrienden van voorheen,
in fleur en frisheid hunner jaren?
Waar zijn de bruiden met de krans
en de juwelen in de haren?
De tijd maakt vaal en hulpeloos en krom
en breekt ons alle kracht, en brengt ons om.
Ik riep: "Is er iets ergers dan de dood?"
Het klonk: "De ouderdom, de ouderdom."
Gebed
Neem in uw hand
naar wie onze liefde uitgaat;
laat hun kracht en aandacht,
hun lach en overgave,
heel hun tintelend leven
niet verloren raken.
Laat niet voorbij zijn,
toen wij elkaar genoten.
Onze liefde komt van U,
en wil naar U.
onze liefde, Heer,
wil eeuwigheid.
Koor
Wees mij genadig, Gij die genade zijt,
tegen U heb ik gezondigd.
Gij, die mijn levensdagen kent,
hun leegte en hun lange duur:
herstel in uw erbarmen mijn gebroken leven,
geef mij inzicht in waar ik mij verberg,
bloedbevlekt ben ik - neem het van mij aan.
God, herschep mijn hart, maak het zuiver.
Leg mij het woord op de lippen
en mijn mond zal uw lof verkondigen.
2.Klacht
De jaren gaan zoals zij gingen,
er is allengs geen onderscheid
meer tussen dode herinneringen
en wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
om te ontkomen aan de tijd.
Er wordt van zijn wezen niets meegedeeld
dan, fluisterend, Hij heeft geen evenbeeld.
De minnenden vergaan voor de Beminde.
Geen die stervende een stem kan vinden.
Gij, reikende over zinnen en gedachten,
en wat wij, stamelend, onder woorden brachten.
Ons uur loopt af, ten eind gaan onze jaren.
En wij zijn vreemd van U, zoals wij waren.
Gebed
Eens is uw Zoon geboren,
uw geliefde, als mens.
U had ons lief zo we zijn:
grof en verbitterd, dom.
Kom tot mij, tot mijn hart dat trilt als lover;
vaag weg de angst en al zijn voorgetover.
Ik zeg, ik zeg U, ik weersta niet meer.
O God, laat mij niet aan mijzelf over.
Koor
Bij God alleen verstilt mijn ziel,
van Hem blijf ik het wachten:
mijn rots, mijn heil is Hij alleen:
mijn burcht - hoe zou ik wankelen?
Mijn vrijheid rust in God, mijn eer.
Mijn onbezweken rots is Hij:
bij God weet ik mijn wijkplaats.
3.Klacht
De lenteregen wies de klaproos af.
Sta op, tast naar de wijnkaraf:
al wat vandaag ontsproten u verrukt
zal morgen in bloei staan op uw graf.
Ik sloeg de beker stuk, de dag voor deze
als van mijn roes ik nauwelijks was genezen.
De scherven spraken met een lispelstem:
"Ik was als gij, gij zult, als ik ben, wezen."
Gebed
Blijf bij ons, Heer, en draag ons,
als geliefden zijn gestorven
en ons leven vaal wordt en moe,
als we oud zijn geworden
en het kil wordt om ons heen,
als we onze naam niet meer weten
en dwalend onze geest is geworden.
Blijf bij ons, Heer,
herinner U wie we waren,
herinner U wie wij zijn.
Koor
De ziel: een schuim van wielingen en kolken,
wild dansend als het vuur, ongrijpbaar als de lucht
verwant aan het loze spel der winden met de wolken
en trillend als een rag op elke wankele zucht.
II De beginnende tijd
een gebed uit de schepping
Antifoon Tot in eeuwigheid is zijn genade
1.Wijsheid
Mark groet 's morgens de dingen:
"Dag ventje met de fiets op de vaas
met de bloem, ploem, ploem;
dag stoel naast de tafel;
dag brood op de tafel;
dag vissertje-vis met de pijp,
en,
dag vissertje-vis met de pet;
pet en pijp
van het vissertje vis;
goeiendag.
Daa-ag vis;
dag lieve vis;
dag klein visje van mij."
Gebed
Verstrikt in genegenheden,
vertrouwvol, aanhankelijk;
machteloos in onze liefde,
neergedrukt door zorgen
en de sleur van alledag.
Gedenk, oh Heer, wie wij zijn,
gedenk, oh Heer, wat we worden.
2.Wijsheid
Ik: "In de Lekbocht heb ik als kind een otter gekend."
En hij: "Ik zag vannacht de wilde zwanen dalen."
Fluisterend ik: "Voor de ochtend zag ik
de leeuwerik voedsel voor zijn broedsel halen."
Gebed
Mogen de charme van de eerste keer,
de glans van het nieuwe,
de liefde voor het onverwachte
niet verloren raken.
Laten angst en treurnis
benauwdheid die verstikt,
een onbegrip dat zeer doet,
ons niet bepalen gaan.
Zorgeloos bij U, oh God,
onbevangen en vrij.
Jonger dan allen bent U,
onze hoop op leven.
Eens, als de wereld vreemd,
onkenbaar is geworden,
neem ons dan bij U uit liefde:
een eeuwig nieuw begin.
3.Wijsheid
Ik zag een kalfje bij de moeder drinken
een stille handeling, die hier nog mocht.
In de aanbrekende dag stonden ze
half slapend in dit drinken te verdrinken,
wazig in nevelen, nog haast verborgen.
Over het witte gras heen kwam de morgen,
bevreesd waadde ik weg van wat ik zag.
Gebed
Levende God,
broos is ons leven, gebrekkig:
wij falen, zijn ongerust,
bang voor uw grootheid,
maar U behoren wij toe.
Levende God,
uw macht verblindt ons,
uw wijsheid horen we niet,
we ontvluchten uw liefde,
maar U behoren wij toe.
Levende God,
uw macht is schuchter,
teder als iets wat even bestaat,
uw liefde aarzelt zoals onze ziel:
aan U behoren wij toe.
Antifoon Tot in eeuwigheid is zijn genade
III De aflopende tijd
een gebed uit de diepte
1. Antifoon God verjoeg dus de mens uit de tuin van Eden.
1. Koor
Waar is de vreugde, die we verloren
toen we ons vermaakten?
Waar is de betekenis, die we verloren
toen we werkten?
Waar is de rust, die we verloren,
toen we ons ontspanden?
Waar is het leven, dat we verloren
toen we leefden?
Waar is de God, die ging zwijgen
terwijl we ons best deden?
Gebed
Biddend staan we voor U,
in zorgen en onmacht.
We horen U niet.
Hoort U ons, Heer?
De wereld ligt voor ons
met heldere vormen, scherp.
U bent er niet.
Ziet U ons, Heer?
We doen wat gepast is,
al jaren. De smaak verdwijnt;
grijs wordt ons leven.
Verlangt U ons, Heer?
Een stem
Waar zal ik de rozen vinden
om om een donker hoofd te winden
om wangen, en om hangend haar?
Antifoon God verjoeg dus de mens uit de tuin van Eden.
2. Antifoon Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.
Koor
We bouwen aan de stad,
met ijver en verstand.
Maar wil God die stad,
zonder kerk, zonder hart?
We zorgen voor de kinderen,
laten God daar maar buiten.
Wil God onze kinderen?
Zij willen Hem niet.
We denken om onszelf.
En God? Die is elders.
Kan God ons nog willen?
Onszelf zijn we kwijt.
Gebed
God van hemel en van aarde,
U bent niet te vinden.
Vervreemd zijn we, en
uit elkaar gegroeid.
Een stem
Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven?
Gebed
God van mensen, van mij,
meer mij dan ikzelf,
punt waar ik om draai,
U beweegt mij, U leeft mij.
Een stem
Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven?
In de bedding van je heupen
wil ik slapen,
door de hemel van je ogen bedekt.
Antifoon Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.
3. Antifoon Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.
Koor
Wij zoeken een uitweg,
wij zoeken bevrijding,
wij zoeken de dood.
Gebed
Bevrijd me van onzin,
verlos me van leugens:
in de palm van m'n hand,
uw eeuwigheid, Heer.
Koor
Wij zoeken een uitweg,
wij zoeken bevrijding,
wij zoeken de dood.
Gebed
Dit leven hier hoeft niet:
raak mij, bedek mij,
neem mij, oh word mij,
geef mij, God, Uzelf.
Een stem
O nachten van gedragen extase
en diep gedronken verzadiging,
als elk met zijn geluk te rade ging
en van alleen-zijn langzaam wij genazen.
Antifoon Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.
Verantwoording
De Gebeden uit de litanie van de tijd zijn ontstaan uit een Vesper voor Allerzielen. Ik heb het uitgewerkt tot een meer algemene klacht over het voorbijgaan van de tijd. De psalmstukken uit het eerste deel herinneren nog aan de eerste opzet.
De Gebeden bevatten veel bestaande gedichten. De klachten in het eerste deel zijn grotendeels afkomstig van J.H. Leopold. Het eerste deel van de tweede klacht is van Bloem, uit het gedicht 'November', evenals het slotkoor.
In het tweede deel komt de antifoon uit 'psalm 136'. Het eerste stuk wijsheid is van Paul van Ostayen. De andere twee stukken wijsheid zijn gedichten van Ida Gerhardt.
In het derde deel heb ik de eerste twee antifonen uit Genesis genomen en de derde uit de Brief aan de Hebreeën. De stukken die door "Een stem" worden gezegd, zijn weer gedichten van J.H. Leopold, behalve de laatste drie regels uit het tweede stuk, die van Hans Lodeizen zijn.
Het hele gedicht heeft wat opbouw betreft veel te danken aan de Choruses from 'the Rock' van T.S. Eliot. Maar alleen de vierde zin uit het eerste koorstuk is een directe vertaling uit de Choruses.
Wie een meer precieze bronvermelding wenst, staat het natuurlijk vrij om daarover met mij contact op te nemen. Maar ik heb geen bloemlezing willen maken en sommige gedichten zijn enigszins aangepast aan wat nu eenmaal de grote lijn is van de Gebeden uit de litanie van tijd.
Peter Commandeur
Voorwaarden Gebeden-bladzijde
Als u ook gedichten of gebeden op de site van de parochie wilt plaatsen, is dat natuurlijk mogelijk. Het moet dan niet gaan om oproepen tot gebed of om verzoeken dat er voor iemand gebeden wordt, zoals dat gebeurt in de voorbeden.
In principe zullen we de gedichten of gebeden plaatsen zoals u ze toezendt, maar een kleine controle is voor een parochie-site onvermijdelijk. Stuurt u ze daarom aan ondergetekende, naar het eMailadres van de Dit e-mailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft JavaScript nodig om het te kunnen bekijken .
Bij voldoende mooie gebeden en gedichten zullen we er een bundel van maken.
Ik wens u veel inspiratie toe,



Poëzie en Gebeden

