2019 Preek zondag 18 augustus Anna-Bonifatiuskerk/Martelaren van Gorcum

Overweging bij Jeremia 38: 4-6, 8-10; Lucas 12: 49-53

Zoals u misschien weet heb ik een juridische praktijk. Juridische zaken kunnen best een tijd duren en dan kun je een band met mensen krijgen. Deze cliënte had me een keer gezegd dat ze niet verbonden was met een kerk maar wel veel met God sprak. Mooi natuurlijk. Haar zaak ging uiteraard over heel andere dingen, een daklekkage in de woning. Ze was huurster en haar verhuurder moest dat herstellen. Uiteindelijk deed hij dat ook wel, maar traag en er waren natte balken en muren met schimmels. Op een gegeven moment was er dan toch een timmerman aan het werk. Maar de dame was niet altijd even gemakkelijk, ze kreeg ruzie met de timmerman, zelfs zodanig dat de man boos wegliep en niet meer wilde terugkeren. Dat was voor haar zaak niet handig, ook niet voor haar woongenot, en ook niet voor haar gesprekken met God, zou ik denken, maar daar heb ik niet naar gevraagd.

Vandaag doet Jezus in het evangelie vreemde uitspraken. Hij zegt dat Hij geen vrede komt brengen maar verdeeldheid, en zelfs ruzies tussen familieleden. Vuur komt Hij brengen. Dat klinkt heel anders dan de vrede van Christus bij de vredeswens. Bij die ruzies moeten we de eerste lezing nemen. Die speelt zich af vlak voor de val van Jeruzalem. De Babyloniërs belegeren de stad en voor de bewoners waren er twee strategieën: ze konden de stad overgeven. En dat was verstandig als je ervan uitging dat ze toch niet konden winnen. Of ze konden zich verdedigen, omdat de stad nog wèl gered kon worden. De edelen van Jeruzalem stonden de laatste strategie voor en de partij van Jeremia de eerste. Volgens hem zouden de Babyloniërs dan genadig zijn, maar als de stad met geweld zou worden ingenomen zouden ze veel mensen doden. De koning zwalkte tussen de partijen heen en weer. Uiteindelijk wist de partij van de edelen door te zetten, maar Jeremia had natuurlijk gelijk. Jeruzalem werd met veel geweld ingenomen en met de grond gelijk gemaakt. De zonen van de koning werden voor zijn ogen gedood, en hijzelf werd blind gemaakt. Degenen die het overleefden werden in ballingschap afgevoerd naar Babylonië. En ook die ballingschap was vreselijk. Als tussenzang hebben we een lied gezongen uit die ballingschap: we zullen zingen, lachen, gelukkig zijn, maar pas als we weer thuis zijn.

Dat zijn voorbeelden van de hardheid van de wereld. Oorlogen zijn er bij ons gelukkig al een tijd niet meer geweest, maar op veel plaatsen op de wereld is dat anders, en ziektes en dood zijn overal aanwezig, en, ik noem maar een kleinigheid, daklekkages ook. Is God dan niet machtig en goed? Voor veel Joden tijdens de ballingschap was dat een probleem en tegenwoordig zeggen veel mensen dat ze geen Christen zijn, omdat een goede God niet zoveel ellende zou toestaan. Ze zouden het evangelie van vandaag kunnen lezen, maar ik denk dat ze dan zouden zeggen dat een God die ruzie brengt, niet goed is en daarom niet vereerd moet worden.

Eigenlijk hebben zulke mensen een veel te eenvoudig idee over hoe God is. God ontsnapt hun. Maar ook aan ons ontsnapt God. Ook wij hebben Hem niet in onze zak. God laat zich niet grijpen of begrijpen. Hij is geen gerieflijke God, die in lijn ligt met onze verlangens. Hij is niet zomaar een beschermende moeder, of een veilige vriend. Geloof is liefde, en iemand liefhebben betekent op die persoon vertrouwen op een onvoorwaardelijke manier. God eerbiedigt onze vrijheid en wij moeten de zijne eerbiedigen. Als je bidt en je voelt niks, moet je niet stoppen met het gebed, want God is er niet voor jou. Veel eerder zijn wij er voor God. De vervolgingen waar Jesus over spreekt zijn niet alleen die van buiten maar ook die van binnen. Zelfs het omgekeerde: “Ik voel een hoop, dus ik geloof,” hoeft niet juist te zijn. Het is belangrijk om een goede relatie met God te hebben, maar daarbij moeten we Hem niet tot een vriendje maken dat precies doet wat wij willen. Steeds moeten we ons geloof laten toetsen, door de kerk, de bijbel en ook door wat we meemaken, door de wereld. Ik ben begonnen met die vrouw die veel met God sprak, maar als je nooit in een kerk komt, is er minder zekerheid dat je echt wel spreekt met de levende God. Het moet waar zijn wat we geloven. Ook in een harde wereld moet ons geloof betrekking hebben op die geheimzinnige God die ons met die hardheid liefheeft.

En hoe weten we dat dat zo is? Jacobus schrijft in zijn brief dat je weet dat je geloof waar is als het ertoe leidt dat je daden van naastenliefde doet en geduld hebt, zou ik denken. Dat is een goed criterium. Maar soms maakt de harde wereld naastenliefde onmogelijk. Er kan te veel ruzie zijn. En als je zelf ziek of hulpbehoevend bent, kun je weinig voor anderen doen. Maar ook als dat niet zo is: onlangs werd ik ‘s avonds op straat aangesproken door iemand uit Oost-Afrika. Hij sprak goed Nederlands, maar hij was ook al l4 jaar in Nederland, vanaf zijn 15e. Evengoed was hij illegaal en zijn zaak was nu bij het Europese Hof; hij wachtte op een uitspraak. Hij liep met een fles witte wijn, maar die had hij gekregen, zei hij. En als het ‘s nachts koud werd, was zo’n fles best nuttig; hij had geen slaapplaats. Toen vroeg hij aan mij €4,50, want dan kon hij onderdak krijgen. Maar ik had geen geld bij me. Ik heb wel een logeerbed in mijn huis. Maar dat bood ik niet aan, omdat ik hem te weinig kon vertrouwen, omdat de wereld hard is. Ik liet hem over aan de kou en aan z’n fles witte wijn.

Maar het evangelie stopt niet met de hardheid van de wereld. Het doopsel dat Jezus noemt, en de beklemming die Hij ervoor heeft, verwijzen naar Goede Vrijdag, en daardòòr naar Pasen. Jezus verlangt daarnaar, omdat het de weg is naar de voltooiing, naar de eeuwige Paasmorgen, als alle pijn en verdeeldheid verdwijnen en de schepping wordt verheven tot in het eeuwige bestaan van God. Het zijn mysterieuze woorden: “Hoe verlang ik dat het al oplaait.” Niet alleen wij wachten op zo’n Pasen, God zelf wacht erop en verlangt ernaar. Christus heeft het lijden ondergaan, omdat Hij ons liefhad en zelfs in het ergste lijden één met ons wilde zijn. God zelf verlangt naar onze bevrijding. Maar Hij wil dat niet hier en nu voor elkaar brengen, omdat wij dan niet meer de mensen zouden zijn die Hij liefheeft.

Hoe weten we dat het waar is wat we geloven? Omdat de wereld, en wij, hard zijn, moeten we de uitspraak van Jacobus aanvullen met vertrouwen en hoop, en met deemoed om te vermijden dat wij zouden weten hoe God’t had moeten aanpakken. Als onze daden van naastenliefde de waarheid van ons geloof aangeven, dan geeft de hardheid van de wereld aan dat onze God geen wishful thinking is. Ook als we niets aan naastenliefde doen, niks voelen bij het gebed, en alleen ruzie en verdeeldheid ontmoeten, ook dan is er die God, die ons uit respect op onszelf laat. Dat vraagt om een blind, of een nederig vertrouwen op Hem, die ons ook dan liefheeft en lijdt met ons en, zoals wij, verlangt naar de eeuwige Paasmorgen. Ook God wacht en wij moeten ons overgeven aan een eigenheid die we niet begrijpen. Moge dan de Heer ons bij zich nemen en ons de kracht geven Hem te aanvaarden en zijn liefde te beantwoorden.

Peter Commandeur