2020 Preek donderdag 31 december Anna-Bonifatiuskerk

Oudjaar 2020

Prediker 1: 2-6, 9-11

IJdelheid der IJdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon. Geslachten gaan en geslachten komen en de aarde blijft almaar bestaan. De zon komt op en de zon gaat onder, en haast zich dan weer naar de plaats waar haar loop was begonnen. De wind waait naar het zuiden en draait naar het noorden. Hij draait en waait en telkens keert hij op zijn schreden terug. Wat gebeurt is, zal weee gebeuren, niets nieuws is er onder de zon.

1e Brief van Johannes, hoofdstuk 2.

Hoe weten wij dat we God kennen? Er is maar één bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. In een mens die Gods woord bewaart, heeft de liefde haar volmaaktheid bereikt. Dan weten we dat we “in Hem” zijn. Vrienden, ik leg u geen nieuw gebod op. Het is het oude gebod dat u altijd gehad hebt: wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en hij komt niet ten val.

Verlies uw hart niet aan de wereld, want al wat in de wereld is, de begeerte, het najagen van mooie dingen, het willen imponeren met geld, het komt niet van de Vader en het gaat voorbij met alle begeerlijkheid. Maar wie de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.

Lucas 7, 20-21

Toen Hem door de Farizeeën de vraag werd gesteld wanneer het Rijk Gods zou komen, gaf Hij hun ten antwoord: “De komst van het Rijk Gods kunt ge niet waarnemen. Men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het, of daar is het.” Want het Rijk Gods is midden onder u.

Preek

Een paar maanden geleden, het was nog zomer, was ik door een neefje uitgenodigd bij hem op bezoek te komen. Of nou ja, neefje, hij was inmiddels groter dan ik en woonde met zijn vriendin op een dijk van de polder waar ik geboren ben. Ik kende dat stuk dijk wel. Lang geleden werd het gepacht door mijn grootvader, mijn vaders vader. Die gebruikte het gras van de dijk als hooi voor z’n koeien. Toen ik een jaar of zes, zeven was gingen ik en nog twee broertjes af en toe met mijn vader mee naar die dijk. Hij was nog een jonge man en hielp zijn vader met het hooien. Het was zomer en mooi weer, anders kun je niet hooien, en wij lieten ons dan van de dijk afrollen in één van de hooibergen die aan de voet ervan stonden. Jongetjes natuurlijk, en we hadden erg veel plezier. Vervolgens ben ik 40 of 50 jaar niet meer op die dijk geweest, maar een paar maanden geleden, op de avond van een mooie zomerdag was ik er zomaar weer. Mijn neefje en ik wandelden over de dijk. Het was heel idyllisch, mede ook door die oude herinneringen.

Vandaag is het Oudjaar en dat maakt bewust van het verstrijken van de tijd. Er is een jaar voorbijgegaan en wat houden we over? Herinneringen, zeker, maar wat we ons herinneren is maar al te vaak onherroepelijk voorbij. Ook al zou er op die dijk nog steeds gehooid worden, ik zou me niet meer naar beneden laten rollen. Daar zou ik nu alleen nog maar misselijk van worden. Dat jongetje van zes is definitief verdwenen. Toch is Oudjaar geen bijzondere dag op de Christelijke kalender. Het verstrijken van de tijd is voor het Christendom eigenlijk geen probleem. Christus heeft de dood overwonnen en daarmee ook de tijd. God leeft daarbuiten en als we sterven, vallen ook wij uit de tijd en kunnen we bij God zijn, als Die het wil.

Maar nu leven we in die tijd, die alles lijkt te doen verdwijnen. Proust, één van de bekendste schrijvers van de vorige eeuw, heeft zeven dikke romans geschreven onder de verzameltitel “Op zoek naar de verloren tijd”, de tijd van zijn jeugd, dus toen ik zo van die dijk aan rollen was. Ook de psalmist zegt dat de jaren zuchtend verstrijken, en dat ons hele leven even snel verdwijnt als een droom. Van Bloem is een gedicht hierover dat November heet. Het staat op het inlegvel. Ik citeer het:

Het regent en het is november.

Weer keert het najaar en belaagt

het hart dat droef maar steeds gewender

zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamers waar gelaten

de dagelijkse arbeid wordt verricht,

schijnt uit de troosteloze straten

een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen.

Er is allengs geen onderscheid

meer tussen dove herinneringen

en wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen

om te ontkomen aan de tijd.

Altijd november, altijd regen,

altijd dit lege hart, altijd.

Prediker zegt in de eerste lezing eigenlijk hetzelfde: we leven in een sleur, en hebben niets aan ons harde werk; alles is steeds hetzelfde. Zelfs de zon en de wind kunnen zichzelf alleen maar herhalen. Maar Prediker heeft ook iets van een oude mopperaar, want wie ergert zich er nou aan dat wind weer uit het westen komt. Bloem heeft dat ook een beetje. “Altijd dit lege hart, altijd,” is wat overdramatisch. Maar het is herkenbaar: te vaak hebben we zo’n leeg hart, en lijkt een nieuw jaar veel te beloven, terwijl het toch allemaal hetzelfde blijft, dezelfde sleur; we worden alleen maar een jaar ouder.

Maar in de lezingen uit het Nieuwe Testament geldt het omgekeerde: de eeuwigheid is aanwezig en niet in een hiernamaals, maar hier en nu, midden in dat nooit stoppende verstrijken van de tijd. Kerstmis is eigenlijk al het feest waarin God, de eeuwigheid, definitief op aarde is gekomen. En volgens Johannes in zijn eerste brief kunnen wij al nu in God zijn, dus delen in Gods bestaan en in zijn eeuwigheid. Dat gebeurt als we uit liefde voor God zijn wil doen. Als je liefhebt, word je een  beetje degene die je liefhebt, zelfs als dat God is. Van Gods wil maken we onze eigen wil, als we onze broeders en zusters liefhebben. Dan krijgen we een stukje goddelijkheid in ons: in God zijn, noemt Johannes dat. De lezing uit het evangelie zegt op een andere manier hetzelfde: het Rijk Gods is midden onder ons. Gods majesteit, in dat koninkrijk tenslotte, zijn macht en zijn eeuwigheid, dat is allemaal onder ons en deel van ons.

En wat zegt dat over de onherroepelijk afgesloten tijd van onze herinneringen, over de sleur van onze sombere dagen, ons lege hart en het zwoegen onder de zon? De eeuwigheid komt niet onvoorwaardelijk bij ons. Het Rijk Gods wordt pas voelbaar als we Gods majesteit kunnen accepteren. Dan kunnen we aan Gods toekomst deelnemen en ook zelf toekomst krijgen, buiten die sleur. We moeten ons niet laten afleiden door de angst in onze wereld, of door de betekenisloosheid van steeds weer dezelfde jaren. Soms mopperen we te graag en ook kunnen we aan onze pijnen en angsten haast verslaafd zijn. Het klinkt misschien gek, maar ook de eeuwigheid, Gods werkzaamheid, is iets wat we moeten aanvaarden, waarvoor we de ogen moeten openen en vaak genoeg kunnen we dat alleen met veel moeite.

Johannes ziet de eeuwigheid in een liefdesverhouding met God en dat in één geheel met liefdesverhoudingen met onze broeders en zusters. Het in God zijn is geen mystieke, extatische eenheid met God, maar een gevoel van met God zijn, door Hem gesteund worden, vertrouwen op God. Dat gaat over naastenliefde, maar het is ook een stuk breder omdat we met broeders en zusters een wederkerige liefdesverhouding hebben. Het is de liefde die de dingen nieuw maakt. Bloem heeft het dan ook over “dit lege hart.” En ook het zwoegen onder de zon van Prediker is geen werk waar zijn hart ligt. Er is een gemis aan liefde. Pas binnen een liefdesverhouding worden de jaren veelbelovend en niet alleen maar meer van hetzelfde. Eigenlijk wordt de eeuwigheid pas mogelijk door liefde, zoals Johannes ook zegt.

Twee weken geleden was er neefje bij mij te logeren. Niet die grote, deze was nog maar vier, eigenlijk een achterneefje. Hij was nog nooit met de tram geweest, dus wij waren aan het trammen op de zondagmiddag. Hij vond het geweldig en zwaaide naar de machinisten, die allemaal terugzwaaiden. Hij straalde een soort schattigheid uit waardoor de mensen om ons heen spontaan begonnen te glimlachen. Op een gegeven moment kwamen we een man tegen die op een fiets aan het wachten was. Hij droeg een jas met opstaande rand en hij had een zwart mondkapje tot de ogen. We liepen hem voorbij, het neefje aan m’n hand, en ineens riep-ie, keihard natuurlijk: “Oh, dat is een meneer.” Ook die man begon te lachen. Zo’n jongetje vraagt een hoop tijd; je moet erg op’m letten. Ze lopen in 13 sloten tegelijk, maar dat is niks vergeleken met alle schattigheid en glimlachjes van iedereen die je terug krijgt. Ook daarin wordt Gods liefde uitgedrukt. En dan is er niks steeds hetzelfde, geen enkele sleur. Het is zoals toen wij van die polderdijk afrolden. Ik denk dat dat de uitdrukkingen zijn van Gods eeuwigheid, van zijn majesteit en van het Rijk Gods. En misschien lijken die herinneringen alleen maar onherroepelijk voorbij, omdat wij te veel aan de tijd vastzitten, terwijl zij eeuwig bij God zijn.

Oudjaar. We mopperen graag. En toch is daar God, de eeuwigheid die uit de hemel is gekomen, omdat Hij bij ons wil zijn, en niet alleen met Kerstmis. Steeds als wij onze liefde voor Hem uitdrukken door zijn wil tot de onze te maken trekken we God uit zijn hemel, omdat Hij te veel van ons houdt. Moge dan ook in het nieuwe jaar de liefde voor de mensen om ons heen ons doen weten dat we God kennen, en zijn vreugde en zijn liefde ervaren.

Peter Commandeur

error: Content is protected !!