2020 Preek zondag 7 juni Anna-Bonifatiuskerk

De Drieëenheid

Overweging bij Exodus 34: 4b-6, 8-9; Johannes 3: 16-18:

Een maand geleden werd ik ‘s nachts wakker door waar­schuwings­ge­luiden van een vracht­wagen die onder mijn raam de hoek om­ging. Hij had erg lang werk, en het was nogal sto­rend; ik be­doel, hoe groot is zo’n hoek; ik woon in een kleine straat. Maar de volgende ochtend hoorde ik dat geluid weer. Toen ging ik maar’s kijken, en het bleek door vogels te worden veroor­zaakt. Ik kende de soort niet, maar van iemand die daar beter in zat, hoorde ik dat het Nijlganzen waren. Ik woon in het Cen­trum, vlak bij de rose buurt. Daar is het al ruim twee en een halve maand erg rustig en inmiddels begint de natuur op te drin­gen. Dat is niet al­tijd een genoegen.

Vandaag vieren we het feest van de Drieëenheid. De Drieëen­heid is een gemeen­schap van liefde tussen de Vader en de Zoon; de Geest is die liefde, maar zelf ook persoon. Je kunt zeg­gen: het is de liefde van de Drieëne God voor zich­zelf. Daarom zegt God in de eerste le­zing over zichzelf dat hij groot is in liefde en trouw. Mensen kunnen dat over zich­zelf niet zeggen. Dat zou zelfingeno­men zijn. Maar God kan dat wel, omdat zijn eigen­liefde al­leen maar waar is. God zegt dat tegen Mo­zes. Blijk­baar wil God dat Moses, en dus ook wij, op zijn trouw en zijn liefde een be­roep zullen doen. Die God, die drie is en aan zich­zelf genoeg heeft, wil toch dat wij Hem no­dig hebben en lief­hebben, vreemd als dat eigen­lijk is. En door middel van de drie perso­nen maakt Hij contact met ons, raakt Hij ons aan. De Vader gaat met ons om met vaderlij­ke lief­de, Christus is onze lotge­noot, die ons leven begrijpt, en de Geest, dat is de liefde van God, die ons zijn gaves schenkt en ons op God richt en doet bidden.

In het evangelie wordt gezegd dat God zijn Zoon aan de wereld heeft gegeven, omdat Hij die zo lief heeft. Dat zijn in de eerste plaats de mensen en daarom is Christus mens geworden, maar niet alleen. We hebben de schep­pings­psalm gelezen. God heeft de wereld ge­scha­pen en Hij houdt haar ook in stand. Hij laat het graan groei­en, zodat wij er brood van kunnen maken en zelfs de leeu­wen­welpen vragen hun voedsel van God. De hele schepping is opge­nomen in zijn lief­de. Zo meteen zullen we een verhaal over Franciscus van Assisi lezen, hoe hij tegen de vogels aan het preken was. Franciscus spreekt ze aan met “mijn broeders Vo­gel”. Hij had een rela­tie van broe­der- en zuster­schap met ze. Zo’n relatie lijkt op vriendschap, omdat de liefde van twee kanten komt en hetzelfde is. Dat is anders dan de liefde tussen ouders en kinderen, die verschillend is, an­ders ook dan naas­tenliefde, die veel meer van één kant komt. Francis­cus ontving liefde terug van zijn broe­ders, de vogels. Hij leefde in een natuur die liefde teruggaf. Dat is anders dan de moderne opvatting. Dan moe­ten we om de natuur den­ken, zodat die zoveel moge­lijk op haar eigen natuurlijke wijze kan groeien en bloeien. Meestal betekent dat dat de natuur juist be­schermd moet worden tegen de mensen en de na­tuur denkt niet om ons. Voor Francis­cus was dat an­ders, maar ook die moderne opvat­ting sluit niet uit dat de schepping een eenheid is van liefde en weder­kerigheid. Fran­ciscus spoort de vogels aan om te doen wat hij ook zelf wilde doen en waar alles naar ver­lang­de: God loven en prijzen. Prijzen is een uiting van lief­de. Wie iemand lief­heeft, prijst die ge­lief­de. God be­minnen we omdat Hij ons be­valt, omdat we in Hem vreugde vin­den. En waarom? Wie kan zeggen waarom hij van iemand houdt. Omdat het goed is, omdat die persoon is zoals hij is. Van God houden we, omdat Hij God is. De lof Gods wordt in zijn nabij­heid, in de he­mel, door de engelen en de hei­li­gen gezon­gen. De omgang van Fran­ciscus met de dieren, en met de schep­selen in het alge­meen, verwijst naar zo’n le­ven met God.

Maar dan is er bv. de nijlgans. En ik heb me ook wel eens af­ge­vraagd waarom God toch de mug heeft geschapen, als die zo ‘s nachts in­eens om je hoofd zoemt. Of ook: waarom heeft God het coronavirus ge­schapen? Bijna drie maanden zijn er geen vie­ringen geweest. Hoefde dat niet meer van God? Ik ga nog even naar Franciscus. Er waren dieren waar hij een hekel aan had. Rodde­laars noemde hij ‘ad­ders’ vanwe­ge hun giftige tong. Af­lei­den­de gedachten bij het bidden noemde hij ‘vlie­gen’. Hij was een beetje bang van muizen en noemde het een beproeving van de dui­vel als ze hem lastig ­­vie­len. Fran­ciscus hield niet adders, vliegen en muizen. Maar de gren­zen legt hij ruim. In het Zon­ne­lied spreekt hij over zus­ter Dood. Toch scheidt die zuster ons van de mensen aan wie we gehecht zijn en die we niet kwijt wilden. Maar toen zijn arts hem zei dat hij zou sterven, heette Fran­cis­cus de Dood wel­kom, omdat die de toe­gang tot het nieuwe leven bracht. Het is een soort levens­kunst om de grens ruim te leggen.

Een paar weken geleden, op een mooie dag was ik een boek aan het lezen op een kade aan de Oude­zijd­sachter, tegenover de huizen van de Zee­dijk die daar met de achterkant in het water staan. Het is daar erg mooi en er was niemand. Toen kwam er een nijlgans naast me zitten. Ze zijn lichtbruin met wit, iets groter dan een eend. Hij bleef me een half uur gezel­schap houden. We keken elkaar af en toe aan. Er kwam een man uit een huis achter ons, die opmerkte dat ik toch wel gezel­schap had. En inder­daad de vogel leek het pret­tig te vinden om bij me te zijn. Broeder Nijlgans, kunnen we zeggen. Ook nijl­ganzen druk­ken Gods goed­heid uit. En ze kunnen Hem vast ook prijzen. Maar dat virus. Dat drukt toch echt wel uit dat het met de schep­ping niet helemaal goed is. We moeten de grenzen ruim nemen, maar dat virus valt erbuiten. Het is iets kwaads en God heeft het kwaad niet ge­wild, al staat Hij het wel toe. Lewis, C.S. Lewis, noemt in dit verband het verhaal van Luci­fer, de mooiste van de enge­len, die God wilde verdrin­gen en toen tot duivel werd. Volgens Lewis wordt daarin ge­zegd dat er al in de schep­ping dingen fout zijn gegaan, ook zon­der dat de mensen daar iets aan hebben kunnen doen. En dat zijn overstro­mingen, aardbevin­gen maar ook al die ziektes. Pau­lus schrijft dat de hele schep­ping vurig verlangt naar bevrij­ding. We moeten nog wach­ten en leven in ge­loof, tot de ver­re­zen wereld, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar ieder in de ander zal zijn, waar we allen één zullen zijn in een lief­desver­houding zelfs met God.

Maar al nu kunnen we broeder Amstel zien blinken in het zon­licht, zuster populier horen ruisen, ouders met kinde­ren een lief­devol spel zien spelen, als broe­ders en zusters ook van ons, broeder iep zien pronken met zijn nieuwe, fris­groene blad, of gezel­lig met broeder nijlgans een boek lezen. En dan is het niet altijd gegeven om dat te voe­len, maar eigenlijk nodigen die broeders en zusters ons uit om verheugd over ze te zijn, over hun kleur, hun klank, hun aan­han­ke­lijk­heid en hun trouw en daarop te ver­trouwen en ze lief te heb­ben, en daarmee God hun schep­per te prijzen. Even wordt dan de Geest zicht­baar. En moge dan onze liefde voor het aardse uitlopen in de liefde voor Hem die dat alles heeft gemaakt. En mogen zijn liefde voor ons en voor de schepping bij ons blij­ven tijdens ons leven, en ook als zuster dood ons ontvangt.

Uit de beschrijving van het leven van Franciscus van Assisi door Bonaventura

Al voorttrekkend kwam Franciscus in de buurt van Bevagna bij een plek waar er een grote menigte van allerlei vogels bijeen was. Toen hij die vogels gezien had liep hij spontaan op ze toe en begroette ze alsof ze redelijke wezens waren. Ter­stond keerden de vogels zich naar hem toe en ze namen een afwachten­de houding aan en ze bogen hun kopjes naar beneden om hem vanuit de bomen te kunnen zien en op ongewone wijze beke­ken ze hem aandach­tig. Franciscus ging vlak bij ze staan en in lief­devolle bezorgdheid vermaande hij hun om naar het woord van God te luisteren. Toen zei hij hun: “Mijn broeders Vogel, zorg er toch voor jullie Schepper vol ijver te verheerlij­ken en te loven. Hij gaf jullie immers veren om je te kleden en vleu­gels om te vliegen. Hij wees jullie de vrije, zuivere lucht toe als je domein en iedere dag weer opnieuw zorgt Hij voor alles wat jullie nodig hebben, zonder dat je er zelf iets voor hoeft te doen.” De vogels begonnen zich toen op een won­de­re manier te gedragen: ze rekten hun hals en strekten hun vleu­gels; ze open­den hun bekjes en volgden hem in nieuwsgie­rige aandacht met hun blik. Franciscus was er verrukt over en ging enthou­siast tussen hen rond. Hoewel zijn habijt langs ze heen streek, vloog geen van de vogels weg. Ze bleven zit­ten totdat hij het kruisteken over ze maakte en hun verlof gaf om te gaan. Toen eerst vlogen ze op, allemaal tegelijk, met de zegen van de heili­ge.

Opmerkingen bij de Vogelpreek

Fran­cis­cus toont een bezorg­de en meele­vende liefde: doen de vogels wel wat ze dicht bij God brengt? En de vogels zijn letterlijk aanhanke­lijk: ze rekken hun hals en volgen hem met hun blik, aandachtig. Dat drukt heel mooi uit hoe ook de vogels verlangen naar God, zoals die leeuwenwelpen in de psalm. Maar ze verlangen ook naar de woorden van Francis­cus die hen daarbij helpt. De schep­ping is een een­heid van liefde. De vogels moeten God loven en prijzen, zoals de mensen dat ook willen. We moeten elkaar daartoe aan­sporen. Allemaal willen we God loven. En hetzelf­de willen is een vorm van geluk, van liefde, waarin we verbonden zijn met de schepping. We kunnen in het Oosterpark staan, om ons heen kijken en de bomen zien, de lucht, de parkieten, en als het mooi weer is, de drinkende en etende mensen. En dan is het een soort inslag van de Geest, van de genade, als we kunnen voelen dat ze eigenlijk God aan het prijzen zijn, omdat ze door Hem ge­schapen zijn en Hij ze in leven houdt, omdat ze naar Hem verlangen en van Hem houden. En dan zijn etende en drinkende of spelende mensen natuurlijk met iets heel anders bezig, maar ze kunnen dat zo liefdevol met elkaar doen dat ze daarin toch de lof Gods uitdrukken. En als we dat kunnen voelen, voelen we ook dat die broeders en zusters ook ons aansporen op onze beurt God te prijzen. We gaan bidden.

Gebed (uit Laudato si)

Wij loven U, Vader, met alle schepselen

die uit uw hand zijn voortgekomen.

Zij zijn van U en vervuld van U

van uw aanwezigheid en uw tederheid.

Geloofd bent U, Zoon van God, Christus.

Door middel van U heeft God alle dingen geschapen.

U bent gevormd in de moederschoot van Maria

en bent deel geweest van de aarde.

U hebt de wereld gezien, met ogen van mensen.

Vandaag leeft U in elk schepsel

met uw heerlijkheid van verrezene.

Geloofd bent U, Heilige Geest, die door uw licht

deze wereld richt naar de liefde van de Vader

en die het zuchten van de schepping hoort.

U leeft in ons hart en wekt ons tot het goede.

Leer ons de liefde en aandacht van de schepselen te ervaren

omdat wij met hen verbonden zijn.

Laat ons U loven, Heer,

want U bent goed en schepper van degenen

naar wie ons verlangen en onze liefde uitgaan.

Geef ons de kracht en de liefde, Heer,

om het leven te beschermen en toekomst te geven

opdat uw Rijk van vrede, liefde en schoonheid zal komen.

Laat ons U zegenen, Heer,

want Uw liefde vult de leegte in ons hart.

Laat ons U liefhebben, Heer,

want in al het mooie dat voorbijgaat

blijft Uw liefde bij ons.

Laat ons U liefhebben,

nu en in eeuwigheid,

Geprezen bent U.

Amen

Peter Commandeur