Gedicht Hemelvaart door Jacques Perk

De rondende afgrond blauwt in zonnegloed,
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven, –
Mijn ziel wiekt als een leeuwriks-lied naar boven,
Tot, boven ’t licht, haar lichter licht gemoet:

Zij baadt zich in den lauwen aether-vloed,
En hoort met hosianna’s ’t leven loven, –
Het floers is weg van de eeuwigheid geschoven,
De Godheid troont…diep in mijn trotsch gemoed;

De hemel is mijn hart, en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard’,
En, nederblikkend, is mijn glimlach zoet:

Ik zie daar onverstand en ziele-voosheid…
Genoegen lacht…ik lach…en, met een vaart,
Stoot ik de wereld weg in eindeloosheid.

Jacques Perk is geboren in 1859 in Dordrecht en op zijn 22e gestorven in Amsterdam aan een longaandoening. Hij ligt begraven op de Nieuw Ooster.

Jacques was de zoon van een dominee. Zijn vader had een grote literaire belangstelling en zijn tante was een actief voorvechtster voor de rechten van de vrouw. Hij heeft de “Mathilde-cyclus”geschreven. Daarin blijkt de inspirerende natuur en de schoonheid van een vrouw belangrijk voor de ontwikkeling van zijn dichterschap. In zijn laatste levensjaar smeedt hij een aantal sonnetten van de Mathilde-cyclus tot “Eene helle- en hemelvaart, opgedragen aan Joanna Blancke, een onbereikbare grote liefde in zijn leven.

In dit gedicht staat verwoord wat ik ook benoemde in de preek. Hemelvaart als afstand nemen. Ruimte scheppen tussen Jezus en de volgelingen. Legde ik meer de nadruk op de afstand die wij, de leerlingen moeten nemen tot de leraar om onze eigen gedachten en daden zelfstandig te ontwikkelen, Jacques Perk vertelt vanuit het perspectief van Jezus.  Hoe Jezus afstand neemt en hoe Hij het afstand nemen ervaart. Hij gaat naar de hemel en ziet de aarde steeds verder verdwijnen. Zoals die er voor een ruimtevaarder uitziet, zo zou Jezus die aarde zien.

Perk beschrijft hoe Jezus’ ziel naar boven gaat als een leeuwerik en hoe de floers tussen de aarde en de hemel wegschuift. En hoe de ziel naar het licht gaat. Naar God, schrijft hij en dan opeens blijkt dat die God in zijn eigen gemoed, in het innerlijk van Perk troont. Hij beschrijft de hemel als zijn eigen hart.

Het gedicht suggereert dat Perk zelf zich terugtrekt in zijn eigen gemoed en de wereld wegduwt met zijn voeten, zich daarmee verwijderend van alle toestanden en gebeurtenissen op die wereld om hem heen.

Ik denk dan maar dat Perk zich opnieuw moest gaan verhouden tot de dingen om hem heen, maar eerst moest hij afstand creëren. Zoals wij afstand tot Jezus moeten scheppen op Hemelvaart om te leren Zijn woorden en daden in vrijheid te waarderen en toe te passen.

Uschi Janssen